Lezingen van de dag – maandag 5 maart 2018


Heilige (of feest) van de dag

Focas van Sinope (+ 303)

Focas van Sinope (ook de Hovenier), Helenopontus (= aan de noordkust van het huidige Turkije); hovenier & martelaar

Focas woonde in Sinope aan de monding van de Istme die uitstroomt in de Zwarte Zee. Daar had hij een eenvoudig huisje bij de stadspoort. Hij leefde van wat zijn tuin hem opbracht. Hoe eenvoudig zijn woning ook was, hij bood vreemdelingen en reizigers een gastvrij onderdak. Hij was christen. Dat wist iedereen. Maar toen de vervolgingen uitbraken onder Diocletianus (284-305) en er een prijs werd gezet op het hoofd van iedere christen die werd aangebracht, was er ook in zijn geval wel een judas te vinden die bereid was hem voor goed geld bij de overheid te verraden. De autoriteiten hoorden over zijn voorbeeldig leven en besloten hem zonder enige vorm van proces of ophef om het leven te brengen. Hoe meer bekendheid aan de zaak gegeven zou worden, hoe meer onrust. Dus werden er twee ambtenaren op uit gestuurd met de bevoegdheid de arrestant onmiddellijk te doden.

Deze twee kwamen tegen de avond in Sinope aan. In een eenvoudige woning dichtbij de stadspoort vonden zij een gastvrij onthaal. De gastheer zette hun voor wat hij van zijn tuintje wist te halen, en begon een praatje. Onwetend van het feit dat zij met hun slachtoffer spraken, vertelden de twee vrijmoedig over het doel van hun komst en vroegen hun gastheer of hij eventueel aanwijzingen kon geven om de gehate verdachte te vinden. Focas beloofde het. Maar stelde voor dat ze eerst zouden genieten van een welverdiende nachtrust. Morgen zouden ze verder praten.

Die nacht dolf Focas een graf in zijn tuin. De volgende ochtend serveerde hij zijn gasten een stevig ontbijt, ging vóór hen staan en zei: “De man die jullie zoeken, heb ik gevonden. Hij staat hier vóór je. Ik ben het zelf. Doe wat je is opgedragen en dood mij.” Verbijsterd keken de beide ambtenaren elkaar aan. Ze konden deze aardige man toch niet ombrengen? Iemand bij wie ze nota bene gastvrijheid hadden genoten! Maar Focas bleef er bij hen op aandringen: “Als jullie je opdracht niet volbrengen, zul je er zelf last mee krijgen. Alstublieft, doe waarvoor u gekomen bent. Laat de verantwoordelijkheid voor deze misdaad neerkomen op het hoofd van degenen die er het bevel toe gaven.” Zo komt het dat Focas de marteldood stierf en – zoals Sint Asterius het zegt in een van zijn preken – zo rolde zijn kop onder hun zwaard.

Hij werd begraven in zijn eigen tuin. Die plek werd een bedevaartoord. En diende meteen als een baken voor de schepen op zee. Het verhaal gaat zelfs dat Focas te hulp schoot, als een schip door storm of zware golfslag in de moeilijkheden raakte. Dan verscheen de heilige zelf aan boord, nam het roer over, bemoeide zich met de zeilen en de tuigage, en loodste het vaartuig veilig de haven binnen.
In later eeuwen werd een gedeelte van zijn gebeente overgebracht naar Constantinopel, waar zijn reliek met veel plechtig vertoon in een indrukwekkende processie werd bijgezet in de hoofdkerk van de stad.

De heilige geschiedschrijver Gregorius van Tours († 594; feest 17 november) vertelt dat hij vooral beschermheilige was tegen slangenbeten. Hij had immers de goede strijd tegen de aloude slang, die het op het geluk en het welzijn van de mensheid had gemunt, overwonnen. Zodra iemand die een slangenbeet had opgelopen door de poort van zijn begraafplaats kwam, hield de werking van het gif op, al was hij intussen door het gif nog zo opgeblazen.
Hij is patroon van de hoveniers en – vooral in de oosters orthodoxe kerken – van schippers, zeelui en scheepvaart. In vroeger tijden werd zijn voorspraak ingeroepen tegen slangenbeten en vergiftiging.

maandag in de 3e week
van de 40-dagentijd


Uit het tweede boek Koningen 5, 1-15a

De joodse profeten waren niet geroepen om zich met vreemdelingen te bemoeien. Niet-joden waren ongelovigen of heidenen, niet geroepen door God. De genezing van de Syriër Naäman opent de ogen van de zelfverzekerde leden van het Godsvolk. Niet alleen tot de leden van Israël klinkt de oproep van God, maar tot ieder die gelooft in zijn tekenen.

Naäman, de bevelhebber van het Aramese leger, stond bij zijn koning in hoog aanzien en werd zeer door hem gewaardeerd, want de Heer had hem voor Aram een grote overwinning laten behalen. Maar deze grote krijgsman leed aan huidvraat.
Nu hadden de Arameeërs op een van hun strooptochten uit Israël een jong meisje meegevoerd, dat als slavin diende bij de vrouw van Naäman. Zij zei tegen haar meesteres: ‘Ach, kon mijn meester maar eens naar de profeet in Samaria gaan, die zou hem wel genezen.’
Naäman ging naar zijn koning en vertelde hem wat het meisje uit Israël had gezegd.
Daarop zei de koning van Aram: ‘Ga erheen. Ik zal u een brief meegeven voor de koning van Israël.’
Naäman ging op weg, met tien talent zilver bij zich, zesduizend sjekel goud en tien stel kleren.
In de brief die hij aan de koning van Israël overhandigde, stond het volgende: ‘Met deze brief stuur ik mijn dienaar Naäman naar u toe, om door u van zijn huidvraat te worden genezen.’
Zodra de koning van Israël de brief gelezen had, scheurde hij zijn kleren en riep uit: ‘Ben ik soms een god, dat ik kan beschikken over leven of dood? Hij stuurt mij deze man om hem van zijn huidvraat te genezen. Let op mijn woorden: hij is uit op een conflict met mij!’
Toen de godsman Elisa hoorde dat de koning van Israël zijn kleren had gescheurd, liet hij hem vragen: ‘Waarom hebt u uw kleren gescheurd? Laat die man bij mij komen, dan zal hij merken dat er in Israël een echte profeet woont.’
Naäman reed met zijn strijdwagen naar het huis van Elisa.
Elisa stuurde iemand naar buiten om hem te zeggen: ‘Baad u zevenmaal in de Jordaan, dan zal uw huid weer gezond worden en zult u weer rein zijn.’
Kwaad ging Naäman weg. ‘Ik had gedacht dat hij zelf naar buiten zou komen’, zei hij. ‘En dat hij de naam van de Heer, zijn God, zou aanroepen en met zijn hand over de aangetaste plek zou strijken, en zo de huidvraat zou wegnemen. Zijn de rivieren van Damascus, de Abana en de Parpar, soms niet beter dan alle wateren in Israël? Had ik me daarin niet kunnen baden om rein te worden?’ Verontwaardigd draaide hij zich om en ging weg.
Maar zijn bedienden kwamen hem achterna en zeiden: ‘Maar overste, als de profeet u een ingewikkelde opdracht had gegeven, had u die toch ook uitgevoerd? Dus nu hij tegen u zegt: “Baad u, en u zult weer rein worden”, moet u dat zeker doen.’
Hierop daalde Naäman af naar de Jordaan en dompelde zich daar zevenmaal onder, zoals de godsman had gezegd. Zijn huid werd weer gezond, zo gaaf als de huid van een kind, en hij was weer rein.
Toen keerde hij met zijn hele gevolg naar Elisa terug, maakte bij de godsman zijn opwachting en zei: ‘Ik wist wel dat er behalve in Israël in de hele wereld geen God is.’

 

Ps. 42, 2 + 3 + Ps. 43, 3 + 4

Refr.: Luister vandaag naar Gods stem.

Zoals een hinde smacht naar stromend water,
zo smacht mijn ziel naar U, o God.

Mijn ziel dorst naar God, naar de levende God,
wanneer mag ik nader komen
en Gods gelaat aanschouwen ?

Zend uw licht en uw waarheid, laten zij mij geleiden
en brengen naar uw heilige berg,
naar de plaats waar U woont.

Dan zal ik naderen tot het altaar van God,
tot God, mijn hoogste vreugde.
Dan zal ik U loven bij de lier, God, mijn God.

 

Uit het evangelie volgens Lucas 4, 24-30

Jezus vergelijkt zijn zending en het gehoor dat Hij vindt met de persoon en de omstandigheden van Elia. Het oproepen van de genezing van de Syriërs Naäman, een vreemdeling en heiden, is een verwijt aan de toehoorders. Zij begrijpen het zeer goed, want zij willen Jezus uitschakelen.

Toen Jezus in Nazaret kwam, zei Hij tot het volk in de synagoge: ‘Luister, Ik zeg jullie dat geen enkele profeet welkom is in zijn vaderstad. Maar Ik zeg het jullie zoals het is: in de tijd van Elia, toen de hemel drie jaar en zes maanden lang gesloten bleef en er in het land een grote hongersnood uitbrak, waren er veel weduwen in Israël. Toch werd Elia niet naar een van hen gezonden, maar naar een weduwe in Sarepta bij Sidon. En in de tijd van de profeet Elisa waren er veel mensen in Israël die leden aan huidvraat, maar niemand van hen werd gereinigd, behalve de Syriër Naäman.’
Toen de aanwezigen in de synagoge dit hoorden, ontstaken ze in grote woede.
Ze sprongen op en dreven Hem de stad uit, naar de rand van de berg waarop hun stad gebouwd was, om Hem in de afgrond te storten.
Maar Hij liep midden tussen hen door en vertrok.

Van Woord naar leven

Vandaag horen we in de psalm: ‘Zoals een hinde smacht naar stromend water, zo smacht mijn ziel naar U, o God.’

Van oudsher is het een vraag of een mens, wanneer hij geboren wordt, religieus is of niet. Wordt het hem in latere jaren gegeven, of heeft de mens reeds vanaf zijn geboorte, of daarvoor al, iets in zich dat hem tot een religieus mens maakt.
Wel, persoonlijk ben ik van mening dat een mens in wezen religieus is, en wel vanaf de conceptie. Ieder mens is het gegeven om in zijn latere leven God te leren kennen, in ontmoeting te leven met Hem, vanuit Hem te leven, en wel naar zijn of haar roeping. Ouders, opvoeders, de hele geloofsgemeenschap, hebben de taak de mens op te voeden in dat religieuze, in de werkelijkheid van een transcendent bestaan, opdat – wanneer het kind jongvolwassen is – in staat is de weg te ontdekken die hij moet gaan, en wel door God te leren kennen als Vriend die met hem de weg van zijn roeping gaat.

De psalmist zegt: ‘zo smacht mijn ziel naar U, o God’.
We zouden met onze jongeren zo’n samenzijn moeten scheppen, en ook onder elkaar als volwassenen, dat onze ziel gaat smachten naar God, dat er diep vanbinnen een voortdurend verlangen leeft naar God; een verlangen dat we werkelijk gaan koesteren en in leven houden omdat we in dat verlangen een weg ervaren naar God toe. Het is namelijk Gods Geest die ons doet verlangen, en in die zin is dat soort verlangen een zeer hoge vorm van gebed. Tenminste: wanneer we er ons aan toevertrouwen, wanneer we ons te ruste leggen in dat waaien van de Geest in onze ziel.

En dan zullen we met de psalmist verder kunnen bidden: ‘Mijn ziel dorst naar God, naar de levende God, wanneer mag ik nader komen en Gods gelaat aanschouwen? Zend uw licht en uw waarheid, laten zij mij geleiden en brengen naar uw heilige berg, naar de plaats waar U woont. Dan zal ik naderen tot het altaar van God, tot God, mijn hoogste vreugde. Dan zal ik U loven bij de lier, God, mijn God.’

Prachtige gebeden die psalmen !!

kris

Reageren, je eigen woordje plaatsen, of uitwisselen over de overweging,
kan via de blog Van Woord naar leven.
Laat ons bidden

Heer God,
diep vanbinnen smelten we van verlangen naar U; een smelten als gevolg van de inwoning van uw Geest. Dank U, goede God, omdat U ons naar U toetrekt. Dank U, om dat heilige verlangen te leven in U. Blijf ons bezielen, doe ons sterven in U, groeiend in onze roeping, innig verenigd met U. Oh God.
In Christus naam.
Amen.