Lezingen van de dag – woensdag 1 maart 2017


Heilige (of feest) van de dag

Switbert van Kaiserswerth († 713)

Switbert (ook Suitbertus, Swidbertus, Swietbertus of Switbertus) van Kaiserswerth, Duitsland; bisschop

Als jongeman was hij de wereld ontvlucht om in de eenzaamheid God te zoeken. Later was hij een van de gezellen die rond 690 vanuit Engeland met Willbrord was meegekomen om het evangelie te gaan verkondiogen in het zuidelijke gebied van de Friezen. Tijdens Willibrordus’ reis naar Rome (692) werd Switbert priester gewijd door de bisschop van York. Vervolgens werd hij naar het gebied tussen de Lippe en de Ruhr gezonden (ongeveer het huidige Ruhrgebied in Duitsland).

Aanvankelijk vond hij gehoor bij het volk. Hij wist er meerderen voor Christus en het geloof in God de Vader te winnen. Er zijn zelfs legenden bekend, waarin wordt verteld hoe Switbert krachtens zijn geloof in God blinden de ogen opende, zieken van hun kwalen en pijnen genas en zelfs doden weer tot het leven terugbracht. Zo moesten de omstanders wel inzien, dat de God van Switbert veel meer macht bezat dan hun eigen goden.

Maar al dat werk werd weer teniet gedaan door de invallen van de Saksers. Switbert trok zich terug op een eilandje in de Rijn, waar hij – met behulp van Pepijn en diens vrouw, de heilige Plectrudis – een klooster stichtte, dat later naar hem Switbertswerth zou worden genoemd. Tegenwoordig staat het bekend als Kaiserswerth.

In de parochiekerk aldaar worden tot op de dag van vandaag zijn relieken bewaard in een kostbare reliekschrijn.

Hij wordt afgebeeld als bisschop (mijter, staf, tabberd); soms met een ster. Dat laatste, omdat de legende weet te vertellen, hoe zijn moeder, toen zij nog van hem in verwachting was, droomde, dat er een ster opging, waarvan de stralen tot in Duitsland en Frankrijk reikten. Zij zag dit aan met grote blijdschap. Maar plotseling daalde die ster neer op haar bed, en schreeuwend van schrik werd zij wakker. De plaatselijke bisschop – Aidan – legde de volgende ochtend die droom uit: ‘U zult een zoon ter wereld brengen die door zijn heiligheid een groot deel van de wereld zal verlichten.’

Aswoensdag


Zich het hoofd bedekken met as en vasten zijn in de bijbel tekens van boete. De zondaar drukt er zijn berouw door uit en vraagt er Gods barmhartigheid door. Hij wil zich bekeren om God en zijn naaste terug meer te beminnen. Als wij ons as laten opleggen bij het begin van de vastentijd erkennen wij dat ook wij zondaars zijn. Wij vragen God vergiffenis en bidden om de gave van bekering.


Uit de profeet Joël 2, 12-18

Bekering tot God moet altijd gemeend zijn. De profeet Joël ziet dit als levensnoodzakelijk. Om echt te zijn zal deze bekering ook uitgedrukt worden in een vastenritueel en in liturgische gebedsvormen. Niemand kan zich daarvan ontslagen achten. Dan kan men ook op Gods vergeving vertrouwen.

Zo spreekt God de Heer:
‘Keer nu terug tot mij met heel je hart en begin te vasten, te treuren en te rouwen. Niet je kleren moet je scheuren, maar je hart. Keer terug tot de Heer, jullie God, want Hij is genadig en liefdevol, geduldig en trouw, en tot vergeving bereid.’
Misschien herroept Hij zijn vonnis, komt Hij erop terug en laat Hij toch iets van zijn zegen over, zodat jullie weer graan en wijn kunnen offeren aan de Heer, jullie God.
Blaas de ramshoorn op de Sion, kondig een vastentijd af en roep op tot een plechtige samenkomst.
Breng het volk bijeen, laat heel Israël zich reinigen. Breng de oude mensen tezamen, verzamel de kinderen, ook de kleintjes aan de borst. Laat de bruidegom opstaan van het bruidsbed, laat zijn bruid het slaapvertrek verlaten.
Priesters, dienaren van de Heer, hef een smeekbede aan in de tempel, tussen altaar en voorhal: ‘Ach Heer, spaar uw volk, uw eigendom, geef het niet prijs aan spot en hoon van andere volken. Waarom zouden zij mogen schimpen: “En waar is nu hun God?”’
Dan zal de Heer het opnemen voor zijn land en zich ontfermen over zijn volk.

 

Psalm 51, 3-6a + 12-14 + 17

Refr.: Schep, o God, een zuiver hart in mij.

Wees mij genadig, God, in uw trouw,
U bent vol erbarmen, doe mijn daden teniet,
was mij schoon van alle schuld,
reinig mij van mijn zonden.

Ik ken mijn wandaden,
ik ben mij steeds van mijn zonden bewust,
tegen U, tegen U alleen heb ik gezondigd,
ik heb gedaan wat slecht is in uw ogen.

Schep, o God, een zuiver hart in mij,
vernieuw mijn geest, maak mij standvastig,
verban mij niet uit uw nabijheid,
neem uw heilige geest niet van mij weg.

Red mij, geef mij de vreugde van vroeger,
de kracht van een sterke geest.
Ontsluit mijn lippen, Heer,
en mijn mond zal uw lof verkondigen.

 

Uit de tweede brief van Paulus aan de Korintiërs 5, 20 – 6, 2

Zoals de Vader Christus zendt om de wereld met Hem te verzoenen, zo zendt Christus de apostelen om de christenen Gods genade te brengen. Paulus hoopt dat zij de oproep niet te vergeefs ontvangen.

Broeders en zusters,
wij zijn gezanten van Christus, God doet door ons zijn oproep. Namens Christus vragen wij: laat u met God verzoenen.
God heeft Hem die de zonde niet kende voor ons één gemaakt met de zonde, zodat wij door Hem rechtvaardig voor God konden worden.
Als Gods medewerkers sporen wij u dan ook aan: laat de goedheid die Hij u bewijst niet tevergeefs zijn.
God zegt: ‘Wanneer de tijd daarvoor gekomen is, luister Ik naar je, op de dag van de redding help Ik je.’
Nu is de tijd daarvoor gekomen, nu is de dag van de redding.

 

Uit het evangelie volgens Matteüs 6, 1-6 + 16-18

Matteüs brengt een aanvulling op de leer van de profeet Joël. Hij benadrukt de waarachtigheid van onze persoonlijke verhouding met God. Hij beklemtoont daarom drie fundamentele vormen: vasten, aalmoezen en gebed. Hierin moeten wij onze kinderlijke gehoorzaamheid uitdrukken tegenover de wil van de Vader, zoals dit vervat ligt in zijn geboden. Schijnheilig willen behagen aan de mensen moet de christen vermijden.

Jezus zei tot zijn leerlingen:
‘Let op dat jullie de gerechtigheid niet beoefenen voor de ogen van de mensen, alleen om door hen gezien te worden. Dan beloont jullie Vader in de hemel je niet.
Dus wanneer je aalmoezen geeft, bazuin dat dan niet rond, zoals de huichelaars doen in de synagoge en op straat om door de mensen geprezen te worden. Ik verzeker jullie: zij hebben hun loon al ontvangen. Maar als je aalmoezen geeft, laat dan je linkerhand niet weten wat je rechterhand doet. Zo blijft je aalmoes in het verborgene, en jullie Vader, die in het verborgene ziet, zal je ervoor belonen.
En wanneer jullie bidden, doe dan niet als de huichelaars die graag in de synagoge en op elke straathoek staan te bidden, zodat iedereen hen ziet. Ik verzeker jullie: zij hebben hun loon al ontvangen. Maar als jullie bidden, trek je dan in je huis terug, sluit de deur en bid tot je Vader, die in het verborgene is. En jullie Vader, die in het verborgene ziet, zal je ervoor belonen.
Wanneer jullie vasten, zet dan niet zo’n somber gezicht als de huichelaars, want zij doen dat om iedereen te laten zien dat ze aan het vasten zijn. Ik verzeker jullie: zij hebben hun loon al ontvangen. Maar als jullie vasten, was dan je gezicht en wrijf je hoofd in met olie, zodat niemand ziet dat je aan het vasten bent, alleen je Vader, die in het verborgene is. En jullie Vader, die in het verborgene ziet, zal je ervoor belonen.

Van Woord naar leven

Vandaag lezen we uit de tweede brief van Paulus aan de christenen van Korinte: ‘Als Gods medewerkers sporen wij u aan: laat de goedheid die Hij u bewijst niet tevergeefs zijn.’

Lieve mensen,
de vastenperiode is een tijd van oproep, een tijd van bekering, een tijd van genade, een tijd van gods-ontmoeting. Het is een tijd ons gegeven om God beter te leren kennen. Om deze godsontmoeting vruchtbaar te laten zijn moeten we twee dingen doen: naar onszelf kijken, én naar God.

Naar onszelf kijken om te zien waar we bekering nodig hebben. Onszelf op de borst kloppen… mea culpa, mea culpa, mea culpa. Af en toe kan dat geen kwaad. Want hoe we ons leven ook draaien of keren: soms hebben we schuld aan bepaalde dingen, heel persoonlijke schuld. We kunnen allerlei redenen aanhalen waarom we dit of dat mispeuterd hebben … maar dikwijls hebben we fouten gemaakt, en zijn wij persoonlijk en alleen wij daar verantwoordelijk voor. Die dingen gebeuren. Niet goed te keuren, maar gedane zaken nemen geen keer.

Kijken naar onszelf, maar dus ook kijken naar God. Dat is belangrijk, en nodig.
Wie het klaarspeelt (en ook een zondaar kan dit !) God recht in de ogen te zien, zal een God ontmoeten die de zondaar bemint; niet de zonde, wel de zondaar. En dit omdat – bij wijze van spreken – God een jaloerse God is. Hij kan het niet verdragen dat een mens naar afgoden loopt, dat mensen het kwaad meer beminnen dan Hem. Hij zal alles in het werk stellen om de zondaar weer tot Hem te brengen. Elk woord uit de evangelies getuigen van dit godskenmerk.

Hij heeft zijn Zoon naar de wereld gezonden, niet om de mens te veroordelen, wel om hem te redden. God heeft in Jezus zijn barmhartigheid getoond, zijn liefde voor allen. In Jezus komt Hij persoonlijk naar ieder van ons toe om ons ten diepste aan te raken, te genezen van onze duisternis, om ons te brengen in zijn licht, zijn vrede, zijn liefde, opdat wij in staat zouden zijn zijn liefde te worden, zijn vrede uit te dragen, vergeving te schenken, verzoening te brengen.

God is zo door en door goed. Hij is de goedheid zelf. Laat de goedheid die Hij ons bewijst niet tevergeefs zijn.
Geef Hem de kans dat Hij ook u komt aanraken, komt helen, in zich opneemt.

Laten we dit samen doen, ons bewust zijnde dat God ons tot gemeenschap wil maken in Hem.

Laten we elkaar dragen in gebed.

Een genadevolle vastentijd voor ieder van u.

kris

Reageren, je eigen woordje plaatsen, of uitwisselen over de overweging,
kan via de blog Van Woord naar leven.
Laat ons bidden

Maria,
graag wijden we deze vastentijd toe aan U. Ga met ons mee tot in de woestijn van ons hart en help ons leeg te worden van ons eigen ik om Gods Geest te kunnen ontvangen die ons in staat zal stellen ons ten volle te keren naar Hem, God, onze Vader, van Aangezicht tot aangezicht, van Hart tot hart. Dat deze vastentijd een tijd mag zijn van diepe genade voor onszelf, de kerkgemeenschap, de hele mensheid.
In Christus’ naam, amen.