Lezingen van de dag – vrijdag 13 oktober 2017

vrijdag in week 27 door het jaar


Uit de profeet Joël 1, 13-15 + 2, 1-2

De profeet Joël kondigt de dreigende komst van de dag van de Heer aan. Hij gebruikt daarbij een beeld van een sprinkhanenplaag naar aanleiding van een of andere natuurramp. Hij nodigt uit tot boete en gebed om voortdurend klaar te zijn voor de komst van de Heer.

Priesters, hul je in rouw, schreeuw het uit, dienaren van het altaar, breng de nacht door met klagen, dienaren van mijn God, want offers van graan en wijn zijn Gods tempel ontzegd.
Kondig een vastentijd af en roep op tot een plechtige samenkomst, verzamel de oudsten en alle inwoners van het land in de tempel van de Heer, jullie God, en roep luid tot de Heer !
O angstwekkende dag! Nabij is de dag van de Heer, de dag van ondergang die komt van de Ontzagwekkende!
Blaas de ramshoorn op de Sion, blaas alarm op mijn heilige berg; laat alle inwoners van het land beven van ontzetting: de dag van de Heer komt! Hij is nabij!
Het is een dag van duisternis en donkerheid, een dag van dreigende, donkere wolken. Als het morgenlicht over de bergen, zo nadert een groot en machtig volk, zoals er nooit tevoren is geweest of ooit nog zal zijn tot in het verste nageslacht.

 

Psalm 9, 2 + 3 + 6 + 9

Refr.: Recht spreken zal God over de hele aarde.

Ik wil U loven, Heer, met heel mijn hart,
vertellen van uw wonderdaden.

Ik wil vrolijk zijn, U toejuichen,
uw Naam bezingen, Allerhoogste.

U hebt volken bedreigd, goddelozen omgebracht,
hun namen uitgewist voor eeuwig.

Moge de Heer een burcht zijn voor de verdrukte,
een burcht in tijden van nood.

 

Uit het evangelie volgens Lucas 11, 15-26

Jezus drijft een duivel uit. Tegen de aantijging, dat Hij dit door Beëlzebul, de vorst der duivelen, zou hebben gedaan, getuigt Jezus dat wel degelijk God hiervan aan de oorsprong ligt. Voor Hem is dat een teken dat het messiaanse Rijk gekomen is.

Toen Jezus eens een duivel had uitgedreven zeiden enkelen: ‘Dankzij Beëlzebul, de vorst der demonen, kan Hij demonen uitdrijven.’ Anderen verlangden van Hem een teken uit de hemel om Hem op de proef te stellen. Maar Hij kende hun gedachten en zei tegen hen:
‘Elk koninkrijk dat innerlijk verdeeld is wordt verwoest, en huis na huis stort in. Als ook Satan innerlijk verdeeld is, hoe kan zijn koninkrijk dan standhouden? Jullie zeggen toch dat Ik dankzij Beëlzebul demonen uitdrijf! Als Ik inderdaad dankzij Beëlzebul demonen uitdrijf, door wie drijven jullie eigen mensen ze dan uit? Zij zullen dan ook jullie rechters zijn! Maar als Ik dankzij een kracht die van God komt demonen uitdrijf, dan is het Koninkrijk van God bij jullie gekomen. Wanneer een sterk, goed bewapend man zijn domein bewaakt, dan zijn zijn bezittingen veilig. Maar zo gauw iemand die sterker is hem aanvalt en hem overwint, dan neemt die sterkere hem de wapenrusting waarop hij vertrouwde af en verdeelt hij de buit.
Wie niet met mij is, is tegen mij, en wie niet met mij samenbrengt, drijft uiteen. Wanneer een onreine geest iemand verlaat, trekt hij door dorre oorden op zoek naar een rustplaats. Maar als hij die niet vindt, zegt hij: “Ik zal terugkeren naar mijn huis, dat ik verlaten heb.” En wanneer hij terugkeert, merkt hij dat het schoongemaakt is en op orde gebracht. Dan gaat hij weg en haalt er zeven andere demonen bij, slechter dan hijzelf, en ze nemen daar blijvend hun intrek. En zo is de mens bij wie de demon intrekt er ten slotte veel slechter aan toe dan voorheen.’

Van Woord naar leven

Enkele jaren geleden hoorde ik een moeder van een tiener zeggen dat haar zoon haar vertelde dat hij het gevoel had dat er twee machten in zijn hart woonden: een macht die van hem een goede persoon trachtte te maken en een macht die probeerde een slechte persoon van hem te maken. Het is tienerlijk verwoord, maar in wezen heeft hij wel gelijk. Want het leven is gewoon zo dat het ons hart de strijd moet leveren tussen goed en kwaad, tussen de goede Geest van God en de boze geest van de satan. Ons leven, ons hart, is zelf het toneel van deze strijd. En wat we doen of laten zal een gevolg zijn van hoe we de strijd gestreden hebben.Hoewel ... strijd ... het klinkt zo negatief, alsof we voortdurend de wapens moeten opnemen tegen het kwaad. In zeker zin is dat ook zo, maar het is koud en oorlogszuchtig verwoord. Misschien kunnen we beter het woord 'keuze' gebruiken; we moeten 'kiezen' tussen het goede en het kwade.Het gaat inderdaad niet zozeer om het opnemen van de strijdbijl tegen het kwaad, het gaat veeleer om zelf klein te worden, arm van geest, nederig, je te rusten leggen in Gods aanwezigheid, je laten omhelzen door zijn barmhartigheid, je laten opnemen door Hem. Niet alleen, maar mét Jezus; Hij in ons, wij door Hem.Om dan, mét de Heer, te kiezen voor God, voor zijn liefde, voor zijn kruis-liefde. Ja, kruis-liefde, want kiezen voor de Heer is geen romantiek, het is kiezen voor liefde, het is totale zelfgave aan de Vader, en vanuit Hem aan de mensheid; biddend en / of handelend, in naam van Christus. Dat is geen romantiek, dat is geen weg van zoete emoties, nee het is de weg van het kruis; in de diepte schoon, blij en zaligmakend voor jezelf en de wereld rondom je.Kom, laten we ons geven aan de Heer. Van Hem ontvangen we immers de hemelse kracht te kunnen kiezen voor het goede, voor God, en de genade daarin te volharden.kris
Reageren, je eigen woordje plaatsen, of uitwisselen over de overweging, kan via de blog Van Woord naar leven.

Laten wij bidden

Heer Jezus, goede Broer, wanneer wij in U blijven, zoals Gij in ons blijft, kunt Gij uw werk in ons doen. Wanneer wij ons verwijderen uit U, doen wij ons eigen werk wat heel dikwijls niet het uwe is. Dit nee-woord brengt zeer zeker schade toe aan die diepe eenheid die Gij wilt bewerkstelligen tussen de mensheid en de Vader, en dus schade aan de liefde. Vergeef ons, en trek ons in uw barmhartigheid altijd opnieuw in het vuur van Uzelf. Zo zullen we meer en meer beeld en gelijkenis worden van onze hemelse Vader. Kom Heer Jezus, kom. Amen.

De Bijbelteksten zijn ontleend aan de NBV21, © Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap.
De korte inleidingen op de lezingen zijn ontleend aan het week- en zondagmissaal, door de benedictijnen van de Sint-Andriesabdij en de norbertijnen van de abdijen Averbode, Postel en Tongerlo, o.l.v. Jos Van Der Veken, uitgegeven bij Brepols-Licap, © Brepols 2007.