Lezingen van de dag – vrijdag 23 maart 2018


Heilige (of feest) van de dag

Rebekka Al Rayès († 1914)

Rebekka Al Rayès; Libanon; kloosterzuster

Zij werd in 1832 geboren. Toen ze zeven jaar was stierf haar moeder: een groot verlies, dat niet goed gemaakt werd door de tweede vrouw waarmee haar vader trouwde. Heel wat vrouen in de familie om haar heen hadden voor haar goede huwelijkskandidaten op het oog. Zij voelde zich echter aangetrokken tot het religieuze leven. Op haar 21e werd ze kokkin in het maronietenklooster van Bikfaya. Van 1856 tot 1871 werkte ze als onderwijzeres. In 1860 werd het klooster uitgemoord door de Drusen, maar Rebekka ontkwam. Na zich enige tijd verborgen te hebben gehouden trad ze toe tot het Maronitische Sint-Antoniusklooster Al Qaran en nam daar de naam Rebekka aan. Maar de ontberingen van de tijd die hieraan voorafgegaan was, hadden hun tol geëist. De ascetische levenswijze van haar medezusters kon zij niet aan; tegen het einde van haar leven werd ze zelfs lam en blind. Nog eenmaal verhuisde ze naar weer een ander klooster: Al Dahr. Waarom? Nogmaals op de vlucht? Daardoor lijkt haar leven getekend te zijn.

Haar graf is een druk bezochte pelrgimsplaats geworden.

Zaligverklaring op 17 november 1985.

vrijdag in de 5e week
van de 40-dagentijd


Uit de profeet Jeremia 20, 10-13

Zelfs door zijn vrienden in het nauw gedreven, verliest Jeremia de moed niet. Want God blijft bij hem. In zijn naam durft de profeet het aan zijn vervolgers te verwensen en eindigt met een lied tot de Heer, die het leven van de arme redt uit de overmacht van de boosdoeners.

Want de mensen bauwen mij na: “Overal paniek! Overal paniek! Roep het, dan vertellen wij het verder.”
Al mijn vrienden zijn uit op mijn val: “Misschien laat hij zich verleiden, dan krijgen wij hem in onze greep, dan wreken wij ons op hem.”
Maar de Heer staat mij ter zijde als een machtig krijgsman. Daarom komen mijn belagers ten val, ze krijgen mij niet in hun greep. Ze zullen diep worden beschaamd, ze zullen hun doel niet bereiken. Ze worden overladen met eeuwige schande, nooit zal die worden vergeten.
Heer van de hemelse machten, die alles rechtvaardig onderzoekt, die hart en nieren doorgrondt, laat mij zien dat U zich op hen wreekt. U leg ik mijn zaak voor.
Zing voor de Heer, loof de Heer, want Hij heeft het leven van de arme uit de handen van boosdoeners gered.

 

Psalm 18, 3-7

Refr.: Mijn roepen bereikte Gods oren.

Heer, mijn rots, mijn vesting,
mijn bevrijder, God, mijn steenrots.

Bij U kan ik schuilen, mijn schild,
kracht die mij redt, mijn burcht.

Ik roep: Geloofd zij de Heer,
want ik ben van mijn vijanden verlost.

Mij omsloten de banden van de dood,
de kolkende afgrond joeg mij angst aan.

De banden van het dodenrijk omklemden mij,
op mijn weg lagen de valstrikken van de dood.

In mijn nood riep ik tot de Heer,
ik schreeuwde naar mijn God om hulp.

In zijn paleis hoorde Hij mijn stem,
mijn roepen bereikte zijn oren.

 

Uit het evangelie volgens Johannes 10, 31-42

Omdat Hij klare taal spreekt verplicht Jezus zijn toehoorders tot een keuze. Wie zichzelf Gods Zoon noemt en beweert dat de Vader in Hem en Hijzelf in de Vader is, bewerkt dat de omstanders partij kiezen: ofwel geloven in Jezus als Gezondene van de Vader en Zoon Gods, ofwel Hem ter dood brengen omwille van zijn godslasterlijke uitspraken.

Toen de Joden weer stenen opraapten omdat ze Hem wilden stenigen, zei Jezus: ‘Ik heb door de Vader veel goeds voor u gedaan; waarom wilt u me stenigen?’
‘Voor een goede daad zullen we u niet stenigen’, antwoordden ze, ‘maar wel voor godslastering: U bent een mens, maar U beweert dat U God bent!’
Jezus zei: ‘Staat er in uw wet niet geschreven: “Ik heb gezegd: ‘U bent goden’”? De Schrift blijft altijd van kracht; als mensen tot wie God spreekt goden genoemd worden, hoe kunt u mij, door de Vader geheiligd en naar de wereld gezonden, dan beschuldigen van godslastering wanneer Ik zeg dat ik Gods Zoon ben? Als wat Ik doe niet van mijn Vader komt, geloof me dan niet, maar als dat wel het geval is en u gelooft me toch niet, geloof dan tenminste wat Ik doe. Dan zult u begrijpen dat de Vader in mij is en dat Ik in de Vader ben.’
En weer wilden ze Hem grijpen, maar Hij ontsnapte.
Hij ging terug naar de overkant van de Jordaan, naar de plaats waar Johannes eerder gedoopt had. Daar bleef Hij.
Veel mensen kwamen naar Hem toe; ze zeiden: ‘Johannes heeft weliswaar geen wonderteken gedaan, maar alles wat hij over deze man gezegd heeft is waar.’ En velen kwamen daar tot geloof in Hem.

Van Woord naar leven

De Joden, zo lezen we vandaag in het evangelie, konden Jezus niet aannemen in welke hoedanigheid Hij tot de wereld gekomen was. Ze namen Hem wel aan wat zijn goede daden betrof, maar niet in het feit dat Hij Gods Zoon was. Dat was voor hen pure godslastering, een gevaar voor de gevestigde orde (ook de toenmalige religieuze orde), dus Hij moest gevangen genomen worden, of erger: gedood. Wat, zo weten we, ook zal gebeuren.

Maar we zijn nog niet zo ver. Vandaag wilden ze Jezus enkel nog grijpen. Maar, zo lezen we, Hij ‘ontsnapte’. Wel, over dat ‘ontsnappen’ zou ik met u vandaag willen nadenken.

Wanneer het kwaad een mens omringt, kan die mens heel sterk het gevoel hebben dat dat kwaad hem wilt vernietigen. Wat effectief ook kan gebeuren. Soms is het kwaad zo sterk, en gaat het zo subtiel verminkend te werk, dat het inderdaad een vernietigende uitwerking kan hebben; naar geest, en soms zelfs naar lichaam.
Naar geest: heel wat mensen leven beïnvloed door het kwaad, en zijn innerlijk ‘ziek’. Laten we, wat onszelf betreft, niet te snel denken dat we daarvan gevrijwaard zijn.
Maar dus ook naar lichaam: het kwaad kan mensen de dood injagen: je kan vermoord worden, je kan zelf gaan moorden, je kan jezelf vermoorden. Kijk naar die honderdduizenden mensen die sterven door oorlog, armoede, ontbering, … gevolg van het kwaad, of het feit dat mensen het goede niet doen. Wie het goede niet doet, kweekt kwaad.

Maar we gingen het hebben over dat ‘ontsnappen’ aan het kwaad.
Paulus schrijft in zijn brief aan de Romeinen in het 8e hoofdstuk: ‘Wat zal ons scheiden van de liefde van Christus? Tegenspoed, ellende of vervolging, honger of armoede, gevaar of het zwaard?’ En wat verder vervolgt hij: ‘Ik ben ervan overtuigd dat dood noch leven, engelen noch machten noch krachten, heden noch toekomst, hoogte noch diepte, of wat er ook maar in de schepping is, ons zal kunnen scheiden van de liefde van God, die Hij ons gegeven heeft in Christus Jezus, onze Heer.’

In wezen schrijft Paulus hier over het ontsnappen aan het kwaad; onder welke vorm dat kwaad zich ook aandient.

Maar het zou een grote vergissing zijn te denken dat deze ‘ontsnapping’ een vanzelfsprekendheid zou zijn, verre van, zelfs integendeel. Het vraagt van de mens een bijzondere waakzaamheid, een innige gebedshouding, een geloof dat diep getekend is door overgave aan de Heer, om deze ontsnapping aan het kwaad te kunnen laten gebeuren.

Ik denk te mogen zeggen dat weinig mensen daar honderd percent in alle zuiverheid in slagen. Ik alvast niet, en ik vermoed velen met mij. Diep in onszelf vindt er immers dagelijks een diep gevecht plaats tussen het goede en het kwade. Dat gevecht vindt plaats omdat beiden trekken. Beiden lokken ze, en beiden komen ze als aangenaam over. Niet makkelijk …

Het evangelie helpt ons duidelijkheid te scheppen.
In het 7e hoofdstuk van Matteüs wijst Jezus erop dat velen kiezen voor de brede weg met haar ruime poort, de weg die naar de ondergang leidt. De weg van God is de ‘nauwe poort’, zoals Jezus het noemt. Heel waarschijnlijk is het geen opvallende weg, niet perse een succesvolle weg, maar wel dé weg; de weg van God, de weg van de liefde, de weg die naar de eeuwigheid leidt.
Verder roept het evangelie op tal van plaatsen op tot waakzaamheid: wakker zijn voor het komen van de Heer. Maar evengoed wakker zijn voor het komen het kwaad, het kunnen onderscheiden van wat van God komt en wat niet. En dan duidelijk kiezen, in een sterk en gezond geloof, geënt op Christus zelf.
Verder roept het evangelie op, en de hele Bijbel in het algemeen, om ‘biddend’ door het leven te gaan, in innige eenheid met de Heer, om vanuit je gods-verbondenheid, te leven. Dit zal je behoeden voor het kwaad, en je behouden in Gods liefde.

En zo kunnen we ‘ontsnappen’ aan het kwaad, en een leven leiden dat enkel nog getekend zal zijn door de liefde van de Heer.

Maar we zijn lauw en zwak. We leven met vallen en opstaan. De wil is er wel maar dat verdomde vlees …
Christus weet dat, Hij ziet dat. Niet met een veroordelend vingertje, maar met het hart van God, vol goedheid en bamhartigheid. Van zodra wij de neiging hebben om toe te geven aan het kwaad, en we doen een kleine – bij wijze van spreken – oogopslag naar Hem, zal Hij ons ter hulp komen, Hij zal naar ons toesnellen, ons bij de hand nemen, ons in zichzelf trekken, om ons te beschermen en te behoeden.

Maar zo belangrijk: Het gaat om die ‘kleine oogopslag’ van ons. Die is van zo’n fundamenteel belang. Als we die ‘oogopslag’ niet doen, verliezen we God uit het oog, openen we ons niet voor Hem. Met alle gevolgen van dien.
Ziehier het belang van de gods-verbondenheid. Als een gebed zonder ophouden.

Ik ga stoppen, want m’n woordje is te lang aan het worden, en ik moet gaan slapen.

Laten we waakzaam in het leven staan, ons hart gericht naar God, opdat, wanneer het kwade zich aandient, onder welke gestalte of gedaante ook, we in Gods liefde zouden blijven, ‘ontsnappend’ aan het kwaad. In innige verbonden met Hem.

Een mooie vrijdag voor ieder.

kris

Reageren, je eigen woordje plaatsen, of uitwisselen over de overweging,
kan via de blog Van Woord naar leven.
Laat ons bidden

Goede God,
moge uw Geest ons hart neigen naar uw liefde in Christus. Mogen we ons in Hem wentelen, opdat we, behoed voor het kwaad, enkel uw liefde zouden zijn.
In Jezus’ naam. Amen.