Lezingen van de dag – vrijdag 22 jan. 2016


Heilige (of feest) van de dag

Vincentius van Valencia (+ 304)200px-Vicente_de_Zaragoza_(School_of_Francisco_Ribalta)_XVII_century

Vincentius van Valencia (ook Diaken, Levita of van Huesca), Zaragoza, Spanje; diaken & martelaar; † 304

Volgens de legende is Vincentius samen met zijn bisschop Valerius van Valencia gevangen genomen tijdens de christenvervolgingen aan het begin van de 4e eeuw onder keizer Diocletianus (284-305). Ze werden in de kerker geworpen met de bedoeling dat ze daar de hongerdood zouden sterven. Na geruime tijd nam de stadhouder aan dat ze lichamelijk behoorlijk verzwakt en uitgeput waren en de dood al in de ogen zagen. Toen liet hij ze voor zich verschijnen om ze over te halen hun God af te zweren. Maar beiden bleken nog kerngezond en in blakende conditie. De oude Valerius getuigde met zijn zachte stem van Christus. Maar de jonge Vincentius sprak luid en duidelijk en vol overtuiging: “Jullie aanbidden goden van steen. Wij daarentegen de levende God en zijn zoon Jezus Christus.”
Woedend veroordeelde de stadhouder de oude bisschop tot verbanning en Vincentius tot de marteldood. Hij liet hem bijna vierendelen, gedeeltelijk villen en roosteren. Maar Vincentius stierf niet. Nu werd hij in een vochtige en donkere kerker geworpen, waarvan de bodem bezaaid lag met glasscherven en scherpe steentjes. Hier mocht hij met zijn gewonde lichaam de dood afwachten. Maar er kwamen engelen om hem te troosten en de pijn weg te nemen. Ze verdreven de duisternis en veranderden de scherven en steentjes in bloemen. Zoals Vincentius’ luide lofzang voor God door heel de gevangenis weerklonk, zo verspreidde zich ook de geur van de bloemen. Toen de stadhouder ervan hoorde, was hij ontzet. Hij beval dat de martelaar verzorgd en verpleegd moest worden. Hij moest genezen, want de machthebber was bang voor de reactie van het volk, als het zou horen dat Vincentius in de gevangenis zou zijn omgekomen.
Maar nauwelijks lag Vincentius in een zacht, schoon bed, of hij gaf de geest. De stadhouder voelde zich bedrogen. Woedend beval hij het lijk buiten de stad op het open veld te dumpen ten prooi aan roofvogels en wilde dieren. Maar een raaf vatte post naast het lichaam en verjoeg alle bloeddorstige dieren. Zo konden de christenen het lichaam bergen en eerbiedig begraven.

VRIJDAG IN WEEK 2 DOOR HET JAAR


Uit het eerste boek Samuël 24, 3-21

Kwaad met goed vergelden is niet zo gemakkelijk. Dit wordt ons aanschouwelijk voorgehouden in deze lezing. Saul wilde David uit de weg ruimen omdat hij voor hem een bedreiging was. David laat zien hoe hij dit nog gemakkelijker had gekund met Saul. Hij begrijpt hoe Saul tot deze vijandige houding is gekomen. Saul geeft zich gewonnen. Hij erkent dat de Heer machtiger is en voorzegt dat David koning zal worden.

Saul koos drieduizend van de beste mannen van Israël uit en ging met hen in het rotsachtige gebied waar de steenbokken leven, op zoek naar David en zijn mannen. Onderweg kwam hij langs een spelonk die door een muurtje was afgeschermd. Daar ging hij naar binnen en hurkte neer om zijn behoefte te doen. En juist achter in die spelonk hadden David en zijn mannen zich verstopt.
Davids mannen zeiden tegen hem: ‘Dit is je kans! Dit is het moment waar de Heer op doelde toen Hij zei: “Ik zal je vijand aan je uitleveren; je kunt met hem doen wat je goeddunkt.”’
David stond op en sneed stilletjes een reep van Sauls mantel af. Zijn hart bonsde ervan, en hij zei tegen zijn mannen: ‘De Heer verhoede dat ik mijn koning, Gods gezalfde, iets zou aandoen en mijn hand tegen hem zou opheffen. Hij is immers door de Heer zelf als koning aangewezen.’
Zo maande David zijn mannen tot kalmte en weerhield hij ze ervan om Saul te overvallen.
Saul was opgestaan en weer naar buiten gegaan.
Nu haastte ook David zich naar buiten en riep hem achterna: ‘Mijn heer en koning!’
Toen Saul omkeek, knielde David neer, boog diep voorover en zei: ‘Waarom schenkt u gehoor aan de mensen die beweren dat ik u kwaad wil doen? Vandaag hebt u aan den lijve kunnen ondervinden dat de Heer u in die spelonk aan mij had overgeleverd. Ze zeiden dat ik u moest vermoorden, maar ik was met u begaan en ik zei bij mezelf dat ik mijn hand niet tegen mijn heer moest opheffen, omdat u immers de gezalfde van de Heer bent. Kijk zelf maar, vader, hier heb ik een stuk van uw mantel; ik heb een reep van uw mantel afgesneden, maar ik heb u niet vermoord. Ziet u wel dat ik niets kwaads of verkeerds tegen u in de zin heb? Ik heb u niets misdaan, maar u jaagt me op en staat me naar het leven. Laat de Heer beslissen wie van ons beiden in zijn recht staat en laat de Heer mij op u wreken; ik zal mijn hand niet tegen u opheffen. Zoals het oude spreekwoord luidt: Slechte mensen, slechte daden. Nee, ik zal mijn hand niet tegen u opheffen. Tegen wie is de koning van Israël eigenlijk uitgerukt? Op wie maakt u jacht? Een dode hond, een nietige vlo! De Heer zal uitspraak doen en beslissen wie van ons beiden in zijn recht staat. Hij zal mijn zaak onderzoeken en verdedigen en mij recht verschaffen tegenover u.’
Nadat David was uitgesproken, vroeg Saul: ‘Is het jouw stem die ik daar hoor, David, mijn zoon?’ Toen barstte hij in tranen uit en zei: ‘Jij staat meer in je recht dan ik, want jij hebt kwaad met goed vergolden. Je hebt zojuist getoond dat je het goed met me voorhebt: de Heer had me aan jou uitgeleverd, en toch heb je me niet gedood. Wie laat ooit zijn vijand gaan als hij hem op zijn weg vindt? Moge de Heer je belonen voor wat je vandaag voor mij hebt gedaan. Nu weet ik zeker dat jij koning zult worden en dat je het koningschap van Israël vast in handen zult houden.’

 

Psalm 57, 2 + 3 + 4 + 6 + 11

Refr.: God, hemelhoog is uw liefde !

Wees mij genadig, God, wees mij genadig,
want bij U is mijn leven geborgen.

In de schaduw van uw vleugels zal ik schuilen, Drieeenheid_2
tot het doodsgevaar is geweken.

Ik roep tot God, de Allerhoogste,
tot God, die mij beschermt.

Uit de hemel zal Hij hulp sturen,
wie mij bedreigt wordt smadelijk verjaagd.
Ja, God stuurt mij zijn liefde en trouw.

Verhef U boven de hemelen, God,
laat uw glorie heel de aarde vervullen.

Hemelhoog is uw liefde,
tot aan de wolken reikt uw trouw.

 

Uit het evangelie volgens Marcus 3, 13-19

Jezus kiest uit wie Hij zelf wil. En deze keuze is een balangrijke gebeurtenis in Jezus’ leven. De twaalf leerlingen zullen Hem volgen en apostelen zijn, nu het volk en de leiders zich van Hem afkeren. Deze twaalf zullen zijn werk voortzetten als eenmaal zijn taak volbracht is. De jonge Kerk zag in deze aanstelling het begin van haar eigen geschiedenis en roeping.

Jezus ging de berg op en riep al degenen bij zich op wie Hij zijn keuze had laten vallen, en ze kwamen naar Hem toe. Hij stelde twaalf van hen aan als apostel; ze moesten Hem vergezellen, en Hij wilde hen ook uitzenden om het goede nieuws bekend te maken. Ze kregen de macht om demonen uit te drijven.
De twaalf die Hij aanstelde, waren achtereenvolgens Simon, die hij de naam Petrus gaf, Jakobus, de zoon van Zebedeüs, Johannes, de broer van Jakobus (aan deze twee gaf hij de naam Boanerges, wat ‘zonen van de donder’ betekent), Andreas, Filippus, Bartolomeüs, Matteüs, Tomas, Jakobus, de zoon van Alfeüs, Taddeüs, Simon Kananeüs en Judas Iskariot, die hem heeft uitgeleverd.

Van Woord naar leven

Jezus ging de berg op en riep al degenen bij zich op wie Hij zijn keuze had laten vallen, en ze kwamen naar Hem toe.

Het evangelie van vandaag gaat over roeping en zending. Maar wat opvalt is dat Jezus voor Hij zendt de leerlingen eerst bij zich roept.
Jezus zal nooit roepen en van op afstand zenden. Hij zal altijd de geroepene eerst bij zich roepen, om vanuit het samenzijn met Hem, te zenden.

Net zoals de leerlingen roept Hij ook ons. Maar Hij roept ons eerst bij zich. Hij vraagt ons een stap te zetten, een keuze te maken. Hij vraagt van ons een beslissing. Hij spreekt ons aan op onze vrijheid, en vraagt heel persoonlijk te kiezen voor Hem. Naar Hem toegaan is ons eerste ja-woord.
Eenmaal bij Hem zal Hij ons uitnodigen in Hem onze woonst te maken. Hierop ingaan is ons tweede ja-woord.
Vanuit dit ja-woord zal Hij ons in zich opnemen, om ons nadien te zenden. Ook hier moeten we weer ‘ja’ op zeggen, de derde keer.

Driemaal ‘ja’.
Als we dat nu concreet maken wilt dat zeggen dat we iedere ochtend geroepen worden door Hem. Elke morgen mogen we naar toegaan, onze innerlijke blik wenden naar Hem, gewoon in stilte, in diep geloof dat Hij er is, dat Hij naar ons kijkt en wij naar Hem. Laat die wederzijdse blik maar vruchtbaar zijn. Ons eerste ja-woord.
Hij zal ons vragen in Hem onze woonst te maken, zoals Hij ook zijn inwoning heeft in ons. Het toelaten van deze innige samensmelting is ons tweede ja-woord.
Vanuit dit samenzijn, vanuit het opgenomen zijn door Hem, zal Hij ons zenden. Hierop ingaan, de zending ernstig nemen, mét Hem gaan, is ons derde ja-woord. Het zal betekenen dat we vanuit Hem de dag doorgaan, iedereen beminnend met zijn liefde en zijn barmhartigheid.

Ons drievoudig ja-woord zal ons tot instrument maken van God. Hij de fluitspeler, wij de fluit, de melodie: de liefde.

kris

Reageren, je eigen woordje plaatsen, of uitwisselen over de overweging,
kan via de blog Van Woord naar leven.

Laat ons bidden

Heer,kaarsen-kerst_2420424
kom met uw Geest over ieder van ons
en help ons ‘ja’ te zeggen tot U.
Neem ons dan op in U
en zendt ons.
Geef dat wij op onze weg
nooit van uw zijde mogen wijken
maar ons altijd mogen schenken aan U;
Gij, gever van het volle leven.
Amen.