Lezingen van de dag – vrijdag 3 februari 2017


Heilige (of feest) van de dag

Blasius van Sebaste († ca 316)

Blasius (ook Blaise, Blas, Blay, Vasco) van Sebaste, Armenië; bisschop & martelaar

Bisschop Blasius hield zich vanwege de heersende christenvervolgingen onder keizer Licinius (311-323) schuil in een bos. Volgens de legende leefde hij daar in vrede met de wilde dieren. Ze kwamen hem zelfs opzoeken om zich door hem te laten genezen. Hij werd bij toeval gevonden, toen Romeinse soldaten op zoek waren naar wilde beesten die men nodig had voor de spelen.

Een van de Romeinse volksvermaken bestond erin dat ten aanschouwen van duizenden toeschouwers ter dood veroordeelden in de arena moesten vechten met wilde dieren.

Dit is de geschiedenis van een heilige, die de dieren liefhad en daarom op zijn beurt door de dieren werd bemind. Zo begint het prachtige verhaal over de heilige Blasius, bisschop van Sebaste. Hij hielp en genas alle schepselen, zowel mens als dier. De heidenen waren jaloers en wilden hem en andere christenen doden in de plaatselijke arena. Daarom zond de gouverneur in 316 zijn soldaten de bergen in om wilde dieren te vangen voor die wrede spelen. Maar er was geen beest te bekennen tot zij in Blasius’ grot kwamen.

Daar vonden zij alle dieren, en met name alle wilde dieren waarvoor zij zo bang waren: leeuwen, tijgers, luipaarden, beren en wolven: zij brachten hun dagelijkse morgengroet aan de heilige man. Midden tussen hen in lag Sint Blasius in gebed. Hij was daar zo ernstig in verdiept, dat hij de soldaten die met hun netten en speren waren gekomen om de dieren te vangen, zelfs niet opmerkte. Hoewel de dieren zeer bang waren, bewogen zij zich niet en gaven geen enkel geluid; zij wilden hun meester niet storen. Zij hielden zich doodstil, terwijl zij met hun grote gele ogen de soldaten aanstaarden. Maar die waren zo verbaasd door wat zij daar te zien kregen, dat ze stilletjes weer wegslopen zonder ook maar een vinger uit te steken naar een van de dieren, ja zelfs zonder een woord te wisselen met de heilige man. Zij veronderstelden natuurlijk dat zij een verschijning hadden van Orfeus of van een andere heidense godheid, die de dieren betoverd had. En zij gingen terug naar de gouverneur om hem te vertellen wat zij hadden meegemaakt.

“Zo, dat moet dan een christen wezen”, antwoordde gouverneur Agricola, toen hij het hele verhaal gehoord had, “want alleen christenen zijn zulke dikke vrienden met de dieren. Breng hem op staande voet hier vóór mij.”  Dat gebeurde. Na veel folteringen werd de heilige onthoofd. De dieren huilden en jankten voor de verlaten grot, en snuffelend zochten zij hem overal, als verdwaalde honden die hun meester verloren hadden. Ook voor de dieren in het woud was het een droeve dag, toen Sint Blasius voor altijd van hen was afgenomen.

Zo werd Sint Blasius opgepakt en aan folteringen onderworpen. Eerst deed men pogingen om hem te verdrinken, maar hij wandelde eenvoudig over de golven weg. Toen werd hij letterlijk over de hekel gehaald en zijn lichaam werd met wolkammen opengereten. Uiteindelijk werd hij naar de executieplaats buiten de stad geleid om te worden onthoofd. Op weg daar naartoe kwam hem een moeder tegemoet met haar zoontje dat dreigde te stikken in een ingeslikte visgraat. De heilige legde het een ogenblik de handen op en sprak een gebed uit, waarop het kind van zijn kwaal werd verlost. Kort daarop stierf Blasius de marteldood, volgens zeggen in gezelschap van twee kinderen en zeven vrouwen.

Nadat in de 8e eeuw een kerk aan hem was gewijd in de Duitse stad Erfurt, verspreidde zich zijn verering over heel Europa. In de 10e eeuw kwamen relieken van hem terecht in het Zwarte Woud; sindsdien heette de abdij van Reginbertus van Seldenbüren († 963; feest 29 december) Sankt Blasien. In het Vlaamse Rumbeke vindt jaarlijks rondom zijn feestdag de Blasiuskermis plaats. De Nederlandse plaats Cadier en Keer heeft elk jaar een Blasiusbedevaart.

In het Westen behoort hij tot de Veertien Noodhelpers.
De wonderbaarlijke genezing van het jongetje met de doorgeslikte visgraat ligt aan de basis van de zogeheten Blasiuszegen. Op 3 februari komen de gelovigen in de kerk naar voren; de priester houdt bij elk twee – al of niet brandende – gekruiste kaarsen voor de keel en spreekt het volgende gebed uit: ‘Door de voorspraak van de heilige bisschop en martelaar Blasius, moge God u bevrijden van keelziekten en alle andere kwaad. In de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest’ (de priester maakt het zegengebaar).

Volgens de Kath Enyclodie (Amsterdam/Antwerpen, 1950; deel 5 kol.248) gaat het gebruik van de kaarsen bij de Blasiuszegen terug op een middeleeuwse devotiepraktijk welke inhield dat men aan Sint Blasius kaarsen offerde. Dat berust op een legende. In de grot waar Blasius zich verborgen hield zou hij elke dag bezoek gekregen hebben van een weldoenster die hem voedsel bracht en een kaars. De heilige bisschop zou aan die vrouw gevraagd hebben dit gebruik ook voort te zetten na zijn dood. Als men dan om zijn voorspraak bad om van elke ziekte verschoond te blijven kon men dat gebed kracht bijzetten door een kaars te offeren. Het Liturgisch Woordenboek suggereert dat die kaarsen in verband stonden met het feest van de vorige dag, Maria Lichtmis. Daar werden ze gebruikt bij de lichtprocessie.

vrijdag in week 4 door het jaar


Uit de brief van Paulus aan de Hebreeën 13, 1-8

De brief aan de Hebreeën sluit met enkele morele aansporingen over de broederliefde, het huwelijk, onze houding tegenover geld en tegenover hen die het woord Gods verkondigen. Deze aansporingen maken duidelijk hoe weinig de christenen van die dagen van ons verschillen. De gebruikelijke aansporingen van toen zijn ook nu nog nuttig.

Broeders en zusters,
Houd de onderlinge liefde in stand en houd de gastvrijheid in ere, want zo hebben sommigen zonder het te weten engelen ontvangen.
Bekommer u om de gevangenen alsof u samen met hen gevangen zat, en om de mishandelden als om mensen die net zo’n lichaam hebben als u.
Houd het huwelijk in ere, in alle omstandigheden, en houd het echtelijk bed zuiver, want overspeligen en echtbrekers zal God veroordelen.
Laat uw leven niet beheersen door geldzucht, neem genoegen met wat u hebt. Hij heeft immers zelf gezegd: ‘Nooit zal Ik u afvallen, nooit zal Ik u verlaten’, zodat we vol vertrouwen kunnen zeggen: ‘De Heer is mijn helper, ik heb niets te vrezen. Wat zouden mensen mij kunnen doen?’
Denk aan uw leiders, die het woord van God aan u hebben verkondigd, neem een voorbeeld aan hun geloof en kijk vooral goed hoe hun levenswandel eindigt.
Jezus Christus blijft dezelfde, gisteren, vandaag en tot in eeuwigheid!

 

Psalm 27, 1 + 3 + 5 + 8c + 9abc

Refr.: De Heer is mijn licht, mijn behoud.

De Heer is mijn licht, mijn behoud,
wie zou ik vrezen ?
Bij de Heer is mijn leven veilig,
voor wie zou ik bang zijn?

Al trok een leger tegen mij op,
mijn hart zou onbevreesd zijn,
al woedde er een oorlog tegen mij,
nog zou ik mij veilig weten.

Hij laat mij schuilen onder zijn dak
op de dag van het kwaad,
Hij verbergt mij veilig in zijn tent,
Hij tilt mij hoog op een rots.

Uw nabijheid, Heer, wil ik zoeken,
U bent mij altijd tot hulp geweest,
verstoot mij niet, verlaat mij niet,
God, mijn behoud.

 

Uit het evangelie volgens Marcus 6, 14-29

Jezus’ optreden wekte verschillende reacties. Iedereen, ook ons, stelt Hij voor de vraag naar zijn persoon. Koning Herodes die Johannes de Doper op een schandelijke manier had geofferd voor een meisje, dacht dat deze Johannes weer was verrezen toen hij hoorde over Jezus. Uit dit verhaal over de dood van Johannes de Doper blijkt duidelijk hoe moeilijk het is om met de waarheid over zijn eigen leven geconfronteerd te worden. Alle middelen zijn dan goed om het gezicht te redden.

Koning Herodes hoorde van Jezus, want zijn naam was overal bekend geworden. Sommigen zeiden: ‘Johannes de Doper is opgewekt uit de dood en daardoor beschikt hij over zulke wonderbaarlijke krachten.’ Maar anderen zeiden: ‘Het is Elia’, ‘en weer anderen zeiden: ‘Hij is een profeet zoals die er vroeger waren.’
Toen Herodes dit allemaal hoorde, zei hij: ‘Het is Johannes, die ik heb onthoofd, die weer is opgestaan.’
Want Herodes had Johannes gevangen laten nemen en hem, aan handen en voeten geketend, laten opsluiten vanwege Herodias, de vrouw van zijn broer Filippus, met wie hij getrouwd was. Johannes had namelijk tegen Herodes gezegd: ‘U mag niet trouwen met de vrouw van uw broer.’
Sindsdien had Herodias het op hem gemunt en wilde ze hem uit de weg ruimen, maar ze kreeg er de kans niet toe, want Herodes had ontzag voor Johannes, omdat hij wist dat hij een rechtvaardig en heilig man was, en hij nam hem in bescherming. En hoewel hij altijd in grote onzekerheid verkeerde als hij naar hem geluisterd had, bleef hij hem toch graag horen.
Op een keer deed zich echter een gunstige gelegenheid voor, toen Herodes op zijn verjaardag een feestmaal gaf voor zijn hovelingen en de hoge militairen en de voornaamste inwoners van Galilea. De dochter van Herodias kwam binnen om voor Herodes en zijn gasten te dansen, wat bij hen erg in de smaak viel. De koning zei tegen het meisje: ‘Vraag me wat je maar wilt, en ik zal het je geven.’ En hij bezwoer haar: ‘Wat je ook vraagt, ik zal het je geven, al was het de helft van mijn koninkrijk!’
Ze ging naar haar moeder en vroeg: ‘Wat zal ik vragen?’ Haar moeder zei: ‘Het hoofd van Johannes de Doper.’
Haastig ging ze weer naar binnen, stapte recht op de koning af en zei tegen hem: ‘Ik wil dat u me nu meteen op een schaal het hoofd van Johannes de Doper geeft.’
Deze vraag bedroefde de koning zeer, maar hij wilde het haar niet weigeren omdat hij in het bijzijn van zijn gasten een eed had gezworen.
Hij stuurde iemand van zijn garde weg met het bevel hem het hoofd te brengen. De soldaat ging naar de gevangenis en onthoofdde Johannes. Hij bracht het hoofd binnen op een schaal en gaf het aan het meisje, en zij gaf het aan haar moeder.
Toen zijn leerlingen hiervan hoorden, gingen ze zijn lijk halen en legden het in een graf.

Van Woord naar leven

Bij Paulus lezen we vandaag: ‘Houd de gastvrijheid in ere, want zo hebben sommigen zonder het te weten engelen ontvangen.’

Vele jaren terug was ik eens te gast bij de zusters van Moeder Theresa in Gent. Ik herinner me dat wanneer je van hen binnen door de voordeur naar buiten ging, dat daar boven de voordeur (langs de binnenkant dus) de tekst hing: ‘Jezus heeft net aangeklopt’. Toen we over die tekst met de zusters praatten, vertelden ze ons dat dit een werkelijke beleving van hen was. In ieder mens die langskwam trachtten zij de Heer te ontvangen die bij hen langskwam als een bedelaar naar liefde. De persoon die aanklopte beminnen was voor hen de Heer beminnen. Mystiek in de praktijk.

Stel, iemand belt bij ons aan en het is Jezus zelve… Wow… we zouden verschieten. Misschien kustten we wel zijn handen, of we vielen op onze knieën, of hadden geen woorden en enkel tranen uit ontroering. We zouden ons niet waardig weten Hem in onze woonst te ontvangen. De Martha’s onder ons zouden direct de beste koffie zetten, of een trappist van West-Vleteren aanbieden. Terwijl de koffie loopt zouden ze de Heer eventueel het Parochieblad kunnen geven, of Kerknet.be voor Hem openen. De Maria’s onder ons zouden aan de voeten van Jezus gaan neerzitten, en gewoon naar Hem kijken, naar Hem luisteren, Hem aanraken, zich door Hem laten aanraken.
Ja, moest Jezus langskomen… het zou wat zijn.

En toch… in elke mens die langkomt is Jezus aanwezig, niet minder dan dat Hij in fysieke hoedanigheid zou langskomen.

Wat de reden van het bezoek van onze gast ook moge zijn: Jezus vraagt doorheen die mens om ontvangen te worden met de liefde waarmee God ieder van ons ontvangt. In de mens die langskomt vraagt de Heer bemind te worden, en wel met die liefde waarmee Hij ieder van ons bemint: niet veroordelend, naar het hart kijkend, mogelijke kwetsuren omhelzend, bereid de ander te dragen. Je gast (of Jezus) roept alzo het beste in ons naar boven, namelijk Gods liefde.

Moge we zo naar allen kijken die langskomen in onze huizen, in onze gemeenschappen.
En laten we ‘onze huizen’ niet al te letterlijk nemen. Ook ons hart is in zeker zin ons huis, waar velen komen aankloppen in de loop van de dag. Dat gaat om onze partner, onze kinderen of kleinkinderen, medebroeders- of zusters, mensen op het werk, op straat, op de trein, bij de bakker. Ieder mens draagt immers diep in zichzelf het beeld van God dat uit zichzelf vraagt bemind te worden.

Moge onze huizen gastvrij zijn. Alsook onze harten. Mogen het haarden zijn vriendschap, van tederheid, van warme ontmoeting; niet sentimenteel bedoeld, maar plaatsen waar echte warme hartelijke liefde het hart is van het samenzijn.

kris

Reageren, je eigen woordje plaatsen, of uitwisselen over de overweging,
kan via de blog Van Woord naar leven.
Laat ons bidden

Goede God,
kom met uw heilige Geest in ieder van ons. Maar ons hart gastvrij, vrij voor iedere gast, vrij voor U in uw Zoon die doorheen zovele mensen doorheen heel de dag op zovele momenten langskomt. Mogen we U ontvangen als Degene die het meest edele in ons naar boven haalt: de gave van het liefhebben. Ja Heer God, mogen we U zo ontvangen en ieder mens de liefde geven die we U zouden geven.
Kom heilige Geest. Amen.