Lezingen van de dag – vrijdag 1 september 2017


Heilige (of feest) van de dag

Douceline van Digne († 1274)

Douceline van Digne, Provence, Frankrijk; begijn

Zij werd in 1241 geboren in het Provençaalse plaatsje Digne. Haar vader en moeder, Berengarius van Digne en Huguette van Barjols, leidden een christelijk leven van gebed en naastenliefde. Zij waren niet van adel, maar behoorden tot de opkomende welvarende koopmansstand. Na het overlijden van haar beide ouders zette Douceline hun werken van naastenliefde voort. Soms trok ze zich terug in het clarissenklooster van Genua. Heel haar verdere leven zou ze diepgaand beïnvloed worden door het voorbeeld van Franciscus van Assisi.

Eens ontmoette ze op de terugweg drie geheimzinnige vrouwen in het zwart gekleed, met een witte sluier voor hun gezicht. Zij vroeg hun naar de betekenis ervan, en de drie legden uit dat zij geen kloosterzusters waren, maar het leven van een godgewijde vrouw leidden in de maatschappij. Op hetzelfde moment besefte Douceline dat hier haar roeping lag. Na overleg met haar broer Hugo van Barjols, een franciscaan, werd zij begijn. Daarmee sloeg zij een geheel nieuwe weg in: niet die van kloosterzuster en ook niet die van een vrouw van de wereld. Zo leidde zij eerst te Roubaud en later in Hyères en nog weer later in de stad Marseille, alle drie in de zuidelijke Provence gelegen, een leven van grote armoede en intens gebed. Vele meisjes stroomden toe om leerling van haar te worden en haar leven te delen. Douceline’s levensbeschrijving, die kort na haar dood tot stand kwam, zegt: ‘Zij waren onderling verbonden met een goddelijke band van liefde.’

Hoe leefden ze? Ze werden verondersteld elke dag het lijden van Heer Jezus te bewenen. Geen moment mochten zij zijn liefde vergeten, die zelfs zover gegaan was dat Hij zijn leven had gegeven. ‘Vandaar – aldus Douceline – dat wij als ware weduwen altijd ons hoofd bedekken.’ Voor het overige leefden zij een nederig leven van boete en gebed. Toen eens een van de meisjes opmerkte, dat iedereen met minachting op hen neerkeek, moet Douceline geantwoord hebben: ‘Ik beschouw het juist als een eervol teken dat de wereld ons minacht en de mensen op ons neerkijken.’ Bracht ze de nachten door met geestelijke oefeningen, overdag besteedde ze al haar aandacht aan zieken en hulpbehoevenden.

Toen Douceline eens van de kerk terugkwam, stuitte ze op een arme man die klaarblijkelijk ontzettend veel pijn had. Zijn hele lijf zat onder de verwondingen. Zij verzorgde ze, waste hem, trok hem schone kleren aan en bracht hem onder in een van de naburige huisjes. Daar kreeg hij ook te eten. Maar op de derde dag was hij plotseling verdwenen. Aan het hoofdeind van zijn brits stond nog in de vensterbank voor het raam alle voedsel onaangeroerd dat men hem de afgelopen dagen had gebracht. Ze stelden een onderzoek in, maar de man bleef onvindbaar. Een paar begijnen wisten te vertellen dat er in de nacht van zijn verdwijning vanuit zijn vensterraam een fel licht over het gras had geschenen. De hele tuin leek wel in brand te staan. Wij zeiden nog tegen elkaar: ‘Het lijkt wel alsof ze daar alle strofakkels tegelijk hebben aangestoken.’

Douceline stierf in de vooravond van woensdag 1 september 1274. Vlak voor haar dood werd aan haar gevraagd: ‘Vrouwe Douceline, wie moet nu de leiding over uw kinderen op zich nemen?’ Zij moet geantwoord hebben: ‘Onze Heer zelf en vader Franciscus.’ Toen vroeg men haar: ‘Maar moeder, wie moet dan straks uw plaats innemen?’ Waarop zij in alle eenvoud zei: ‘Daar zal de Heilige Geest zelf wel voor zorgen.’

vrijdag in week 21 door het jaar


Uit de eerste brief van Paulus aan de Tessalonicenzen 4, 1-8

De Tessalonicenzen hadden wel het geloof van Paulus aanvaard, maar daarom waren zij nog niet vrij van heidense invloeden. Paulus ziet een oplossing in een moraal die leeft vanuit de heilige Geest die ons door God geschonken wordt.

Broeders en zusters,
in naam van de Heer Jezus vragen we u met klem te leven zoals wij het u hebben geleerd, dus zo dat het God behaagt. U doet dat al, maar wij sporen u aan het nog veel meer te doen. U kent de voorschriften die wij u op gezag van de Heer Jezus hebben gegeven. Het is de wil van God dat u een heilig leven leidt: dat u zich onthoudt van ontucht, dat ieder van u zijn lichaam heiligt en in eerbaarheid weet te beheersen en dat u niet zoals de ongelovigen, die God niet kennen, toegeeft aan uw hartstocht en begeerte. Schaad of bedrieg uw broeder of zuster in dit opzicht niet, want de Heer vergeldt dit alles, zoals wij u vroeger al nadrukkelijk hebben voorgehouden. God heeft ons niet geroepen tot zedeloosheid, maar tot een heilig leven. Dus wie deze voorschriften verwerpt, verwerpt niet een mens, maar God, die u zijn heilige Geest geeft.

 

Psalm 97, 1 + 2b + 5 + 6 + 10 + 11 + 12

Refr.: Breng hulde aan Gods heilige Naam.

De Heer is koning – laat de aarde juichen,
laat vreugde heersen van kust tot kust.
Zijn troon stoelt op recht en gerechtigheid.

De bergen smelten als was voor de Heer,
voor de Heer van heel de aarde.
De hemel vertelt van zijn gerechtigheid,
alle volken aanschouwen zijn majesteit.

U die de Heer bemint: haat het kwade.
Hij behoedt het leven van wie Hem trouw zijn,
uit de greep van de goddelozen bevrijdt Hij hen.

Licht is uitgezaaid voor de rechtvaardige,
vreugde voor de oprechten van hart.
Verheug u, rechtvaardigen, in de Heer,
en breng hulde aan zijn heilige Naam.

 

Uit het evangelie volgens Matteüs 25, 1-13

Naast waakzaamheid raadt Jezus de christenen ook wijsheid en voorzichtigheid aan. De boodschap van het evangelie moet nu reeds in de praktijk worden gebracht. Anders zullen wij niet klaar zijn wanneer de bruidegom komt. De Kerk wordt hier bruid genoemd. Zij bereidt zich voor op de komst van de bruidegom, Christus haar Heer.

Jezus hield zijn leerlingen volgende gelijkenis voor:
‘Het zal met het Koninkrijk van de hemel zijn als met tien meisjes die hun olielampen hadden gepakt en erop uittrokken, de bruidegom tegemoet. Vijf van hen waren dwaas, de andere vijf waren wijs.
De dwaze meisjes hadden wel hun lampen gepakt, maar geen extra olie. De wijze meisjes hadden behalve hun lampen ook olie in kruiken bij zich.
Omdat de bruidegom op zich liet wachten, werden ze allemaal slaperig en dommelden ze in. Midden in de nacht klonk er luid geroep: “Daar is de bruidegom! Kom, ga hem tegemoet.”
Dat wekte de meisjes en ze brachten hun olielampen in orde. De dwaze meisjes zeiden tegen de wijze: “Geef ons wat van jullie olie, want onze lampen gaan al uit.”
De wijze meisjes antwoordden: “Nee, straks is er nog te weinig voor ons en jullie samen. Zoek liever een verkoper en koop zelf olie.”
Terwijl zij op olie uit waren, arriveerde de bruidegom, en zij die klaarstonden gingen met hem naar binnen voor het bruiloftsfeest, waarna de deur gesloten werd.
Enige tijd later kwamen ook de andere meisjes. Ze riepen: “Heer, heer, laat ons binnen!”
Maar hij antwoordde: “Ik ken jullie werkelijk niet.”
Wees dus waakzaam, want jullie weten niet op welke dag en op welk tijdstip hij komt.’

Van Woord naar leven

‘Wees waakzaam’

Deze parabel wordt – zeer terecht overigens – gewoonlijk gelezen in het licht van onze ontmoeting met de Heer aan de grens van de aardse tijd met deze van de eeuwigheid. Daar zullen we Hem ontmoeten als verlosser, als rechter, als God die – wanneer we ja zeggen – ons met open armen zal ontvangen, en welkom heten.

Maar we mogen deze parabel ook lezen in het licht van de Heer die dagelijks tot ons komt en bij ons is. Jezus is immers niet enkel toekomst, Hij is ook heden en hier. En het is goed waakzaam te zijn voor Jezus’ dagelijks komen tot ons, waakzaam voor zijn aanwezigheid in ons.

In alles, en doorheen alles, nodigt God uit lief te hebben. Zijn Zoon, die Hij met al zijn liefde in onze ziel heeft gebaard, kan en zal ons de genade schenken ‘ja’ te zeggen op die goddelijke uitnodiging lief te hebben. Maar, nederig als Hij is, wacht Jezus. Hij wacht op onze overgave, aan ons toevertrouwen aan Hem.

Ja, Jezus wacht. In die zin is Hij het beeld van evangelische waakzaamheid. Hij is alert op ons komen naar Hem. En van zodra wij enige neiging vertonen ons te openen voor Hem, zal Hij ons ten diepste vervullen met zijn genade om met ons en door ons lief te hebben.

Maar dit vraagt dus op onze beurt waakzaamheid. In wezen is geloof immers je toevertrouwen aan de Heer. En dit kan alleen maar wanneer je wakker bent voor zijn komen in uw leven.

Geloof is dus ten diepste een gebeuren van alertheid, van wakker zijn, van fris in het leven staan; blij en dankbaar om de Heer die je komt vervullen met zichzelf, om je zo in staat te stellen lief te hebben naar het beeld van de Vader.

Graag wens ik je een wakkere 1 september !

kris

Reageren, je eigen woordje plaatsen, of uitwisselen over de overweging,
kan via de blog Van Woord naar leven.
Laat ons bidden

Heer Jezus, goede Broer,
schenk ons die diepe liefde, die ons met hart en verstand bewust maakt van uw komen. Maak van ons oplettende mensen die niet verdwalen in hun eigen ik los van U, maar maak ons tot verliefde mensen op uw aanwezigheid, omwille van de liefde, waarin en waartoe God ons roept.
Kom heilige Geest.
Amen.