Lezingen van de dag – vrijdag 7 april 2017


Heilige (of feest) van de dag

Aibert van Crespin († 1140)

Aibert (ook Aïbert of Aybert) van Crespin (ook van Henegouwen of van Valenciennes) osb, Frankrijk; monnik & kluizenaar

Hij moet rond 1060 geboren zijn het dorpje Espain bij Doornik; volgens zeggen heetten zijn ouders Albadius en Elvida. Reeds als jongen voelde hij zich aangetrokken tot het beschouwende leven. Regelmatig hield hij thuis vasten of stond hij midden in de nacht op om zijn gebeden te verrichten. Om de mensen van de boerderij niet te laten merken, hoeveel tranen hij daarbij stortte, verborg hij zich in de schaapsstal.

Eens hoorde hij een troubadour een lied zingen over de heilige Theobaldus van Provins († 1066; feest 30 juni): hoe hij het leven van een kluizenaar had geleid. Aibert was daar zo van onder de indruk, dat hij op datzelfde moment besloot zo’n leven te gaan leiden. Hij meldde zich aan bij een kluizenaar in de buurt van het plaatsje Crespin, even ten noorden van Valenciennes, die daar met toestemming van zijn abt in de barre eenzaamheid woonde. De twee mannen maakten zo serieus werk van het vasten, dat ze soms dagen niet aten, en wanneer ze wel voedsel tot zich namen, was het vaak niet meer dan een homp brood of wat kruiden en bessen uit het bos ter plaatse. Ze trokken zich niets aan van hitte of kou: kleren droegen ze praktisch niet. Ze zagen er uit als spookachtige scharminkels; zo reciteerden ze hardop hun gebeden en zongen ze liederen voor de Heer, nu eens in het kapelletje dat ze daar gebouwd hadden, dan weer gewoon in de open lucht. Zelfs de herders die daar wel eens langs kwamen, vonden de twee maar griezels en waren een beetje bang van ze.

Toen de abt van de abdij te Crespin waar ze bijhoorden, naar Rome ging om pauselijke goedkeuring te vragen voor het feit, dat hij zojuist de regel van Benedictus had ingevoerd, vroeg hij de twee mannen hem te vergezellen op zijn bedevaart. Het werd een barre pelgrimstocht, die zij blootsvoets aflegden. Maar de abt kreeg zijn toestemming van paus Urbanus II († 1099; feest 29 juli) en gedrieën keerden zij behouden terug.

Na enige tijd had Aibert een droom, waarin hij zag hoe een witte adelaar boven hem een monnikshabijt uit de lucht liet vallen. Dit beschouwde hij als een teken, dat hij de eenzaamheid moest opgeven en zich bij de leefgemeenschap moest aansluiten. Niet alle monniken waren het er mee eens; zij vonden de kluizenaar een excentriekeling. Maar vader abt had onderweg naar Rome zijn toewijding gezien en ontving hem met open armen. Hij maakte hem tot prior en cellarius. Dat betekende, dat hem de materiële zorg voor de communiteit werd toevertrouwd. Zo streng als hij was voor zichzelf, zo liefdevol droeg hij zorg voor het welzijn van zijn medebroeders. Hij stond hen ter zijde als ze ziek waren, en wist wat ieder nodig had voor zijn welbevinden. Zelf was hij een toonbeeld van kloosterlijke deugd, zodat hun aanvankelijke scepsis plaats maakte voor bewondering. Zo stond hij elke ochtend ruim voor de anderen op om in de kerk voor het gezamenlijk koorgebed uit alvast alle honderdvijftig psalmen te bidden.

Maar na drie-en-twintig jaar in de gemeenschap geleefd te hebben, groeide in hem toch weer het verlangen om zich terug te trekken op zijn oude, eenzame plekje en zijn Heer als kluizenaar te dienen. Hij kreeg toestemming van zijn abt en zo betrok hij weer zijn kluizenaarswoninkje. Daar zou hij de resterende twee-en-twintig jaar van zijn leven doorbrengen. Bisschop Burkhard van Cambrai wijdde hem priester, zodat hij de talrijke mensen die bij hem hun toevlucht zochten, de sacramenten kon toedienen: vooral de biecht en de eucharistie. Elke dag las hij twee heilige missen, een voor de overledenen en een voor de levenden.

Zo’n tweehonderd jaar later zou paus Honorius III († 1227) bepalen, dat een priester behalve op kerstmis nog maar één mis per dag mocht lezen.

Daarnaast bad hij dagelijks deels geknield, deels languit voorover liggend voor het altaar, zijn rozenkrans van honderdvijftig wees-gegroetjes, de getijdengebeden, de honderdvijftig psalmen van David, zoals hij dat altijd al had gedaan: kortom – zo merkt zijn levensbeschrijver op – je zou onder de vorsten van deze wereld moeilijk een tiran gevonden hebben, die zo streng was voor hem als hij was voor zichzelf.

Het hoeft ons niet te verbazen, dat hij door veel mensen werd bezocht, die hem hun noden voorlegden. Onder hen waren niet alleen arme, eenvoudige gelovigen, maar ook kloosterlingen, priesters, bisschoppen en vorstelijke personen. Zo klopte hertog Arnulf van Henegouwen, broer van Boudewijn, eens bij hem aan. Hij leed aan een ernstige ziekte, waar de doktoren machteloos tegenover stonden. Na te hebben gebiecht vroeg hij Aibert om iets te drinken, want de koorts brandde in heel zijn lijf. Maar de heilige man wees hem erop, dat hij alleen maar water had uit zijn put; geen bier of wijn, zoals de edelman gewend was. “Geef me dat dan maar”, sprak Arnulf. De kluizenaar liet wat water omhoog hijsen, maakte een kruisteken, sprak er zijn zegen over uit en gaf het de man te drinken. Op hetzelfde moment veranderde het water in een wijn, die je zelfs niet van de gunstigst gelegen wijnhellingen kan halen; de drank was zo krachtig, dat de koorts onze patiënt verliet, en dat hij volkomen gezond naar huis kon terugkeren.

Hier wordt met bijna zoveel woorden verteld, dat met deze heilige man de tijden van het evangelie in Henegouwen waren teruggekeerd. Aibert was een andere Christus: dat wordt geïllustreerd door van hem dingen te vertellen, die sterk aan Jezus herinneren: een intensief gebedsleven, de vele mensen die zich in hun nood tot hem wenden, de genezing van zieken en het wonder dat hij water in wijn verandert.

Uiteindelijk is hij op 7 april 1140, vlak voor Pasen, gestorven. Hij werd begraven in zijn eigen kapel. Later werd zijn stoffelijk overschot overgebracht naar de abdij van Crespin. De parochiekerk van zijn geboortedorp Espain zou een reliek van hem bezitten.

vrijdag in de vijfde week
van de vastentijd


Uit de profeet Jeremia 20, 10-13

Zelfs door zijn vrienden in het nauw gedreven, verliest Jeremia de moed niet. Want God blijft bij hem. In zijn naam durft de profeet het aan zijn vervolgers te verwensen en eindigt met een lied tot de Heer, die het leven van de arme redt uit de overmacht van de boosdoeners.

Want de mensen bauwen mij na: “Overal paniek! Overal paniek! Roep het, dan vertellen wij het verder.”
Al mijn vrienden zijn uit op mijn val: “Misschien laat hij zich verleiden, dan krijgen wij hem in onze greep, dan wreken wij ons op hem.”
Maar de Heer staat mij ter zijde als een machtig krijgsman. Daarom komen mijn belagers ten val, ze krijgen mij niet in hun greep. Ze zullen diep worden beschaamd, ze zullen hun doel niet bereiken. Ze worden overladen met eeuwige schande, nooit zal die worden vergeten.
Heer van de hemelse machten, die alles rechtvaardig onderzoekt, die hart en nieren doorgrondt, laat mij zien dat U zich op hen wreekt. U leg ik mijn zaak voor.
Zing voor de Heer, loof de Heer, want Hij heeft het leven van de arme uit de handen van boosdoeners gered.

 

Psalm 18, 3-7

Refr.: Mijn roepen bereikte Gods oren.

Heer, mijn rots, mijn vesting,
mijn bevrijder, God, mijn steenrots.

Bij U kan ik schuilen, mijn schild,
kracht die mij redt, mijn burcht.

Ik roep: Geloofd zij de Heer,
want ik ben van mijn vijanden verlost.

Mij omsloten de banden van de dood,
de kolkende afgrond joeg mij angst aan.

De banden van het dodenrijk omklemden mij,
op mijn weg lagen de valstrikken van de dood.

In mijn nood riep ik tot de Heer,
ik schreeuwde naar mijn God om hulp.

In zijn paleis hoorde Hij mijn stem,
mijn roepen bereikte zijn oren.

 

Uit het evangelie volgens Johannes 10, 31-42

Omdat Hij klare taal spreekt verplicht Jezus zijn toehoorders tot een keuze. Wie zichzelf Gods Zoon noemt en beweert dat de Vader in Hem en Hijzelf in de Vader is, bewerkt dat de omstanders partij kiezen: ofwel geloven in Jezus als Gezondene van de Vader en Zoon Gods, ofwel Hem ter dood brengen omwille van zijn godslasterlijke uitspraken.

Toen de Joden weer stenen opraapten omdat ze Hem wilden stenigen, zei Jezus: ‘Ik heb door de Vader veel goeds voor u gedaan; waarom wilt u me stenigen?’
‘Voor een goede daad zullen we u niet stenigen’, antwoordden ze, ‘maar wel voor godslastering: U bent een mens, maar U beweert dat U God bent!’
Jezus zei: ‘Staat er in uw wet niet geschreven: “Ik heb gezegd: ‘U bent goden’”? De Schrift blijft altijd van kracht; als mensen tot wie God spreekt goden genoemd worden, hoe kunt u mij, door de Vader geheiligd en naar de wereld gezonden, dan beschuldigen van godslastering wanneer Ik zeg dat ik Gods Zoon ben? Als wat ik doe niet van mijn Vader komt, geloof me dan niet, maar als dat wel het geval is en u gelooft me toch niet, geloof dan tenminste wat Ik doe. Dan zult u begrijpen dat de Vader in mij is en dat Ik in de Vader ben.’
En weer wilden ze Hem grijpen, maar Hij ontsnapte.
Hij ging terug naar de overkant van de Jordaan, naar de plaats waar Johannes eerder gedoopt had. Daar bleef Hij.
Veel mensen kwamen naar Hem toe; ze zeiden: ‘Johannes heeft weliswaar geen wonderteken gedaan, maar alles wat hij over deze man gezegd heeft is waar.’ En velen kwamen daar tot geloof in Hem.

Van Woord naar leven

Vandaag zegt de Heer doorheen de profeet Jeremia: ‘Zing voor de Heer, loof de Heer, want Hij heeft het leven van de arme uit de handen van boosdoeners gered.’

De arme is hij die gekeerd leeft naar God, die leeg en ontvankelijk is, bereid God in zich te dragen en in Hem te leven.
De boosdoener is Hij die dit alles veracht, zichzelf tot schepper herleidt van al zijn doen en laten.

Rijk is hij die arm is voor God. Hij zal drager en uitdrager zijn van Gods vrede, zelfs wanneer hij door kwaad wordt omringt. Zijn armoede zal hem tot rijkdom zijn, want hij weet zich bemind door God en zal in Hem de kracht vinden het kwade te beantwoorden met het goede.

Kom, laat ons arm zijn van geest, om rijk te zijn in God.

kris

Reageren, je eigen woordje plaatsen, of uitwisselen over de overweging,
kan via de blog Van Woord naar leven.
Laat ons bidden

Heer,
maak ons arm van geest,
bereid voor U en in U te leven.
Maak ons nederig en klein,
verliefd op uw goddelijke goedheid.
Gij zijt groot, Heer !
Amen.