Lezingen van de dag – vrijdag 29 jan. 2016


Heilige (of feest) van de dag

Sabinianus van Troyes (+ 270)www.heiligen-3s.nl/heiligen/01/29/01-29-0270-Sabinianus-Troyes.php+++

Sabinianus (ook Savinianus of Savinien) van Troyes, Frankrijk; martelaar tezamen met zijn zus de belijder Sabina († ca 275); † 270

Hij was afkomstig van het eiland Samos. Op een dag las hij het psalmvers “Neem weg van mij Heer, met hysop mijn zonden; was mij en ik zal witter worden als sneeuw” (Psalm 51). Dit zou het begin geweest zijn van zijn bekering tot het christendom. Hij kwam daardoor in conflict met zijn heidense vader, Sabinus. Hij vertrok van huis, doorkruiste Griekenland, Dalmatië en Italië om uiteindelijk in Troyes uit te komen. Daar zou hij van Sint Patroclus het doopsel hebben ontvangen.
Toen braken de christenvervolgingen uit onder keizer Aurelianus. Omdat hij zijn geloofsgenoten tot steunen toeverlaat was, werd ook hij opgepakt en in de gevangenis geworpen. Daar wist hij door zijn overtuigende levenswijze de twaalf gevangenbewaarders allen tot Christus te bekeren! Dat kwam hun op de doodstraf te staan. Sabinianus moest eerst een aantal afschuwelijke martelingen ondergaan, vooraleer ook hij de geest gaf.
De plaats waar hij begraven werd, groeide al snel uit tot een bedevaartsplaats. Zo kreeg de weduwe Syra daar op haar gebed haar gezichtsvermogen terug.
Na enige tijd ging verliet ook zijn zus Sabina het ouderlijk huis om in gezelschap van haar zoogzuster Maximiniola naar haar broer op zoek te gaan. Te Rome ontving zij het doopsel uit handen van de latere paus Eusebius. Daarna vervolgde zij haar weg tot in Troyes. Haar ouders waren nog geen christen en zij wilde proberen ze daartoe over te halen. Bij haar aankomst hoorde ze hoe Sabinianus zojuist omwille van Christus de marteldood had ondergaan. Ze was trots op hem. En ze bad dat zij bij hem in de hemel mocht zijn. Het verhaal zegt dat ze na haar gebed in vrede stierf.

VRIJDAG IN WEEK 3 DOOR HET JAAR


Uit het tweede boek Samuël 11, 1-4a + 5-10 + 13-17

Het verhaal van Davids zonde is overbekend. Hij roofde de vrouw van zijn officier en stuurde deze toen naar het slagveld. Zelfs koning David, die een bijzondere uitverkiezing genoot en altijd trouw was geweest, bleek tot zonde in staat. Hij vlucht in eigen zelfgenoegzaamheid en maakte misbruik van zijn vrijheid en zijn macht ten koste van anderen. Hierin ligt de kern van elke zonde.

Bij het aanbreken van het voorjaar, de tijd waarin koningen gewoonlijk ten strijde trekken, stuurde David opnieuw een leger erop uit, onder leiding van Joab en zijn aanvoerders, om de Ammonieten te verslaan en Rabba te belegeren. Zelf bleef hij in Jeruzalem achter.
Op een keer stond hij aan het eind van de middag op van zijn rustbed en liep wat heen en weer over het dak van het paleis. Beneden zag hij een vrouw die aan het baden was. Ze was heel mooi om te zien.
Hij liet uitzoeken wie ze was, en men zei hem: ‘Dat is Batseba, de dochter van Eliam, de vrouw van de Hethiet Uria.’
David liet haar bij zich komen en sliep met haar.
Enige tijd later merkte ze dat ze zwanger was.
Ze liet dat aan David berichten, waarop David aan Joab opdracht gaf om Uria naar hem toe te sturen.
Uria meldde zich op bevel van Joab bij David, die hem vroeg hoe Joab en het leger het maakten en hoe het er met de oorlog voorstond.
Vervolgens zei hij: ‘Ga naar huis en ontspan u wat.’ Toen Uria het paleis verliet, kreeg hij nog een geschenk van de koning mee.
Maar Uria ging niet naar huis; hij bleef slapen in het poortgebouw van het paleis, bij de knechten van zijn heer.
Toen men David verteld had dat Uria niet naar huis was gegaan, zei hij tegen hem: ‘U hebt toch een lange reis achter de rug. Waarom bent u niet naar huis gegaan?’
De dag daarop nodigde David hem bij zich aan tafel en voerde hem dronken. Toch ging Uria ‘s avonds niet naar huis, maar legde zich opnieuw te slapen bij de knechten van zijn heer.
De volgende morgen schreef David Joab een brief, die hij aan Uria meegaf.
In de brief stond: ‘Stel Uria op waar het hevigst wordt gevochten en geef hem geen rugdekking, opdat hij wordt getroffen en sneuvelt.’
Joab onderzocht waar de verdediging het sterkst was, en stelde Uria juist daar op.
De verdedigers van de stad deden een uitval naar Joab. Er vielen slachtoffers onder de soldaten van David, en ook Uria vond de dood.

 

Psalm 51, 3 + 4 + 5 + 6 + 7 + 10 + 11

Refr.: God, ontferm U over mij in uw barmhartigheid.

Wees mij genadig, God, in uw trouw,
U bent vol erbarmen, doe mijn daden teniet.

Was mij schoon van alle schuld,
reinig mij van mijn zonden.Drieeenheid_2

Ik ken mijn wandaden,
ik ben mij steeds van mijn zonden bewust.

Tegen U, tegen U alleen heb ik gezondigd,
ik heb gedaan wat slecht is in uw ogen.

Laat uw uitspraak rechtvaardig zijn
en uw oordeel zuiver.

Ik was al schuldig toen ik werd geboren,
al zondig toen mijn moeder mij ontving.

Laat mij vreugde en blijdschap horen:
U hebt mij gebroken, laat mij ook juichen.

Sluit uw ogen voor mijn zonden
en doe heel mijn schuld teniet.

 

Uit het evangelie volgens Marcus 4, 26-34

Het zaad kiemt terwijl de zaaier slaapt.

Jezus sprak tot de menigte:
‘Het is met het koninkrijk van God als met een mens die zaad uitstrooit op de aarde: hij slaapt en staat weer op, dag in dag uit, terwijl het zaad ontkiemt en opschiet, ook al weet hij niet hoe.
De aarde brengt uit zichzelf vrucht voort, eerst de halm, dan de aar, en dan het rijpe graan in de aar. Maar zo gauw het graan het toelaat, slaat hij er de sikkel in, omdat het tijd is voor de oogst.’
En Hij zei: ‘Waarmee kunnen we het koninkrijk van God vergelijken en door welke gelijkenis kunnen we het voorstellen?
Het is als een zaadje van de mosterdplant, het kleinste van alle zaden op aarde wanneer het gezaaid wordt. Maar als het na het zaaien opschiet, wordt het het grootste van alle planten en krijgt het grote takken, zodat de vogels van de hemel in zijn schaduw kunnen nestelen.’
Met zulke en andere gelijkenissen maakte Hij hun het goede nieuws bekend, voorzover ze het konden begrijpen.
Hij sprak alleen in gelijkenissen tegen hen, maar wanneer Hij alleen was met zijn leerlingen, verklaarde Hij hun alles.

Van Woord naar leven

‘Het is met het Koninkrijk van God als met een mens die zaad uitstrooit op de aarde: hij slaapt en staat weer op, dag in dag uit, terwijl het zaad ontkiemt en opschiet, ook al weet hij niet hoe’, zegt Jezus ons vandaag in een gelijkenis.

God is de zaaier. En dikwijls gebruikt Hij de mens om zijn zaad uit te zaaien. Wij mogen zijn instrument zijn.
Het gevaar bestaat er echter in dat een mens prat gaat op wat hij doet, dat hij het zaad – inclusief de vruchten – gaat toe-eigenen. Al snel voelt die mens zich de grote weldoener die toch wel veel goeds doet in deze wereld… En ja… hij praat daar zo graag over…
Dat is jammer, omdat dat veel stuk maakt. De kans bestaat er namelijk in dat je je voeling met God verliest, en hoogmoedig wordt. Je eigent je toe wat God je gaf, en speelt als zodanig een beetje god.
Het liefhebben zelf verliest dan z’n schoonheid, omdat ze wordt uitgehold. Het hart, God, wordt eruit gehaald. Het liefhebben mag uiterlijk dan wel een mooie daad zijn, doch in de diepte is het van z’n schoonheid beroofd.
Het liefhebben verliest op die manier ook veel van zijn genade. Want doorheen het liefhebben wil God dikwijls genezend werkzaam zijn, wil Hij gemeenschap scheppen, verzoening tot stand brengen, mensen aanraken, enz… Het liefhebben heeft dan nog wel enige waarde, maar de échte vruchten zoals God ze geven wilt kunnen er moeilijk komen. Jammer. Een gemiste kans, zowel voor degene die liefheeft, als voor degene die bemind wordt.

Anderzijds… misschien is God wel meer werkzaam door hen die liefhebben zogezegd los van Hem dan we vermoeden. Eigenlijk mogen we daar niet over oordelen.

Langs de andere kant mogen we ook de band van God met ons in ons beminnen erkennen en koesteren. Ja, als een hoog Goed. Mogen we er ons in vreugde en eenvoud aan toevertrouwen.

kris

Reageren, je eigen woordje plaatsen, of uitwisselen over de overweging,
kan via de blog Van Woord naar leven.

Laat ons bidden

Heer, DSC_10521
graag bieden wij ons aan U aan
om instrument te zijn van uw liefde.
Geef dat wij dit gebeuren
ons nooit zouden toe-eigenen,
maar altijd U alle eer geven
door al het goede dat wij van U ontvangen hebben
weer onmiddellijk aan U terug te geven.
Amen.