Lezingen van de dag – vrijdag 26 febr. 2016


Heilige (of feest) van de dag

Nestor van Perge († 250)San_Nestore_di_Magydos

Nestor van Perge, Pamfilië, Klein-Azië; martelaar

Nestor was bisschop van de plaats Magydos in Pamfilië (Klein-Azië = tegenwoordige westkust van Turkije), toen de vervolgingen uitbraken onder keizer Decius. Vele christenen vielen af om het vege lijf te redden. Nestor raadde ieder aan die voorzag niet opgewassen te zijn tegen de marteldood, te vluchten. Hijzelf bleef op zijn post, en dwong daarmee respekt af bij de Romeinse stadhouder Irenarchus. Deze liet hem ontbieden, en bood hem zelfs hoffelijk en gastvrij een zetel aan. Nestor vroeg naar de reden van dit eervol onthaal en hij kreeg ten antwoord: “Uit respekt voor uw levenswijze.”

Waarop Nestor reageerde: “Nou, dan heb ik intussen wel repekt genoeg gekregen; dan wil ik nu weten waarom u mij hebt ontboden?” Irenarchus, in het bijzijn van de gehele raad, vroeg hem: “Bent u op de hoogte van het gebod van de keizer?” “Nee, ik ken wel Gods geboden, maar niet die van de keizer.” Irenarchus waarschuwde hem, dat hij zich aan de geboden van de keizer diende te houden. Maar Nestor meende, dat hij zich veeleer aan Gods geboden moest houden. Irenarchus konstateerde hierop, dat Nestor van een duivel bezeten moest zijn. Nestor weer: “Veeleer zijn uw goden de duivels. Als u dat maar eens inzag…” Daarop werd Irenarchus kwaad, omdat de goden waarin hij geloofde, duivels werden genoemd. Nu dreigde hij Nestor te martelen totdat deze tot betere inzichten gekomen zou zijn. Nestor antwoordde: “U kunt mij dreigen met allerhande folteringen; maar dààr ben ik niet bang voor. Als ik ergens ontzag voor heb, dan zijn het de kwellingen die Christus mij aan kan doen, wanneer ik hem niet trouw zou blijven. Irenarchus besloot dat Nestor voor de landvoogd in Perge moest verschijnen.

Daar aangekomen vroeg de landvoogd naar Nestor’s naam; deze antwoordde dat hij christen was. De landvoogd gebood hem wierookoffers te branden voor de goden. Nestor weigerde. Nu moest hij de gebruikelijke, gruwelijke folteringen ondergaan. Maar Nestor sprak: “U kunt mij folteren zo u wilt, maar Christus mijn Heer verloochenen die voor mij aan het kruis gestorven is: zo ver krijgt u mij toch niet.”

Daarop stelde de landvoogd hem voor de laatste maal voor de keus: onze goden of uw Christus. Nestor zei vast te houden aan zijn Christus. Toen is hij als een waar navolger van Christus ter plaatse gekruisigd. De verteller tekent op, dat hij vanaf het kruis de daar verzamelde christenen aanspoorde de knieën te buigen en tot Christus te bidden. Op het moment dat het volk door de knieën ging, sprak hij met luide stem “Amen!” en gaf de geest.

VRIJDAG IN WEEK 2 VAN DE VASTENTIJD


Uit het boek Genesis 37, 3-28

De geschiedenis van Jozef, het lievelingskind van Jakob, illustreert hoe moeilijk het leven kan zijn. Achter de woorden van dit verhaal ontdekken wij het geloof van de schrijver in de kracht van Gods voorzienigheid. Jozef is ook de voorafbeelding geworden van Jezus. Zoals Jozef, zal ook Jezus de dood doorstaan, tot redding van zijn medemensen.

Omdat Israël al oud was toen Jozef werd geboren, hield hij meer van Jozef dan van zijn andere zonen, en hij had een prachtig bovenkleed voor hem laten maken in allerlei kleuren.
De broers zagen wel dat hun vader het meest van Jozef hield. Daarom konden ze Jozef niet uitstaan en kon er geen vriendelijk woord voor hem af.
Op een keer had Jozef een droom. Toen hij die aan zijn broers vertelde, kregen ze een nog grotere hekel aan hem. ‘Moeten jullie nu eens horen wat ik heb gedroomd’, zei hij. ‘We waren op het land schoven aan het binden, en toen kwam mijn schoof overeind en bleef rechtop staan. En jullie schoven gingen om die van mij heen staan en bogen daarvoor.’
Zijn broers zeiden: ‘Dacht je soms koning over ons te worden? Wil je over ons heersen?’
Vanwege dat gepraat over zijn dromen gingen ze hem hoe langer hoe meer haten.
Opnieuw kreeg hij een droom die hij aan zijn broers vertelde. ‘Ik heb alweer een droom gehad’, zei hij. ‘Nu bogen de zon, de maan en elf sterren zich voor mij neer.’
Toen hij dit aan zijn vader en zijn broers vertelde, wees zijn vader hem terecht: ‘Zeg, wat is dat voor een droom! Moeten ik, je moeder en je broers ons soms voor jou komen neerbuigen?’
De broers konden Jozef wel vermoorden, maar zijn vader bleef nadenken over wat er gebeurd was.
Toen Jozefs broers er eens op uitgetrokken waren om de kudden van hun vader bij Sichem te laten grazen, zei Israël tegen Jozef: ‘Zoals je weet zijn je broers het vee aan het weiden bij Sichem. Ga jij eens naar hen toe.’
‘Goed’, zei Jozef, en Jakob vervolgde: ‘Ga kijken hoe je broers het maken en hoe het met het vee staat, en breng mij dan verslag uit.’
Zo stuurde Jakob hem vanuit de Hebronvallei naar Sichem.
Toen Jozef daar in het veld ronddwaalde, kwam hij iemand tegen die hem vroeg wie hij zocht.
‘Ik ben op zoek naar mijn broers’, antwoordde hij. ‘Kunt u me zeggen waar zij het vee aan het weiden zijn?’
‘Ze zijn hier niet meer’, zei de ander, ‘ik hoorde hen zeggen dat ze naar Dotan wilden.’
Jozef ging zijn broers achterna en trof hen in Dotan aan.
Zijn broers zagen hem al van ver, en nog voordat hij hen had bereikt, hadden ze een plan beraamd om hem te doden.
‘Kijk daar eens’, zeiden ze tegen elkaar, ‘daar komt die meesterdromer aan. Dit is onze kans! Laten we hem vermoorden en hem ergens in een put gooien. We zeggen gewoon dat hij door een roofdier is verslonden. Dan zullen we eens zien wat er van zijn dromen uitkomt.’
Toen Ruben dat hoorde, wilde hij proberen Jozef te redden.
‘Nee, laten we hem niet om het leven brengen’, zei hij. ‘Er mag geen bloed vloeien! Gooi hem in die put hier, in deze verlaten streek, maar breng hem niet om.’
Zo wilde hij Jozef uit hun handen redden en hem ongedeerd naar zijn vader terug laten gaan.
Zodra Jozef bij zijn broers was gekomen, trokken ze hem zijn bovenkleed uit, dat mooie veelkleurige gewaad, en gooiden hem in de put; de put was leeg, er stond geen water in. Daarna gingen ze zitten eten.
Opeens zagen ze een karavaan naderen. Het waren Ismaëlieten die uit de richting van Gilead kwamen en op weg waren naar Egypte. De kamelen waren beladen met gom, balsem en cistushars.
Toen zei Juda tegen zijn broers: ‘Wat hebben we eraan om onze broer te vermoorden? Dan moeten we ook de sporen weer zien uit te wissen. Laten we hem aan die Ismaëlieten verkopen in plaats van hem om te brengen; hij is tenslotte onze broer, ons eigen vlees en bloed.’
De anderen stemden hiermee in.
Toen er Midjanitische kooplieden uit de karavaan voorbijkwamen, trokken de broers Jozef uit de put en verkochten hem voor twintig sjekel, en die Ismaëlieten namen Jozef mee naar Egypte.

 

Psalm 105, 16-21

Refr.: Vergeet nooit de wonderen die de Heer deed.

De Heer riep een hongersnood over het land af,
en vernietigde elke voorraad brood. 8c2da01e89b7383cc1506148b331c343
Hij stuurde een van hen vooruit:
Jozef die als slaaf werd verkocht.

Ze klonken zijn voeten in ketenen,
sloten zijn hals in ringen van ijzer.
Totdat zijn voorspelling uitkwam
en het woord van de Heer hem vrijsprak.

De koning beval hem los te laten,
de heerser der volken liet hem vrij.
Hij stelde hem aan als heer van zijn huis,
als beheerder van heel zijn bezit.

 

Uit het evangelie volgens Matteüs 21, 33-43 + 45-46

Het Rijk Gods wordt vaak vergeleken met een wijngaard. In de parabel van de misdadige wijnbouwers is Jezus de erfgenaam. Ook Hij wordt gedood, zoals te lezen is in de Schrift: “De steen die de bouwers afkeurden is de hoeksteen geworden”. In dit verhaal daagt Jezus zijn tijdgenoten uit. Tevens is het een krachtige oproep tot bekering.

Jezus sprak tot de hogepriesters en de oudsten van het volk:
‘Luister naar deze gelijkenis. Er was eens een landheer die een wijngaard aanlegde en hem omheinde. Hij groef er een kuil voor de wijnpers en bouwde een uitkijktoren. Toen verpachtte hij hem aan wijnbouwers en ging op reis.
Tegen de tijd van de druivenoogst stuurde hij zijn knechten naar de wijnbouwers om zijn vruchten in ontvangst te nemen. Maar de wijnbouwers grepen de knechten, ze mishandelden er een, doodden een ander en stenigden een derde.
Daarna stuurde de landheer andere knechten, een grotere groep dan eerst, maar met hen deden ze hetzelfde.
Ten slotte stuurde hij zijn zoon naar hen toe, met de gedachte: Voor mijn zoon zullen ze wel ontzag hebben. Toen de wijnbouwers de zoon zagen, zeiden ze onder elkaar: “Dat is de erfgenaam! Kom op, laten we hem doden en zo zijn erfenis opstrijken”, en ze grepen hem vast, gooiden hem de wijngaard uit en doodden hem.
Wanneer nu de eigenaar van de wijngaard komt, wat moet hij dan met die wijnbouwers doen?’
Ze antwoordden: ‘De onmensen! Laat hij ze op een mensonwaardige manier ombrengen en de wijngaard verpachten aan andere wijnbouwers, die de vruchten wel aan hem afdragen wanneer het daar de tijd voor is.’
Daarop zei Jezus tegen hen: ‘Hebt u dit nooit in de Schriften gelezen: “De steen die de bouwers afkeurden is de hoeksteen geworden. Dankzij de Heer is dit gebeurd, wonderbaarlijk is het om te zien.” Daarom zeg Ik u: het koninkrijk van God zal u worden ontnomen, en gegeven worden aan een volk dat het wel vrucht laat dragen.’
Toen de hogepriesters en de Farizeeën zijn gelijkenissen hoorden, begrepen ze dat Hij over hen sprak. Ze wilden Hem graag gevangennemen, maar ze waren bang voor de reactie van de volksmassa, daar men Hem voor een profeet hield.

Van Woord naar leven

De overweging van vandaag is ontleend naar woorden van Ambro Bakker

Vandaag citeert Jezus uit psalm 118: ‘De steen die de bouwers afkeurden is de hoeksteen geworden.’ Het mag duidelijk zijn dat Hij hier over zichzelf spreekt.

Een geloofsgemeenschap (de Kerk wereldwijd in heel haar verscheidenheid) kun je vergelijken met een kerkgebouw. Een kerkgebouw bestaat uit honderdduizenden stenen. Elke steen heeft zijn eigen plaats en functie. Sommige stenen zitten onzichtbaar in het fundament; ze dragen het gebouw en zorgen voor de stevigheid. Anderen stenen zijn wél zichtbaar. Sommige van binnen, andere van buiten, de een hoog, de ander laag. Er zijn stenen die iets ondersteunen en stenen die iets omlijsten. Maar allemaal zorgen ze er voor dat de kerk op zijn plaats blijft. In het gebouw heeft elke gelovige zijn of haar eigen plaats en functie, ieder met zijn of haar gaven en talenten.

Maar er is ook een hoeksteen, en dat is Jezus. Het is belangrijk dat we Jezus de hoeksteen laten zijn van onze geloofsgemeenschap. Haal je die hoeksteen weg, stort het geloofsgebouw in elkaar. Dat geldt voor de kerkgemeenschap, én voor ieder van ons persoonlijk.

Reageren, je eigen woordje plaatsen, of uitwisselen over de overweging,
kan via de blog Van Woord naar leven.

Laat ons bidden

Heer,13273961095_938a0562c4_h
U kiezen wij als de hoeksteen van ons leven, van heel onze geloofsgemeenschap. Geef dat wij U nooit zouden afkeuren maar U altijd zouden laten zoals Gij zijt: onze Heer en God die ons het volle leven wil schenken door ons in U te trekken en ons leven te worden.
Kom heilige Geest.
Amen.