Lezingen van de dag – vrijdag 13 mei 2016


Heilige (of feest) van de dag

Onze-Lieve-Vrouw van Fatima53050K

Verschijning van Onze Lieve Vrouw aan drie herderskinderen; Fatima (Portugal); 1917

Eerste verschijning
Op 13 mei 1917 verschijnt in Fátima, Portugal, een hemelse vrouw aan drie herderskinderen: Francisco Marto, zijn zusje Jacinta, respectievelijk negen en zeven jaar en hun tienjarige nichtje Lucia dos Santos. Ze staat met de voeten op een wolk in de kruin van een eikenboompje, omstraald door een aureool van licht. Dan zegt de vrouw: ‘Wees niet bang. Ik doe je geen kwaad.” Lucia waagt het erop: “Waar komt u vandaan, mevrouw?”
“Ik kom uit de hemel.”
“En wat komt u doen?”
“Ik zal elke maand op de 13e terugkomen. In oktober zal ik zeggen wie ik ben en wat ik verlang.”
Een stukje verder in het gesprek vraagt de verschijning:
“Wil je pijn verdragen voor de bekering van de zondaars om goed te maken wat Onze Lieve Heer en het onbevlekt Hart van Maria allemaal wordt aangedaan?”
De kinderen zeggen dat ze daartoe bereid zijn.
“Dan zul je nog heel wat pijn te doorstaan hebben,” zegt de verschijning.
Bij het afscheid zegt zij:
“Bid elke dag een rozenhoedje voor de vrede op de wereld en de bekering van de zondaars.”

Wellicht hebben wij moeite met spreken in termen van eerherstel en lijden omwille van de bekering van de zondaars. Zeker tot kinderen van zulk een jonge leeftijd. Vergeten we niet dat de Eerste Wereldoorlog al drie jaar aan de gang is; dat binnen enkele maanden in Rusland de anti-godsdienstige Revolutie van het communisme uit zal breken… Tegen deze achtergrond kunnen we iets beter verstaan dat de opmerkingen van de verschijning pasten in die tijd.

Tweede verschijning
In het dorp beginnen de eerste geruchten op gang te komen. Met als gevolg dat er op 13 juni zo’n tachtig mensen uit het dorp op het veld zijn samengestroomd waar de verschijning zal moeten plaats vinden. Als de drie kinderen om twaalf uur neerknielen om zoals gebruikelijk op die tijd het rozenhoedje te bidden, staat daar plotseling de verschijning op dezelfde plaats. Lucia spreekt ongeveer tien minuten met de verschijning. Deze drukt de kinderen weer op het hart elke dag het rozenhoedje te bidden. De mensen die erbij geweest zijn, hebben wel gezien hoe de kinderen op de verschijning reageerden, maar zelf hebben ze niets gezien.

Derde verschijning
Maar ze zijn er vol van. Gevolg is dat op 13 juli er zo’n vier- à vijfduizend mensen verzameld zijn op de plek van de verschijning. De verschijning doet zich weer precies om twaalf uur voor. Deze keer zegt zij
“… vooral het rozenhoedje te bidden om beëindiging van de oorlog te verkrijgen. Voeg er extra offers aan toe uit liefde voor Jezus en het Onbevlekt Hart van Maria. De huidige oorlog loopt tegen zijn einde. Maar als er niets gebeurt zal er onder de volgende paus een veel ergere oorlog uitbreken…
Om dat te verhinderen kom ik vragen de wereld toe te wijden aan mijn Onbevlekt Hart en elke Eerste Zaterdag in mijn naam een oefening van eerherstel te doen. Als men aan mijn verzoek tegemoet komt, zal Rusland zich bekeren en zal er vrede zijn. Zo niet, dan zal het dwalingen over de wereld verspreiden die oorlogen en kerkvervolgingen veroorzaken. Vele vrome gelovigen zullen gemarteld worden en de paus zal veel te lijden hebben. Volkeren zullen vernietigd worden. Maar uiteindelijk zal mijn Onbevlekt Hart zegevieren.”

Vierde verschijning
Op 13 augustus worden de drie kinderen door het plaatselijke hoofd van bestuur in zijn huis vastgehouden. Hij zet de drie onder druk in de hoop dat zij zichzelf of elkaar tegenspreken, maar dat gebeurt niet. Ook laten ze zich niet bang maken. Ze vertellen eenvoudig telkens weer op dezelfde natuurlijke manier wat hun overkomen is, als was het de gewoonste zaak van de wereld. Op die 13e augustus staat er een ontzaglijke menigte te wachten. Maar de kinderen komen niet, en de verschijning ook niet. Die kwam zes dagen later, toen de drie alleen waren met hun kudde. Zij herhaalde de boodschappen van de vorige ontmoetingen.

Vijfde verschijning
Op 13 september vinden er merkwaardige verschijnselen aan de hemel plaats. De duizenden toeschouwers zeggen het allen gezien te hebben: een vurige bol die langs de hemel zweefde en bloembladeren die neerdwarrelden en halverwege schenen op te lossen in de lucht. De kinderen verklaren van dat alles niets gemerkt te hebben: zij zagen alleen de verschijning. Bij die gelegenheid brengt Lucia de wens van het volk over om op die plek een kapel te bouwen. De verschijning geeft haar toestemming.

Zesde verschijning
Zoals aangekondigd vindt op 13 oktober de laatste verschijning plaats. Er is een grote mensenmenigte aanwezig. Precies om twaalf uur laat de verschijning zich weer aan de drie kinderen zien. Lucia roept de mensen op het rozenhoedje te bidden. Op Lucia’s vraag wie zij is, antwoordt de verschijning:
“Ik ben Onze Lieve Vrouw van de Rozenkrans, en ik wil op deze plaats een kapel ter ere van mij.”
Net als de vorige keren spoort zij aan tot het dagelijks bidden van het rozenhoedje. Dan zegt zij:
“De mensen moeten beter gaan leven; zij moeten vergiffenis vragen voor hun zonden.”
En dan met bedroefd gezicht:
“Laten zij toch ophouden Onze Lieve Heer te beledigen. Hij is al veel te veel beledigd.”
De verschijning had beloofd dat zich bij haar laatste bezoek tekenen zouden voordoen waardoor er velen aan de waarheid van de verschijningen zouden gaan geloven. Aanvankelijk waren er regenwolken. Ze zijn op slag verdwenen. De zon komt door en straalt telkens anders gekleurde lichtbundels uit, zodat het lijkt alsof de hele aarde achtereenvolgens in een geel, groen, rood, blauw en paars spotlicht wordt gezet. Plotseling lijkt het alsof de zon loskomt van de hemel en op de aarde zal neerkomen. Grote schrik maakt zich van de mensen meester, en zij vallen op de knieën. Dit gebeurt drie keer achtereen. Alle aanwezigen bevestigen later dat ze het echt met eigen ogen hebben gezien.

Sindsdien is Fátima een druk bezochte Mariabedevaartplaats.

De kleine Francisco Marto zal reeds sterven op 4 april 1919; zijn jongere zusje niet lang daarna: 20 februari 1920. Lucia trad in 1921 in bij de zusters karmelietessen van St-Dorothea als zuster Lúcia de Jesus Santos en in 1948 bij de Karmel van St-Theresia in Coimbra. Zij was in 1982 en 1997 gids van paus Johannes Paulus II bij zijn bezoek aan Fátima.

N22322

vrijdag in de zevende Paasweek


Uit de Handelingen van de Apostelen 25, 13-21

We krijgen inzage in het dossier van de gevangengenomen Paulus, die beroep heeft aangetekend bij de keizer te Rome. De enige beschuldiging betreft juist de kern van ons christelijk geloof: Jezus, die dood schijnt te zijn, wordt door zijn leerlingen gevolgd, omdat Hij lééft.

Enkele dagen later kwamen koning Agrippa en Bernice naar Caesarea om bij Festus hun opwachting te maken. Tijdens hun verblijf, dat verscheidene dagen duurde, sprak Festus met de koning over de rechtszaak tegen Paulus.
Hij zei:
‘Er is hier een man die door Felix als gevangene is achtergelaten. Toen ik in Jeruzalem was hebben de hogepriesters en de oudsten van de Joden een klacht tegen hem ingediend en om zijn veroordeling verzocht. Ik heb hun geantwoord dat het bij de Romeinen niet gebruikelijk is iemand uit te leveren zonder dat hij tegenover zijn aanklagers heeft gestaan en de kans heeft gekregen zich tegen de aanklacht te verdedigen. Toen ze hier bijeen waren gekomen, heb ik de zaak niet langer uitgesteld, maar heb ik al de volgende dag de rechtszitting geopend en bevel gegeven hem voor te leiden. De aanklagers gingen om hem heen staan, maar beschuldigden hem niet van het soort misdrijven dat ik had verwacht. Wel bleken er geschilpunten te bestaan met betrekking tot hun godsdienst en een zekere Jezus, die dood is, maar van wie Paulus beweert dat Hij leeft. Omdat ik niet goed wist hoe ik deze kwesties moest onderzoeken, vroeg ik of hij bereid was naar Jeruzalem te gaan om daar terecht te staan. Maar toen beriep hij zich op de keizer en verkoos om in gevangenschap te blijven tot zijne keizerlijke hoogheid een uitspraak heeft gedaan. Ik heb opdracht gegeven om hem in hechtenis te houden tot ik hem naar de keizer kan zenden.’

 

Psalm 103, 1 + 2 + 11 + 12 + 19 + 20ab

Refr.: De Heer heeft zijn troon in de hemel gevestigd.

Prijs de Heer, mijn ziel,
prijs, mijn hart, zijn heilige Naam.Resurrection-Icon

Prijs de Heer, mijn ziel,
vergeet niet één van zijn weldaden.

Zoals de hoge hemel de aarde overspant,
zo welft zich zijn trouw over wie Hem vrezen.

Zo ver als het oosten is van het westen,
zo ver heeft Hij onze zonden van ons verwijderd.

De Heer – zijn troon staat vast in de hemel,
als koning heerst Hij over alles.

Prijs de Heer, u die zijn boden bent,
sterke helden die doen wat Hij zegt.

 

Uit het evangelie volgens Johannes 21, 15-19

Tot driemaal toe vraagt Jezus aan Petrus: Heb je mij lief ? Driemaal komt er een bevestigend antwoord, driemaal een pastorale opdracht. Jezus wil duidelijk maken, dat alleen hij, die de liefde heeft, waardig is herder te zijn in de Kerk. Herders in de Kerk zijn geen ambtenaars, geen politici, maar mensen die uit liefde, liefde worden voor anderen.

Toen ze gegeten hadden, sprak Jezus Simon Petrus aan: ‘Simon, zoon van Johannes, heb je mij lief, meer dan de anderen hier?’
Petrus antwoordde: ‘Ja, Heer, U weet dat ik van U houd.’
Hij zei: ‘Weid mijn lammeren.’
Nog eens vroeg Hij: ‘Simon, zoon van Johannes, heb je me lief?’
Hij antwoordde: ‘Ja, Heer, U weet dat ik van U houd.’
Jezus zei: ‘Hoed mijn schapen’.
En voor de derde maal vroeg Hij hem: ‘Simon, zoon van Johannes, houd je van me?’
Petrus werd verdrietig omdat Hij voor de derde keer vroeg of hij van Hem hield.
Hij zei: ‘Heer, U weet alles, U weet toch dat ik van U houd.’
Jezus zei: ‘Weid mijn schapen. Waarachtig, Ik verzeker je: toen je jong was deed je zelf je gordel om en ging je waarheen je wilde, maar wanneer je oud wordt zal een ander je handen grijpen, je je gordel omdoen en je brengen waar je niet naartoe wilt.’
Met deze woorden duidde Hij aan hoe Petrus zou sterven tot eer van God.
Daarna zei Hij: ‘Volg mij.’

Van Woord naar leven

Vandaag horen we Jezus zeggen tot Petrus: ‘Toen je jong was deed je zelf je gordel om en ging je waarheen je wilde, maar wanneer je oud wordt zal een ander je handen grijpen, je je gordel omdoen en je brengen waar je niet naartoe wilt.’

Het zijn woorden die gericht zijn tot Petrus, maar we mogen ze ook rustig beluisteren alsof ze aan ons adres zijn gericht.
Want ook voor ons is het een feit dat wanneer wij jong waren/zijn, dat we vol vuur ons een eigen gordel omdoen en gaan waarheen we willen. Wanneer we ouder worden (zeg maar volwassen in het geloof) zullen we inzien dat een ander (de Ander) ons een gordel wil omdoen om ons te brengen op een weg waar we zelf in eerste instantie misschien nooit voor gekozen zouden hebben.

Maar dit vraagt een geloof dat geleerd heeft zich te geven aan de Heer, en wel op zo’n wijze dat de gelovige inziet dat het in het leven niet om hem draait, maar om wat God wil, en dat Jezus op zo’n wijze genadig kan zijn dat we die weg ook daadwerkelijk kunnen gaan.

Laten we ons schenken aan de Heer, opdat Hij ons bij de hand mag nemen om samen met ons de weg te gaan die God met ons wil gaan, zowel in de kleine dagdagelijkse dingen alsook in de grote levenskeuzes die we te maken hebben.

kris

Reageren, je eigen woordje plaatsen, of uitwisselen over de overweging,
kan via de blog Van Woord naar leven.

Laat ons bidden

Heer,seagull-601287_640
leer ons de weg niet te gaan die we zelf willen uitstippelen, maar leer ons met U de weg te gaan die de Vader met ons voor ogen heeft. Opdat we zijn wil mogen volbrengen als het hoogste goed. Amen.