Lezingen van de dag – vrijdag 24 november 2017


Heilige (of feest) van de dag

Albertus van Leuven († 1192)

Albertus (ook Albrecht) van Leuven (ook van Brabant of van Luik),België, bisschop & martelaar

Albert werd rond 1166 geboren als zoon van hertog Godfried III van Lotharingen Margaretha van Limburg. Zijn ouders hadden hem voorbestemd voor een geestelijke carrière en zo werd hij op amper 12-jarige leeftijd in 1178 als kanunnik verbonden aan de St-Lambertuskerk te Luik. Maar Albertus was een eigenzinnig kereltje. Hij werd liever ridder. In 1187 ontving hij te Valenciennes de ridderslag van graaf Boudewijn V van Henegouwen. Maar toen een jaar later zijn bisschop besloot op kruistocht te gaan naar het Heilige Land, verzaakte hij aan zijn ridderplicht en weigerde mee te gaan. Hij keerde terug naar zijn baan van kanunnik en werd bovendien aartsdiaken van Brabant. Nog altijd even onbesuisd en eigenwijs koos hij in een conflict tussen Arnold van Diest en de abdij van Tomgeren de zijde van Arnold. Maar de kerkelijke rechtbank van Keulen stelde hem in het ongelijk.

Op 5 augustus 1191 stierf de prins-bisschop van Luik, Radolf van Zeringen. Dit bisdom werd al sinds geruime tijd betwist door Brabant en Henegouwen. Er waren dan ook twee kandidaten voor de opvolging: aartsdiaken Albert van Leuven, die door Barbant naar voren werd geschoven, en Albert van Rethel, aartsdiaken van Henegouwen: hij werd gesteund door Boudewijn V. De Brabantse Albert werd met bijna algemene stemmen gekozen: 8 september 1191. Dat was tegen de zin van keizer Hendrik VI († 1197); deze was beducht voor de invloed van Brabant. Hij zag liever iemand op die zetel die onder zijn invloed stond; op de Rijksdag van Worms benoemde hij dan ook zonder pardon zijn eigen kandidaat Lotharius van Hofstade, eveneens kanunnik aan de St-Lambertus en proost van Bonn.

Dat nam de pas gekozen Albertus niet. Hij toog naar Rome om bij de paus Coelestinus III († 1198) zijn gelijk te halen. Omdat hij een aanslag vreesde, vermomde hij zich als stalknecht en wapendrager. De paus bevestigde de geldigheid van zijn keuze en maakte hem bij die gelegenheid meteen tot kardinaal. Maar bij zijn terugkeer weigerde de keizer alle medewerking, zodat Albert voor zijn bisschopswijding moest uitwijken naar Reims. Op 19 en 20 september 1192 werd hij daar door aartsbisschop Guillaume de Champagne achtereenvolgens tot priester en bisschop gewijd. Toch kon hij niet terug naar zijn bisschopsstad. Vanuit Reims bestuurde hij zo goed mogelijk zijn bisdom, terwijl intussen op last van keizer Hendrik de huizen van Albertus’ aanhangers systematisch werden verwoest. Van zijn broer ontving hij geen enkele steun.

Door dit alles werd hij een eenzaam man, die een teruggetrokken leven leidde. Mensen die in zijn omgeving kwaad spraken van de zetbaas Lotharius op zijn zetel te Luik, legde hij het zwijgen op. Men zegt zelfs dat hij mild, beminnelijk en wijs was geworden. Zo is het mogelijk dat hij ondanks waarschuwingen uit zijn omgeving zo’n twee maanden later in Reims drie Duitse ridders ontving die vertelden dat zij verbannen waren. Hij nam ze bij zich op. Zij maakten van een wandeling gebruik om Albert de schedel in te slaan en gruwelijk te verminken: 24 september 1192. Later bleek dat keizer Hendrik VI de moordenaars met grote hartelijkheid op zijn paleis ontving en ruimschoots beloonde.

Onmiddellijk na zijn dood werd Albert beschouwd als martelaar van de vrijheid van de kerk tegenover de staat. Tot 1612 rustte zijn stoffelijk overschot in Reims. Toen werd het overgebracht naar de karmelieten te Brussel. Vandaar gingen er relieken naar kerken in Leuven, Mechelen en Luik.
Een jaar later gaf paus Paulus V († 1621) zijn goedkeuring aan Alberts verering.

Bij opgravingswerkzaamheden onder de kathedraal van Reims dacht men op 26 september 1919 het graf van aartsbisschop Odalrik, bijgenaamd ‘de Eerbiedwaardige’, te hebben aangetroffen, maar bij onderzoek bleek het de resten te bevatten van Albertus van Leuven! Daaruit trok men de conclusie dat de relieken van 1612 aan Odalrik hadden toebehoord.

Albertus wordt afgebeeld als bisschop (tabberd, mijter, staf); met drie zwaarden, zijn moordwapens; met mes, degen of zwaard in de hand of in zijn lichaam gestoken; met het wapen van Brabant.

vrijdag in week 33 door het jaar


Uit het eerste boek Makkabeeën 4, 36-37 + 52-59

De trouw aan het Verbond drukt zich uit in rituele vormen. Na een periode waarin het volk zijn God niet kon eren in de tempel en de heidenen hadden getracht het van de ware God af te brengen komt de tempel weer in het middelpunt van de godsdienst.

In die dagen zeiden Judas en zijn broers: ‘Onze vijanden zijn verslagen. Laten we het heiligdom reinigen en het opnieuw inwijden.’
Het hele leger verzamelde zich en ging op weg naar de Sion.
Op de vijfentwintigste van de negende maand, te weten de maand kislew, van het jaar 148 stonden ze in alle vroegte op en brachten volgens voorschrift een offer op het nieuwe brandofferaltaar.
Op dezelfde dag en op hetzelfde uur dat vreemde volken het altaar hadden ontwijd, werd het nieuwe altaar ingewijd, terwijl er liederen en muziek van citers, harpen en cimbalen ten gehore werden gebracht.
Het hele volk knielde neer en boog diep voorover om de hemel, die hen geholpen had, te loven.
Acht dagen lang vierden ze de inwijding van het altaar en brachten ze vol vreugde brandoffers, vredeoffers en dankoffers.
Ze versierden de voorkant van de tempel met gouden kransen en met schildjes. Ze vernieuwden de poorten en de priestervertrekken en voorzagen ze van deuren.
Er heerste grote vreugde onder het volk omdat de smaad die ze van de vreemde volken ondervonden hadden, was afgewend.
Judas bepaalde samen met zijn broers en de hele volksvergadering dat het feest van de altaarinwijding jaarlijks acht dagen met blijdschap en vreugde gevierd zou worden, te beginnen op 25 kislew.

 

1 Kron. 29, 10-12

Refr.: Wij eren, Heer, uw luisterrijke Naam.

Geprezen bent U, Heer,
God van onze voorvader Israël,
voor altijd en eeuwig.

U, Heer, bent groots en machtig,
vol luister, roem en majesteit.

Alles in de hemel en op aarde behoort U toe, Heer,
U bezit het koningschap en de heerschappij.

Roem en rijkdom zijn van U afkomstig,
U heerst over alles.

In uw hand liggen macht en kracht besloten,
U beslist wie groot en machtig is.

Daarom danken wij U, onze God,
en prijzen wij uw luisterrijke Naam.

 

Uit het evangelie volgens Lucas 19, 45-48

Lucas verbindt Jezus’ onderricht zeer nauw met de tempel. Werd in de verbondstent het woord van de wet bewaard, dan was dit ook zo in de tempel. Later werd dit woord er ook verklaard en toegelicht. Dit gebruik zette Jezus verder. Zo woonde Hij onder de mensen. Daar konden zij God aan het woord laten in hun leven. Zo was het huis van God een huis van gods-ontmoeting en dus van gebed.

Jezus ging naar de tempel, waar Hij de handelaars begon weg te jagen, terwijl Hij hun toevoegde: ‘Er staat geschreven: “Mijn huis moet een huis van gebed zijn, maar jullie hebben er een rovershol van gemaakt!’
Dagelijks gaf Hij onderricht in de tempel. De hogepriesters, de schriftgeleerden en de leiders van het volk wilden Hem uit de weg ruimen, maar ze wisten niet hoe ze dat moesten doen, want het hele volk hing aan zijn lippen.

Van Woord naar leven

Jezus ging naar de tempel, waar Hij de handelaars begon weg te jagen, terwijl Hij hun toevoegde: ‘Er staat geschreven: “Mijn huis moet een huis van gebed zijn, maar jullie hebben er een rovershol van gemaakt!”’

Vandaag horen we Jezus die kritiek geeft met geen mis te verstane woorden en gebaren. We kennen het verhaal, we weten waarover het gaat: over kerkgebouwen, en over de gemeenschap als tempel van de heilige Geest.

In het verleden zijn er nog mensen geweest die met kritiek voor de dag kwamen; heilige mensen. Zo kennen we bijvoorbeeld Catharina van Sienna, een dominicanes uit de veertiende eeuw. Ze trad vanuit haar mystieke bewogenheid onverbloemd ‘kerkreinigend’ op. Ze wordt genoemd ‘de vrouw die niet zweeg in de Kerk’. Vanuit haar intens grote liefde voor de Kerk als heilige plaats van Gods aanwezigheid uitte zij met regelmaat sterke kritiek, ook op paus en kardinalen. Haar kritiek was een soort ‘heilige verontwaardiging’. De Kerk heeft Catharina goed begrepen. Ze werd heilig verklaard en tot kerklerares verheven. Of denken we aan Clara van Assisi, Jan Van Ruusbroeck en zo vele anderen.

Naar mijn persoonlijke mening is onze huidige paus Franciscus ook zo’n tip. Hij houdt geen blad voor de mond. Met regelmaat spreekt en schrijft hij, ook vanuit zo’n soort ‘heilige verontwaardiging’, over mistoestanden zowel binnen als buiten de Kerk. Mensen voelen dit doorgaans haarfijn aan als ‘waar’ en dat maakt paus Franciscus in zekere zin ook zo geliefd. En, niet onbelangrijk: in zijn kritiek kiest hij steeds resoluut voor de kant van de ‘armen’, de Kerk oproepend dit ook te doen, en wel naar het voorbeeld van Jezus.

In onze eigen omgeving zien we beslist ook dingen die echt fout zijn: onrechtmatig geldgewin te koste van, verspilling van voeding en goederen, ontheiliging van woorden en plaatsen, roddel, luiheid, enz… We zien het rondom ons, we zien het in ons. Durven wij vanuit eenzelfde heilige verontwaardiging zoals Catherina van Sienna, Clara van Assisi, Jan van Ruusbroeck en onze huidige paus kritiek geven. Altijd in liefde, vergezeld met Gods barmhartigheid, maar duidelijk en klaar, de waarheid volle eer aandoend.

Ik denk dat we soms teveel zwijgen, of het spreken aan anderen overlaten, uit een zekere angst, of om welke reden ook. Soms moeten we ons laten horen, letterlijk. Woorden kunnen krachtig zijn, en vol van genade. Daarop moeten we durven vertrouwen.
Laten we daarom altijd spreken vanuit onze relatie met Jezus, vanuit ons biddend hart, opdat wat we zeggen in liefde mag gezegd worden, in de warmte van Gods Geest, geborgen in Gods wil, op hoop van zegen.

kris

Reageren, je eigen woordje plaatsen, of uitwisselen over de overweging,
kan via de blog Van Woord naar leven.

Laat ons bidden

Heer,
zowel rondom ons als binnen in ons zien wij dingen die niet door Gods beugel kunnen; zaken die in wezen godslasterlijk zijn, dingen die onszelf en anderen wegtrekken van God. Geef ons momenten waar we, in eenheid met U, het woord kunnen nemen om Gods liefde te verwoorden, om mistoestanden aan het licht te brengen, om op te komen voor hen die onder onrecht lijden. Moge wij dit biddend doen, ons gevend aan U, vertrouwend dat wij in uw Geest de juiste en goede woorden zouden gebruiken.
Kom Heer Jezus, kom.
Amen.