Lezingen van de dag – vrijdag 18 maart 2016


Heilige (of feest) van de dag

Cyrillus van Jeruzalem († 386)1439336367

Cyrillus van Jeruzalem, Palestina; bisschop & kerkvader

Cyrillus was afkomstig uit Jeruzalem waar hij rond 315 geboren moet zijn. Hij werd in 345 priester gewijd, en ontving in 348 uit handen van metropoliet Acacius van Cesarea de wijding tot bisschop van Jeruzalem. Acacius sympathiseerde met de arianen*.
Het duurde dus niet lang of Cyrillus, die de leer van Nicea was toegedaan, kwam met hem in botsing. Tot drie keer toe werd Cyrillus verbannen: in 357 en 360 door toedoen van een bisschoppensynode die voornamelijk uit ariaanse aanhangers bestond. Na zijn terugkeer in 362 stelde keizer Julianus de Afvallige (361-363) pogingen in het werk om de Joodse tempel weer op te bouwen; dit alleen maar om de door hem gehate christenen dwars te zitten.
Zijn derde verbanning, in 367, vond plaats op last van de ariaanse keizer Valens (364-378) zelf. Deze periode zou elf jaar duren; hij kon pas op zijn zetel terugkeren na de dood van de keizer. In 381 nam hij deel aan het Oecumenische Concilie van Constantinopel waar alle besluiten en stellingnames van Nicea werden bekrachtigd.
Van hem is een serie catechesen bewaard gebleven die hij gedurende de vasten en de paastijd van 348 (of 350) gehouden moet hebben in de door keizer Constantijn († 337; feest 21 mei) gebouwde Heilige-Grafkerk. Ze vormen de geloofsuitleg zoals ze werden gepresenteerd aan doopleerlingen die met Pasen zouden worden gedoopt. Ze zijn niet alleen van historisch, maar ook van theologisch belang.
Paus Leo XIII (1903) verleende hem de titel van kerkleraar.

* De leer der Arianen gaat terug op de priester Aríus uit Egypte († 336). De aanhangers ervan konden niet geloven, dat Jezus de Zoon van God genoemd kon worden. Hij was een bijzonder mens geweest, maar Zoon van God…? Zij kunnen zich niet voorstellen dat God mens kan worden.
Zij zeggen: “Het goddelijke en het menselijke: die twee passen niet bij elkaar. Het is óf het één óf het ander. Een mens kan nu eenmaal niet uit God voortkomen. Mensen kunnen door God worden gemààkt, zoals een houtsnijder beeldjes maakt. Net zomin als houten beeldjes uit een beeldhouwer worden geboren, net zomin kan een mens uit God voortkomen.”
Deze leer werd reeds op het Concilie van Nicea, dat onder leiding stond van keizer Constantijn de Grote (325), officieel als ketterij bestempeld.
Maar de ruzie tussen deze dwaalleer en de ware leer heeft honderden jaren geduurd en talloze slachtoffers geëist.

VRIJDAG IN WEEK 5 VAN DE VASTENTIJD


Uit de profeet Jeremia 20, 10-13

Zelfs door zijn vrienden in het nauw gedreven, verliest Jeremia de moed niet. Want God blijft bij hem. In zijn naam durft de profeet het aan zijn vervolgers te verwensen en eindigt met een lied tot de Heer, die het leven van de arme redt uit de overmacht van de boosdoeners.

Want de mensen bauwen mij na: “Overal paniek! Overal paniek! Roep het, dan vertellen wij het verder.”
Al mijn vrienden zijn uit op mijn val: “Misschien laat hij zich verleiden, dan krijgen wij hem in onze greep, dan wreken wij ons op hem.”
Maar de Heer staat mij ter zijde als een machtig krijgsman. Daarom komen mijn belagers ten val, ze krijgen mij niet in hun greep. Ze zullen diep worden beschaamd, ze zullen hun doel niet bereiken. Ze worden overladen met eeuwige schande, nooit zal die worden vergeten.
Heer van de hemelse machten, die alles rechtvaardig onderzoekt, die hart en nieren doorgrondt, laat mij zien dat U zich op hen wreekt. U leg ik mijn zaak voor.
Zing voor de Heer, loof de Heer, want Hij heeft het leven van de arme uit de handen van boosdoeners gered.

 

Psalm 18, 3-7

Refr.: Mijn roepen bereikte Gods oren.

Heer, mijn rots, mijn vesting,
mijn bevrijder, God, mijn steenrots.

Bij U kan ik schuilen, mijn schild, 8c2da01e89b7383cc1506148b331c343
kracht die mij redt, mijn burcht.

Ik roep: Geloofd zij de Heer,
want ik ben van mijn vijanden verlost.

Mij omsloten de banden van de dood,
de kolkende afgrond joeg mij angst aan.

De banden van het dodenrijk omklemden mij,
op mijn weg lagen de valstrikken van de dood.

In mijn nood riep ik tot de Heer,
ik schreeuwde naar mijn God om hulp.

In zijn paleis hoorde Hij mijn stem,
mijn roepen bereikte zijn oren.

 

Uit het evangelie volgens Johannes 10, 31-42

Omdat Hij klare taal spreekt verplicht Jezus zijn toehoorders tot een keuze. Wie zichzelf Gods Zoon noemt en beweert dat de Vader in Hem en Hijzelf in de Vader is, bewerkt dat de omstanders partij kiezen: ofwel geloven in Jezus als Gezondene van de Vader en Zoon Gods, ofwel Hem ter dood brengen omwille van zijn godslasterlijke uitspraken.

Toen de Joden weer stenen opraapten omdat ze Hem wilden stenigen, zei Jezus: ‘Ik heb door de Vader veel goeds voor u gedaan; waarom wilt u me stenigen?’
‘Voor een goede daad zullen we u niet stenigen’, antwoordden ze, ‘maar wel voor godslastering: U bent een mens, maar U beweert dat U God bent!’
Jezus zei: ‘Staat er in uw wet niet geschreven: “Ik heb gezegd: ‘U bent goden’”? De Schrift blijft altijd van kracht; als mensen tot wie God spreekt goden genoemd worden, hoe kunt u mij, door de Vader geheiligd en naar de wereld gezonden, dan beschuldigen van godslastering wanneer Ik zeg dat ik Gods Zoon ben? Als wat ik doe niet van mijn Vader komt, geloof me dan niet, maar als dat wel het geval is en u gelooft me toch niet, geloof dan tenminste wat Ik doe. Dan zult u begrijpen dat de Vader in mij is en dat Ik in de Vader ben.’
En weer wilden ze Hem grijpen, maar Hij ontsnapte.
Hij ging terug naar de overkant van de Jordaan, naar de plaats waar Johannes eerder gedoopt had. Daar bleef Hij.
Veel mensen kwamen naar Hem toe; ze zeiden: ‘Johannes heeft weliswaar geen wonderteken gedaan, maar alles wat hij over deze man gezegd heeft is waar.’ En velen kwamen daar tot geloof in Hem.

Van Woord naar leven

Vandaag zegt de Heer doorheen de profeet Jeremia: ‘Zing voor de Heer, loof de Heer, want Hij heeft het leven van de arme uit de handen van boosdoeners gered.’

De arme is hij die gekeerd leeft naar God, die leeg en ontvankelijk is, bereid God in zich te dragen en in Hem te leven.
De boosdoener is Hij die dit alles veracht, zichzelf tot schepper herleidt van al zijn doen en laten.

Rijk is hij die arm is voor God. Hij zal drager en uitdrager zijn van Gods vrede, zelfs wanneer hij door kwaad wordt omringt. Zijn armoede zal hem tot rijkdom zijn, want hij weet zich bemind door God en zal in Hem de kracht vinden het kwade te beantwoorden met het goede.

kris

Reageren, je eigen woordje plaatsen, of uitwisselen over de overweging,
kan via de blog Van Woord naar leven.

Laat ons bidden

Heer,seagull-601287_640
maak ons arm van geest,
bereid voor U in U te leven.
Maak ons nederig en klein,
verliefd op uw goddelijke goedheid.
Gij zijt groot, Heer !
Amen.