Lezingen van de dag – vrijdag 12 januari 2018


Heilige (of feest) van de dag

Antonius Pucci (+ 1892)

Antonius Maria Pucci osm, Viareggio, Italië; zielzorger

Hij werd op 16 april 1819 geboren uit een boerenfamilie in de plaats Poggiole di Vernio in de Italiaanse landstreek Toscane. Hij trad in bij de servieten in Florence, deed zijn studies met grote toeleg in Monte Senario en legde in 1843 zijn geloften af.

Benoemd tot pastoor in de plaats Viareggio deed hij alles wat een pastoor moet doen met grote toewijding: hij gaf catechismusonderricht, diende sacramenten toe, ondersteunde de armen en droeg zorg voor de zieken; hij maakte vooral diepe indruk tijdens het uitbreken van de pestepidemieën in 1854 en 1866. Hij zorgde er ook voor dat kinderen met tuberculose konden worden verpleegd in tehuizen aan zee.

Zijn uiterlijk had weinig aantrekkelijks, zeg maar dat hij gewoon lelijk was, en hij had ook bepaald niet een welluidende stem; geen wonder dat hij van nature eerder zwijgzaam en teruggetrokken was. Maar hij bezat een groot organisatietalent. Hij benadrukte echter graag dat een goede organisatie in díenst stond van de naastenliefde en er niet voor in de plaats kwam!

Daarnaast was hij prior van zijn klooster. Van 1883-1890 vervulde hij voor zijn orde ook nog het ambt van provinciale overste van Toscane.

Na een leven van trouwe dienst stierf hij op 73-jarige leeftijd, diep betreurd door zijn mensen. Hij werd bijgezet in de plaatselijke kerk van San Andrea. Mensen trokken naar zijn graf om zijn voorspraak te vragen en al spoedig waren er berichten van wonderen en gebedsverhoringen.
Tot op de dag van vandaag is zijn gaaf bewaarde lichaam nog altijd te zien in een glazen kist.

Op 9 december 1962 werd hij door paus Johannes XXIII († 1963) heilig verklaard.

Hij is patroon van de managers.

vrijdag in week 1 door het jaar


Uit het eerste boek Samuël 8, 4-7 + 10-22a

Het volk vroeg Samuël een koning aan te stellen. Het wilde zijn als alle andere volken. Maar zijn eigenlijke koning, God de Heer, wilde het niet aanvaarden. Want Hij hield er andere normen op na dan aardse vorsten. God waarschuwt tegen de gevaren die samenhangen met deze vraag naar een aardse koning. Als het volk blijft aandringen krijgt het zijn koning. Wie niet horen wil, moet dan maar voelen.

In die dagen kwamen de oudsten bij elkaar en gingen naar Rama, naar Samuël.
‘U bent oud geworden’, zeiden ze, ‘en uw zonen volgen uw voorbeeld niet na. Benoem liever een koning om ons te besturen, zoals alle andere volken er een hebben.’
Samuël vond het ontoelaatbaar dat ze om een koning vroegen. Daarom richtte hij een gebed tot de Heer, maar die antwoordde: ‘Geef gehoor aan de stem van het volk, aan alles wat ze je vragen. Jou verwerpen ze niet. Ze verwerpen juist mij als hun koning.’
Samuël vertelde alles wat de Heer had gezegd aan het volk, dat om een koning vroeg.
Toen zei hij: ‘Dit zijn de rechten die aan het koningschap verbonden zijn: Uw zonen zal een koning u afnemen en ze indelen bij zijn strijdwagens, zijn ruiterij of zijn persoonlijke escorte, of ze aanstellen als bevelhebbers over duizend man of over vijftig. Hij zal ze zijn akkers laten ploegen, zijn oogst laten binnenhalen en zijn wapens en strijdwagens laten maken. Uw dochters zal hij u afnemen om ze zalf te laten bereiden en te laten koken en bakken. Uw vruchtbaarste landerijen, wijngaarden en olijfgaarden zal hij u afnemen en toewijzen aan zijn hovelingen. Van de opbrengst van uw akkers en wijngaarden zal hij een tiende deel opeisen en dat aan zijn hovelingen en hoge ambtenaren geven. Uw beste slaven en slavinnen en uw sterkste arbeidskrachten zal hij u afnemen om ze voor zichzelf te laten werken, en ook uw ezels. Van uw schapen en geiten zal hij een tiende deel opeisen en ook uzelf zult hem moeten dienen. En wanneer u dan de Heer te hulp roept tegen de koning die u zelf gewild hebt, dan zal Hij u niet verhoren.’
Het volk trok zich niets van Samuëls woorden aan en zei: ‘Nee, we willen een koning en anders niet! Dan pas zullen we gelijk zijn aan alle andere volken. We willen dat een koning ons bestuurt en recht over ons spreekt, voor ons uittrekt en ons voorgaat in de strijd.’
Samuël hoorde aan wat het volk te zeggen had en bracht het over aan de Heer.
Toen zei de Heer tegen Samuël: ‘Geef gehoor aan hun verzoek en stel een koning over hen aan.’

 

Psalm 89, 16-19

Refr.: Gelukkig het volk dat leeft
in het licht van uw gelaat.

Gelukkig het volk dat van uw roem getuigt
en leeft, Heer, in het licht van uw gelaat.

Juichend roepen zij uw Naam, dag aan dag,
door uw gerechtigheid richten zij zich op.

U bent de glans van onze kracht,
door uw gunst verhoogt U ons aanzien.

Aan de Heer danken wij ons schild,
aan de Heilige van Israël onze koning.

 

Uit het evangelie volgens Marcus 2, 1-12

Mensen kunnen ons een voorbeeld geven van ongeloof, maar anderzijds blijkt uit hun gedrag soms ook hoe diep zij geloven. Voor Jezus was dat geloof voldoende om de zonden van de lamme te vergeven. Het was voor Hem tevens een teken van zijn goddelijke macht. Men kan dit teken van zijn godheid naast zich neerleggen of aanvaarden in geloof.

Toen Jezus terugkwam in Kafarnaüm, werd bekend dat Hij weer thuis was. Er stroomden zo veel mensen toe dat er zelfs voor de deur geen plaats meer was, en Hij verkondigde hun de heilsboodschap.
Er werd ook een verlamde bij Hem gebracht, die door vier mensen gedragen werd. Omdat ze zich niet door de menigte konden wringen, haalden ze een stuk van het dak weg boven de plaats waar Jezus zat, en toen ze een opening hadden gemaakt, lieten ze de verlamde op zijn draagbed naar beneden zakken.
Bij het zien van hun geloof zei Jezus tegen de verlamde: ‘Vriend, uw zonden worden u vergeven.’
Er zaten ook een paar schriftgeleerden tussen de mensen, en die dachten bij zichzelf: Hoe durft Hij dat te zeggen? Hij slaat godslasterlijke taal uit: alleen God kan immers zonden vergeven!
Jezus had meteen door wat ze dachten en dus zei Hij: ‘Waarom denkt u zoiets? Wat is gemakkelijker, tegen een verlamde zeggen: “Uw zonden worden u vergeven” of: “Sta op, pak uw bed en loop”? Ik zal u laten zien dat de Mensenzoon volmacht heeft om op aarde zonden te vergeven.’
Toen zei Hij tegen de verlamde: ‘Ik zeg u, sta op, pak uw bed en ga naar huis.’
Meteen stond hij op, pakte zijn bed en ging weg; allen die dit zagen, stonden versteld en loofden God. ‘Zoiets hebben we nog nooit gezien’, zeiden ze.

Van Woord naar leven

Vandaag horen we het verhaal van de lamme die bij Jezus werd gebracht, en wel via het dak omdat het wegens de menigte onmogelijk was via de gewone ingang bij Hem te komen. Mooi beeld overigens hoe de lamme kan rekenen op zijn broeders die alle moeite doen om hem in contact te brengen met de Heer.

Vandaag wil ik graag met u nadenken over het verband tussen verlamming en zonde. De lamme uit het evangelie van vandaag wordt door Jezus genezen waarop Hij zegt: ‘Vriend, uw zonden worden u vergeven.’ En verder: ‘Ik zeg u, sta op, pak uw bed en ga naar huis.’

In elk gebaar dat Jezus stelt in de evangelies zien we een dubbele betekenis. Enerzijds toont Jezus zijn goddelijkheid in de gebaren die Hij stelt. Zo geneest Hij vandaag de lamme van zijn verlamdheid om aan de Farizeeën, die Hem in vraag stelden, te tonen wie Hij was. Daarnaast schuilt er in de gebaren die Hij stelt ook altijd een meer geestelijke boodschap, waarvan het goed is ze trachten te doorgronden. Vandaag het verband tussen verlamming en zonde, tussen ‘vergeving krijgen van zonde’ en ‘gekregen genezing’.

Een mens die verslaafd is aan zonden (grote of kleine, dagelijks of af en toe), verlamt zichzelf. Hij legt iets in zichzelf lam. Hij geraakt aan iets ontwricht, namelijk aan zijn relatie tot God. De frisheid in de godsrelatie verdwijnt, het zuivere ebt weg, het geweten (als plaats van godsontmoeting) knaagt, het gebed lijdt eronder, de relaties naar de naasten worden minder oprecht,… En we zakken weg. Zonde verlamt.

Het goede trekt, zoals het kwade dat ook doet. Het goede, God, de altijd aanwezige (ook in de zondaar) blijft uitnodigen, maar Hij doet dit als een bedelaar, een nederige. Hij klopt aan de deur van ons hart en blijft geduldig wachten tot we opendoen. Hij respecteert onze vrijheid en wacht op een persoonlijk ‘ja’. Het kwade is veel agressiever: het neemt bezit van ons, lokt ons met allerlei ‘wereldse’ zaken die als ‘fijn en aangenaam’ overkomen. Het kwaad trekt ons weg van God.
De vraag is waarvoor we dan kiezen…

Jezus kent de mens, Hij kent ieder van ons. Hij kent onze zwakheid, zelfs meer dan dat we die van onszelf kennen. En een van de redenen dat God in Jezus naar ons is toegekomen zit ‘m in het feit dat Hij de mens wil genezen van zijn neiging tot zonde. Omdat Hij weet dat de zonde de mens verlamt in zijn relatie tot Hem en uiteindelijk ook in zijn roeping tot liefde.

Het klinkt cliché maar het is wel zo: allen zijn we wel ergens verlamd geraakt door dingen die ons wegtrekken van de Heer. Laten we de Heer welkom heten. Hij kan ons genezen van onze verlamming. Hij kan ons aanraken in onze meest duistere plekjes om deze om te buigen naar zijn licht. Hij kan onze slapende ziel weer tot leven brengen door ons te brengen in relatie met Hem.
Laten we in gebed ons hart werkelijk openen voor Hem. Hij wacht tot we Hem ten diepste ontvangen. Zoals de vader uit het verhaal van de verloren zoon staat Hij op uitkijk tot we weer beslissen naar Hem toe te komen.

Ja, laten we beslissen voor de Heer, kiezen voor het goede, ons bekeren tot de Liefde, tot God.

kris

Reageren, je eigen woordje plaatsen, of uitwisselen over de overweging,
kan via de blog Van Woord naar leven.
Laat ons bidden

Heer Jezus,
allen zijn we wel ergens lam door de zonde die ons van God ontwricht. Wij bidden U: Kom in ons, raak ons aan, heel ons, zodat wij weer fris en blij, enthousiast en vol overgave de liefde dienen in ons dagelijks leven.
Kom heilige Geest, zet ons in vuur en vlam voor de Heer, ons gevend aan Hem, tredend in zijn ja-woord tot de Vader.
Vandaag en alle dagen van ons leven.
Amen.