Lezingen van de dag – vrijdag 27 mei 2016


Heilige (of feest) van de dag

Augustinus van Canterbury († 604)d65c6f4e822ee3fd555443590cbda503

Augustinus van Canterbury osb, Engeland; bisschop

Tezamen met paus Gregorius I († 604; feest 3 september) draagt hij de eretitel Apostel van de Engelsen. Wanneer we voor het eerst van hem horen, is hij overste van van het Andreasklooster op de Caelische heuvel bij Rome.

In 596 nodigde paus Gregorius hem uit om met een groep van veertig monniken naar Engeland te gaan en daar de kerk te organiseren en het geloof te verkondigen onder degenen die nog niet met Christus in aanraking waren gekomen. Onderweg groeide er steeds meer twijfel in de groep over het de goede afloop van deze onerneming. Gregorius liet hen per brief bemoedigen, drong erop aan dat zij door zouden zetten en bekrachtigde zijn verlangen door aan bisschop Virgilius van Arles († ca 610; feest 5 maart) opdracht te geven Augustinus tot bisschop te wijden. Uiteindelijk landden ze op het toenmalige eilandje Thanet voor de oostkust van het Zuid-Engelse koninkrijkje Kent. Op aanraden van paus Gregorius stuurde Augustinus enkele Frankische tolken vooruit naar het hof van Ethelbert, koning van het koninkrijk Kent in Zuid-Engeland. Over het verdere verloop van de gebeurtenissen zijn wij uitstekend geïnformeerd door Sint Beda († 735; feest 25 mei), die er in zijn Geschiedenis van Kerk en Volk der Engelsen ruim aandacht aan besteedt.

De monniken vroegen de koning om een onderhoud en verklaarden dat hun meester uit Rome kwam en zeer goed nieuws te melden had. Ieder die het wenste te ontvangen, was verzekerd van eeuwige vreugde in de hemel en van een nimmer eindigende heerschappij met de levende en ware God. Na het aanhoren van dit bericht, gaf de koning bevel dat ze op het eiland zouden blijven en dat ze voorzien moesten worden van alwat ze nodig hadden, tot hij een besluit had genomen hoe te handelen. Hij kende de christelijke godsdienst al een beetje. Want hij had een christenvrouw uit het Frankische koningshuis. Zij heette Bertha. Haar ouders hadden in haar huwelijk toegestemd op voorwaarde dat zij in alle vrijheid haar eigen godsdienst mocht behouden en praktiseren. Om haar daarin behulpzaam te zijn had ze een persoonlijke bisschop meegekregen, Liudhard geheten.

Na verloop van een paar dagen kwam de koning naar het eiland. Daar hield hij zitting in de open lucht en zo riep hij Augustinus en zijn gezellen bij zich voor een onderhoud. Zorgvuldig lette hij erop dat zij hem niet onder één of ander dak zouden ontmoeten. Hij was namelijk een oud bijgeloof toegedaan en nu meende hij dat als het magiërs waren, ze hem dan zouden kunnen betoveren en in hun macht konden krijgen. Maar de monniken waren niet begiftigd met duivelse macht, doch, integendeel, met die van God zelf. Zij kwamen in plechtige processie naar de koning toe, waarbij ze een zilveren kruis meedroegen bij wijze van standaard. Bovendien hadden ze een op hout geschilderd portret van Christus bij zich. [Ongetwijfeld waren ze in vol ornaat. Wellicht werden er in de stoet ook nog heilige boeken meegedragen en mooi bewerkte kistjes met relieken van heiligen?] Om te beginnen richtten ze gebeden tot God in de vorm van een litanie: ze baden voor hun eigen eeuwig heil alswel voor het heil van degenen bij wie ze thans op bezoek waren…

Dit alles moet grote indruk gemaakt hebben op koning Ethelbert en zijn hele hofhouding. Niet in het minst natuurlijk vanwege de ernstige gebeden om heil en zegen die zij voor hem, een onbekende koning, deden bij hun God. De kroniek gaat als volgt verder.

De koning gaf een teken dat zij konden gaan zitten. Zij verkondigden voor hem en heel zijn hofhouding het woord des levens. Daarop sprak de koning: “Uw beloftevolle woorden lijken mij volkomen oprecht. Maar ze zijn nieuw en nog ongewis. Ik kan ze niet zomaar aannemen en daarmee het geloof van oudsher overboord gooien, dat ikzelf met heel het Engelse volk tot nu toe heb bewaard. Maar daar staat tegenover dat u er een lange reis voor over hebt gehad. Bovendien is het voor mij zonneklaar dat u eerlijk bent in uw verlangen ons te doen delen in datgene waarvan u gelooft dat het waar is en boven alles verheven. We zullen u dus geen enkel kwaad doen. Wij zullen u gastvrij opnemen en er zorg voor dragen dat u alles krijgt wat u maar nodig hebt. We zullen u dus ook niets in de weg leggen, wanneer u door uw verkondiging mensen wilt trachten te winnen voor uw godsdienst.”

De koning wees hun een onderkomen toe in de hoofdstad van zijn rijk, Canterbury. Overeenkomstig zijn uitdrukkelijke beloften schonk hij hun subsidies en deed hij niets af aan hun vrijheid om het woord Gods te verkondigen.

De volksmond weet nog te vertellen, hoe zij weer bij het naderen van de stad het heilig kruis en het portret van onze grote Heer en Koning Jezus Christus meedroegen, waarbij zij eenstemmig deze litanie zongen: “Wij smeken u, Heer, wend af uw toorn en woede van deze stad en van uw heilige woning, want wij zijn maar arme zondaars. Alleluia.”

Koning Ethelbert behoort tot Augustinus’ eerste bekeerlingen: in 601 liet hij zich tezamen met zijn hele hofhouding dopen.

Vanaf dat moment was Canterbury de officiële zetel van de bisschop en zou uitgroeien tot aartsbisdom. Daarnaast stichtte Augustinus er een klooster dat hij aan Sint Petrus en Paulus toewijdde, en dat later naar hem zou worden genoemd St-Augustine’s.

Na zijn dood werd hij bijgezet in de kerk van de door hem gestichte benedictijner abdij.

Op 13 september 1091 werden zijn relieken met veel plechtig vertoon overgebracht naar een nieuwe plek in de geheel verbouwde en vergrote kloosterkerk.

vrijdag in week 8 door het jaar


Uit de eerste brief van Petrus 4, 7-13

God heeft vele genadegaven uitgedeeld ten behoeve van de gemeenschap. Enkele, de voornaamste, noemt Petrus hier op: de onderlinge liefde, de gastvrijheid, de gaven van het woord en de gave van de dienst. Petrus spoort ons aan om ieder op zijn manier van deze gaven gebruik te maken. Ondanks lijden en moeilijkheden, blijven we ons verheugen tot Jezus’ heerlijkheid zich openbaart.

Broeders en zusters,
het einde van alles is nabij. Kom daarom tot bezinning en wees helder van geest, zodat u kunt bidden.
Heb elkaar vóór alles innig lief, want liefde bedekt tal van zonden.
Wees gastvrij voor elkaar, zonder te klagen.
Laat ieder van u de gave die hij van God gekregen heeft, gebruiken om de anderen daarmee te helpen, zoals het goede beheerders van Gods veelsoortige gaven betaamt.
Voert u het woord, laat dan Gods woorden doorklinken in wat u zegt.
Helpt u anderen, doe dat dan vanuit de kracht die God u geeft. Want zo doet u alles tot eer van God, dankzij Jezus Christus, aan wie alle eer en macht toekomt, voor eeuwig. Amen.
Geliefde broeders en zusters,
wees niet verbaasd over de vuurproef die u ondergaat; er overkomt u niets uitzonderlijks. Hoe meer u deel hebt aan Christus’ lijden, des te meer moet u zich verheugen, en des te uitbundiger zal uw vreugde zijn wanneer zijn luister geopenbaard wordt.

 

Psalm 96, 10-13

Refr.: De Heer oordeelt de volken naar recht en wet.

Zeg aan de volken: De Heer is koning.
Vast staat de wereld, zij wankelt niet. Drieeenheid_2
Hij oordeelt de volken naar recht en wet.’

Laat de hemel verheugd zijn, de aarde juichen,
de zee bruisen en alles wat daar leeft.

Laat het veld verblijd zijn en alles wat daar groeit,
laten alle bomen jubelen voor de Heer.

Want Hij is in aantocht,
in aantocht is Hij als rechter van de aarde.

Rechtvaardig zal Hij de wereld berechten,
de volken oordelen, trouw aan zijn woord.

 

Uit het evangelie volgens Marcus 11, 11-25

Het gebeurt meermaals dat Jezus zinspeelt op echtheid en waarachtigheid tussen ons leven en ons bidden. De voornaamste onechtheid is wel met zijn medemens in onmin te leven en te denken dat men oprecht zou kunnen bidden. Dan wordt Gods tempel, waarin wij samenkomen om te bidden, als een dorre boom, een rovershol, een samenkomst van leugenaars en onwaarachtigen.

Jezus trok Jeruzalem in en ging naar de tempel. Nadat Hij alles in ogenschouw had genomen, ging Hij – want het was al laat geworden – met de twaalf terug naar Betanië.
Toen ze de volgende dag uit Betanië vertrokken, kreeg Hij honger. Hij zag in de verte een vijgenboom die in blad stond en ging erheen in de hoop iets eetbaars te vinden, maar toen Hij bij de boom gekomen was, vond hij geen vruchten; het was namelijk nog niet de tijd voor vijgen.
Hij zei tegen de boom: ‘Nooit ofte nimmer zal er nog iemand vruchten van jou eten!’
Zijn leerlingen hoorden dit.
Ze kwamen in Jeruzalem. Hij ging de tempel binnen en begon iedereen die daar iets kocht of verkocht weg te jagen; Hij gooide de tafels van de geldwisselaars en de stoelen van de duivenverkopers omver, en Hij liet niet toe dat iemand voorwerpen over het tempelplein droeg. Hij hield de omstanders voor: ‘Staat er niet geschreven: “Mijn huis moet voor alle volken een huis van gebed zijn”? Maar jullie hebben er een rovershol van gemaakt!’
De hogepriesters en de schriftgeleerden hoorden wat er gebeurd was en zochten naar een mogelijkheid om Hem uit de weg te ruimen; ze waren bang voor Hem, omdat het hele volk in de ban was van zijn onderricht.
Nadat de avond gevallen was, gingen Jezus en zijn leerlingen weg uit de stad.
Toen ze ‘s morgens vroeg weer langs de vijgenboom kwamen, zagen ze dat hij tot aan de wortels verdord was.
Petrus herinnerde zich het voorval en zei: ‘Rabbi, kijk, de vijgenboom die u vervloekt hebt, is verdord.’
Jezus zei tegen hen: ‘Heb vertrouwen in God. Ik verzeker jullie: als iemand tegen die berg zegt: “Kom van je plaats en stort je in zee,” en niet twijfelt in zijn hart, maar gelooft dat gebeuren zal wat hij zegt, dan zal het ook gebeuren. Daarom zeg Ik jullie: alles waarom jullie bidden en vragen, geloof dat je het al ontvangen hebt, en je zult het krijgen. Wanneer je staat te bidden en je hebt een ander iets te verwijten, vergeef hem dan, opdat ook jullie Vader in de hemel jullie je misstappen vergeeft.’

Van Woord naar leven

Petrus zegt ons vandaag in de eerste lezing: ‘Voert u het woord, laat dan Gods woorden doorklinken in wat u zegt.’

De meeste van ons, laat ons eerlijk zijn, praten graag. Velen doen het van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat. Als we dan al eens zwijgen is het omdat we alleen zijn. Maar van zodra we met anderen zijn hebben we de neiging om te praten en niet meer op te houden.
En, ja we zullen maar weer eerlijk zijn, wat er uit onze mond komt is niet altijd even edel. Zo roddelen we bijvoorbeeld graag, of hebben snel een oordeel klaar over het gedrag van anderen, en zitten te pas en te onpas jan en alleman met elkaar te vergelijken, en nog liefst met onszelf. De doorsnee mens praat nu eenmaal graag over anderen…
En ook al mag dit heel menselijk zijn… dikwijls haalt het ons samen-zijn met elkaar naar omlaag.

Petrus vraagt, wanneer we praten, om Gods woorden te laten doorklinken in wat we zeggen.
Moeten we dan altijd over God, het evangelie of de Kerk praten ?
Nee, heel zeker niet, hoewel dit natuurlijk af en toe wel mag !
Maar als we praten met anderen, waken we er dan over dat we de ander niet neerhalen, dat ons gesprek opbouwend is voor het samen-zijn, dat we misschien verzoening tot stand kunnen brengen, dat onze humor het leven écht zonnig maakt voor elkaar en niet neerhaalt doorheen platvloerse grappen, enz…

Net zoals alles is ook onze tong een gave Gods.
Laten we haar goed gebruiken, als een instrument waarmee we het goede van God tot bij elkaar kunnen brengen.

kris

Reageren, je eigen woordje plaatsen, of uitwisselen over de overweging,
kan via de blog Van Woord naar leven.

Laat ons bidden

Jezus, goede Broer,mg_0953
maar al te dikwijls bereikt het kabouter Kwebbel-gehalte een al te hoge graad in ons leven, waardoor we de liefde van de Vader uit het oog verliezen. We praten maar en praten maar, en zijn eigenlijk meer met onszelf bezig dan met de mogelijkheid Gods goedheid te tonen doorheen ons spreken. Maak ons bewust dat ook onze tong een gave Gods is, gegeven om Gods goedheid uit te dragen, woorden van liefde te spreken, het goede gesprek te voeren, fijngevoelige humor te bespelen. Leer ons onze tong te beteugelen en deze te leggen in uw liefde. Moge ons spreken een instrument zijn waarmee we Gods grootheid bezingen.
In uw naam. Amen.