Lezingen van de dag – vrijdag 17 juli 2015


Heilige (of feest) van de dag

Marina van Bithynië (+ 508)

Marina (ook Maria of Maremjana; alias Marinus) van Bithynië, Syrië; kloosterlinge; † 508.

Volgens de legende zou haar moeder bij Marina’s geboorte gestorven zijn. De vader, Eugenius, vertrouwde het kind toe aan de familie en werd zelf monnik in een klooster. Maar na een aantal jaren werden zijn vadergevoelens zo sterk, dat hij er steeds slechter uit begon te zien. Vader abt vroeg hem wat er aan scheelde. Hij antwoordde dat hij zijn zoontje bij familie had achtergelaten en dat hij het kind zo miste. De abt opperde toen dat hij het kind hier in het klooster bij zich zou nemen. Vol vreugde haalde hij Marina op, knipte haar haren af, deed het jongenskleren aan en veranderde haar naam in Marinus.

Toen zij zeventien jaar was geworden stierf haar vader en Marinus zette onveranderd zijn levenswijze voort. Hij bleek zo’n toegewijde monnik dat vader abt hem ook taken buiten het klooster toevertrouwde. Omdat het klooster dichtbij een zeehaven lag, werd hij er vaak met de ossenwagen op uit gestuurd om inkopen te doen voor de kloostergemeenschap. Maar op een morgen lag er voor de kloosterpoort een pasgeboren baby met een kaartje eraan dat broeder Marinus er de vader van was. Marinus nam de schuld op zich en moest bij wijze van boetedoening buiten de poort in een schamele hut het kind opvoeden. Daar was hij blootgesteld aan de beschimpingen van de mensen binnen en buiten het klooster. Toen eindelijk de tijd van boete voorbij was, mocht broeder Marinus weer binnenkomen. Kort daarop stierf hij.

Bij het afleggen van het lijk ontdekte men de waarheid die nog eens bevestigd werd doordat de moeder van de baby kwam zeggen dat zij de broeder ontzaglijk onrecht had aangedaan, omdat zij hem vals had beschuldigd. Ieder stond versteld van de nederige heiligheid van deze markante vrouw.

Op 17 juli van het jaar 1230 werden haar relieken overgebracht van Constantinopel naar Venetië in 1230.

VRIJDAG IN WEEK 15 DOOR HET JAAR


Uit het boek Exodus 11, 10 – 12, 14

God gaat steeds verder om zijn volk te bevrijden. Hij droeg de Israëlieten op in de nacht een lam te slachten volgens een bepaald ritueel. Ze moesten ervan eten en zich reisvaardig houden om ’s morgens te kunnen vertrekken. Het slachten van het lam werd jaarlijks ritueel herhaald om de bevrijding uit Egypte te gedenken.

In die dagen verrichten Mozes en Aäron vele wonderen voor de farao, maar de Heer had ervoor gezorgd dat de farao hardnekkig bleef weigeren de Israëlieten uit zijn land weg te laten gaan. De Heer zei tegen Mozes en Aäron, nog in Egypte:
‘Voortaan moet deze maand bij jullie de eerste maand van het jaar zijn. Zeg tegen de hele gemeenschap van Israël: “Op de tiende van deze maand moet elke familie een lam of een bokje uitkiezen, elk gezin één. Gezinnen die te klein zijn om een heel dier te eten, nemen er samen met hun naaste buren een, rekening houdend met het aantal personen en met wat ieder nodig heeft. Het mag het jong van een schaap zijn of het jong van een geit, als het maar een mannelijk dier van één jaar oud is zonder enig gebrek. Houd dat apart tot de veertiende van deze maand; die dag moet de voltallige gemeenschap van Israël de dieren in de avondschemer slachten. Het bloed moeten jullie bij elk huis waarin een dier gegeten wordt, aan de beide deurposten en aan de bovendorpel strijken. Rooster het vlees en eet het nog diezelfde nacht, met ongedesemd brood en bittere kruiden. Het dier mag niet halfgaar of gekookt worden gegeten, maar uitsluitend geroosterd, en in zijn geheel: met kop, poten en ingewanden. Zorg dat er de volgende morgen niets meer van over is. Mocht er toch iets overblijven, dan moet je dat verbranden.
Zo moeten jullie het eten: met je gordel om, je sandalen aan en je staf in de hand, in grote haast. Dit is een maaltijd ter ere van de Heer, het pesachmaal. Ik zal die nacht rondgaan door Egypte, en Ik zal daar alle eerstgeborenen doden, zowel van de mensen als van het vee, en ik zal alle Egyptische goden van hun voetstuk stoten, want Ik ben de Heer. Maar jullie zal Ik voorbijgaan: aan het bloed zal Ik jullie huizen herkennen, en door dat merkteken zal de dodelijke plaag waarmee Ik Egypte straf, jullie niet treffen.
Die dag moet voortaan een gedenkdag zijn, die je moet vieren als een feest ter ere van de Heer. Dit voorschrift blijft voor altijd van kracht, alle komende generaties moeten die dag vieren.

 

Psalm 116, 12 + 13 + 15 + 16bc + 17 + 18

Refr.: Ik zal de Naam aanroepen van de Heer.

Hoe kan ik de Heer vergoeden
wat hij voor mij heeft gedaan ? DSC0052
Ik zal de beker van bevrijding heffen,
de Naam aanroepen van de Heer.

Met pijn ziet de Heer
de dood van zijn getrouwen.
Uw dienaar ben ik, de zoon van uw dienares:
u hebt mijn boeien verbroken.

U wil ik een dankoffer brengen.
Ik zal de Naam aanroepen van de Heer.
Ik zal mijn geloften aan de Heer inlossen
in het bijzijn van heel zijn volk.

 

Uit het evangelie volgens Matteüs 12, 1-8

Mensen mogen niet gebruikt worden om wetten te rechtvaardigen maar integendeel zijn die wetten er voor de mensen. Dit was een van de vernieuwingen die Christus bracht. De Farizeeën offerden mensen op om hun wetten te redden. Christus bracht wetten om mensen te redden.

In die tijd liep Jezus op een sabbat door de korenvelden. Zijn leerlingen hadden honger en begonnen aren te plukken en ervan te eten.
Toen de Farizeeën dat zagen, zeiden ze tegen Hem: ‘Kijk, uw leerlingen doen iets dat op sabbat niet mag.’
Hij antwoordde: ‘Hebt u niet gelezen wat David deed toen hij en zijn metgezellen honger hadden, hoe hij het huis van God binnenging en er met hen van de toonbroden at, terwijl noch hij noch zijn mannen daarvan mochten eten, alleen de priesters? En hebt u niet in de wet gelezen dat de priesters die op sabbat in de tempel dienst doen en zo de sabbat ontwijden, onschuldig zijn? Ik zeg u: hier gaat het om meer dan de tempel! Als u begrepen had wat bedoeld wordt met: “Barmhartigheid wil Ik, geen offers”, dan zou u geen onschuldigen hebben veroordeeld. Want de Mensenzoon is Heer en meester over de sabbat.’

Van Woord naar leven

‘Barmhartigheid wil Ik, geen offers’, zegt Jezus ons vandaag.

Jezus is niet tegen het offer op zich, wanneer het kadert in een zuivere liefde tot God of medemens. Hij heeft wel kritiek wanneer het brengen van het offer de liefde teniet doet. Dan verliest het totaal zijn bedoeling. Bijbels gezien is offer en liefde één groot synoniem. Wie het offer los maakt van de liefde maakt zich tot slaaf van de wet waaruit de Geest totaal verbannen is.

Wanneer je ‘barmhartigheid’ opzoekt in het woordenboek, krijg je: ‘Barmhartigheid is de behoefte om hulp te verlenen aan mensen die in geestelijke of lichamelijke nood verkeren. Het is nauw verbonden met naastenliefde en rechtvaardigheid.’ Christelijk geduid zou je dan kunnen stellen dat barmhartigheid de stap is om vanuit Jezus’ aanwezigheid in jezelf naar de ander toe te gaan om hem Gods liefde aan te bieden.

Het is goed in de ander God te zien; God als bedelaar naar liefde. In de ander komt immers Christus naar ons toe die zegt: ‘Ik heb dorst’.
Laten we Gods dorst lessen door elkaar lief te hebben, door elkaar barmhartigheid te tonen.

Laten we dit oprecht doen en eenvoudig, fris en met de glimlach van God.

kris

Reageren, je eigen woordje plaatsen, of uitwisselen over de overweging,
kan via de blog Van Woord naar leven.

Laat ons bidden

Goede God, Heer van hemel en aarde,images
Gij vraagt geen offers, maar barmhartigheid. Geef dat wij de wet van uw liefde dag na dag van harte mogen aanvaarden, haar koesteren en beminnen, opdat uw Rijk meer en meer gestalte mag krijgen in onze huizen, straten, dorpen en steden. Alle dagen van ons leven. Amen.