Lezingen van de dag – woensdag 10 febr. 2016


Heilige (of feest) van de dag

Scholastica van Monte cassino († ca 543)scholastica-web-209x300

Scholastica van Monte Cassino, Italië & Juvigny-sur-Loison, Frankrijk; kluizenares

Zij zou een zus geweest zijn – volgens sommigen zelfs de tweelingzus – van Sint Benedictus († 547; feest 11 juli), de grondlegger van het westerse monnikendom, en stichter van de Benedictijner kloosterorde. Scholastica wordt beschouwd als de eerste benedictines.

Zij en haar broer werden geboren rond het jaar 480 in een rijke familie te Nurcia in de Italiaanse landstreek Umbrië. Volgens de bronnen zou hun moeder tijdens de bevalling bezweken zijn. De twee kinderen hielden dolveel van elkaar en trokken overal samen op tot het moment aanbrak dat Benedictus naar Rome ging om er zijn studies voort te zetten.

Reeds als klein meisje was Scholastica aan God toegewijd. Zodra zij kon, zocht zij de nabijheid van haar broer weer op. Aanvankelijk was zij naar een vrouwenklooster gegaan in de buurt van Subiaco; want daar was Benedictus zijn leven als monnik in de eenzaamheid begonnen. Later, toen Benedictus verhuisde naar de Monte Cassino, trok zij zich niet ver daar vandaan in de eenzaamheid terug. Eenmaal per jaar zocht ze haar broer op en voerde met hem een geestelijk gesprek. Daartoe verlieten ze beiden hun verblijfplaats en ontmoetten elkaar in het gastenkwartier van het nabijgelegen kloostergebouw. Ze spraken enkele uren met elkaar, genoten samen het uiterst sobere avondmaal en na de gebeden ging elk weer terug naar zijn of haar eigen plek.

Bij gelegenheid van wat later hun laatste gesprek zou blijken te zijn, uitte Scholastica bij het vallen van de avond haar verlangen, dat ze de hele nacht samen in gesprek en gebed zouden doorbrengen. Maar haar broer wilde liever naar zijn klooster terug. Zo had hij het zelf in zijn Regel aan zijn onderdanen bevolen. Door niets liet hij zich vermurwen. Het gaf trouwens geen pas dat een monnik en een kluizenares in elkaars nabijheid de nacht doorbrachten, al was het dan ook om te bidden en geestelijke gesprekken te voeren. Benedictus had op dit punt in zijn leven al moeilijke strijd moeten leveren. Daar wilde hij trouw aan blijven.

Maar Scholastica hield aan. Toen zij merkte dat Benedictus geen krimp gaf, bad zij de hemel om hulp. Op datzelfde moment barste er zulk een onstuimig noodweer los dat het werkelijk onmogelijk was om zich daarin te begeven. Benedictus was verbijsterd: “Moge God je vergeven, maar wat heb je gedaan, mijn zusje?”

“Toen jij niet wou luisteren, heb ik God mijn wens voorgelegd. Hij luistert wel, want je kunt met geen mogelijkheid naar huis.”

De volgende morgen keerde elk terug naar de eigen verblijfplaats. Drie dagen nadien zag Benedictus door het venstertje van zijn hut een sneeuwwitte duif ten hemel vliegen, en hij besefte dat dit een teken was, dat zijn zuster was gestorven en dat haar smetteloze ziel opging naar God.

Hij liet haar in zijn kloostergemeenschap begraven, en bepaalde dat hij straks in hetzelfde graf zou worden bijgezet, want hij wilde niet dat de dood hen van elkaar zou scheiden.

Zij is patrones van de benedictinessen. Haar voorspraak wordt ingeroepen tegen regen, onweer en blikseminslag.

Zij wordt afgebeeld in het zwarte ordeskleed van de benedictinessen, met het regelboek bij zich, en in gezelschap van een duif (herinnering aan het visioen van Benedictus waarin hem de dood van zijn zus werd geopenbaard). Vaak wordt het gesprek afgebeeld dat broer en zus, Benedictus en Scholastica, samen hadden.

ASWOENSDAG


Zich het hoofd bedekken met as en vasten zijn in deimages Bijbel tekens van boete. De zondaar drukt er zijn berouw door uit en vraagt er Gods barmhartigheid door. Hij wil zich bekeren om God en zijn naaste terug meer te beminnen. Als wij ons as laten opleggen bij het begin van de vastentijd erkennen wij dat ook wij zondaars zijn. Wij vragen God vergiffenis en bidden om de gave van bekering.

 

Uit de profeet Joël 2, 12-18

Bekering tot God moet altijd gemeend zijn. De profeet Joël ziet dit als levensnoodzakelijk. Om echt te zijn zal deze bekering ook uitgedrukt worden in een vastenritueel en in liturgische gebedsvormen. Niemand kan zich daarvan ontslagen achten. Dan kan men ook op Gods vergeving vertrouwen.

Zo spreekt God de Heer:
‘Keer nu terug tot mij met heel je hart en begin te vasten, te treuren en te rouwen. Niet je kleren moet je scheuren, maar je hart. Keer terug tot de Heer, jullie God, want Hij is genadig en liefdevol, geduldig en trouw, en tot vergeving bereid.’
Misschien herroept Hij zijn vonnis, komt Hij erop terug en laat Hij toch iets van zijn zegen over, zodat jullie weer graan en wijn kunnen offeren aan de Heer, jullie God.
Blaas de ramshoorn op de Sion, kondig een vastentijd af en roep op tot een plechtige samenkomst.
Breng het volk bijeen, laat heel Israël zich reinigen. Breng de oude mensen tezamen, verzamel de kinderen, ook de kleintjes aan de borst. Laat de bruidegom opstaan van het bruidsbed, laat zijn bruid het slaapvertrek verlaten.
Priesters, dienaren van de Heer, hef een smeekbede aan in de tempel, tussen altaar en voorhal: ‘Ach Heer, spaar uw volk, uw eigendom, geef het niet prijs aan spot en hoon van andere volken. Waarom zouden zij mogen schimpen: “En waar is nu hun God?”’
Dan zal de Heer het opnemen voor zijn land en zich ontfermen over zijn volk.

 

Psalm 51, 3-6a + 12-14 + 17

Refr.: Schep, o God, een zuiver hart in mij.

Wees mij genadig, God, in uw trouw,
U bent vol erbarmen, doe mijn daden teniet,
was mij schoon van alle schuld, 8c2da01e89b7383cc1506148b331c343
reinig mij van mijn zonden.

Ik ken mijn wandaden,
ik ben mij steeds van mijn zonden bewust,
tegen U, tegen U alleen heb ik gezondigd,
ik heb gedaan wat slecht is in uw ogen.

Schep, o God, een zuiver hart in mij,
vernieuw mijn geest, maak mij standvastig,
verban mij niet uit uw nabijheid,
neem uw heilige geest niet van mij weg.

Red mij, geef mij de vreugde van vroeger,
de kracht van een sterke geest.
Ontsluit mijn lippen, Heer,
en mijn mond zal uw lof verkondigen.

 

Uit de tweede brief van Paulus aan de Korintiërs 5, 20 – 6, 2

Zoals de Vader Christus zendt om de wereld met Hem te verzoenen, zo zendt Christus de apostelen om de christenen Gods genade te brengen. Paulus hoopt dat zij de oproep niet te vergeefs ontvangen.

Broeders en zusters,
wij zijn gezanten van Christus, God doet door ons zijn oproep. Namens Christus vragen wij: laat u met God verzoenen.
God heeft Hem die de zonde niet kende voor ons één gemaakt met de zonde, zodat wij door Hem rechtvaardig voor God konden worden.
Als Gods medewerkers sporen wij u dan ook aan: laat de goedheid die Hij u bewijst niet tevergeefs zijn.
God zegt: ‘Wanneer de tijd daarvoor gekomen is, luister Ik naar je, op de dag van de redding help Ik je.’
Nu is de tijd daarvoor gekomen, nu is de dag van de redding.

 

Uit het evangelie volgens Matteüs 6, 1-6 + 16-18

Matteüs brengt een aanvulling op de leer van de profeet Joël. Hij benadrukt de waarachtigheid van onze persoonlijke verhouding met God. Hij beklemtoont daarom drie fundamentele vormen: vasten, aalmoezen en gebed. Hierin moeten wij onze kinderlijke gehoorzaamheid uitdrukken tegenover de wil van de Vader, zoals dit vervat ligt in zijn geboden. Schijnheilig willen behagen aan de mensen moet de christen vermijden.

Jezus zei tot zijn leerlingen:
‘Let op dat jullie de gerechtigheid niet beoefenen voor de ogen van de mensen, alleen om door hen gezien te worden. Dan beloont jullie Vader in de hemel je niet.
Dus wanneer je aalmoezen geeft, bazuin dat dan niet rond, zoals de huichelaars doen in de synagoge en op straat om door de mensen geprezen te worden. Ik verzeker jullie: zij hebben hun loon al ontvangen. Maar als je aalmoezen geeft, laat dan je linkerhand niet weten wat je rechterhand doet. Zo blijft je aalmoes in het verborgene, en jullie Vader, die in het verborgene ziet, zal je ervoor belonen.
En wanneer jullie bidden, doe dan niet als de huichelaars die graag in de synagoge en op elke straathoek staan te bidden, zodat iedereen hen ziet. Ik verzeker jullie: zij hebben hun loon al ontvangen. Maar als jullie bidden, trek je dan in je huis terug, sluit de deur en bid tot je Vader, die in het verborgene is. En jullie Vader, die in het verborgene ziet, zal je ervoor belonen.
Wanneer jullie vasten, zet dan niet zo’n somber gezicht als de huichelaars, want zij doen dat om iedereen te laten zien dat ze aan het vasten zijn. Ik verzeker jullie: zij hebben hun loon al ontvangen. Maar als jullie vasten, was dan je gezicht en wrijf je hoofd in met olie, zodat niemand ziet dat je aan het vasten bent, alleen je Vader, die in het verborgene is. En jullie Vader, die in het verborgene ziet, zal je ervoor belonen.

Van Woord naar leven

Vandaag lezen we uit de tweede brief van Paulus aan de christenen van Korinte: ‘Als Gods medewerkers sporen wij u aan: laat de goedheid die Hij u bewijst niet tevergeefs zijn.’

Lieve mensen,

de vastenperiode is een tijd van oproep, een tijd van bekering, een tijd van genade, een tijd van gods-ontmoeting. Het is een tijd ons gegeven om God beter te leren kennen. Om deze godsontmoeting vruchtbaar te laten zijn moeten we twee dingen doen: naar onszelf kijken, én naar God.

Naar onszelf kijken om te zien waar we bekering nodig hebben. Onszelf op de borst kloppen… mea culpa, mea culpa, mea culpa. Af en toe kan dat geen kwaad. Want hoe we ons leven ook draaien of keren: soms hebben we schuld aan bepaalde dingen, heel persoonlijke schuld. We kunnen allerlei redenen aanhalen waarom we dit of dat mispeuterd hebben… maar in wezen hebben wij fouten gemaakt, en zijn wij persoonlijk en alleen wij daar verantwoordelijk voor. Die dingen gebeuren. Niet goed te keuren, maar gedane zaken nemen geen keer.

Kijken naar onszelf, maar dus ook kijken naar God. Dat is belangrijk, en nodig.
Wie het klaarspeelt (en ook een zondaar kan dit !) God recht in de ogen te zien, zal een God ontmoeten die de zondaar bemint; niet de zonde, wel de zondaar. En dit omdat – bij wijze van spreken – God een jaloerse God is. Hij kan het niet verdragen dat een mens naar afgoden loopt, dat mensen het kwaad meer beminnen dan Hem. Hij zal alles in het werk stellen om de zondaar weer tot Hem te brengen. Elk woord uit de evangelies getuigen van dit godskenmerk.

Hij heeft zijn Zoon naar de wereld gezonden, niet om de mens te veroordelen, wel om hem te redden. God heeft in Jezus zijn barmhartigheid getoond, zijn liefde voor allen. In Jezus komt Hij persoonlijk naar ieder van ons toe om ons ten diepste aan te raken, te genezen van onze duisternis, om ons te brengen in zijn licht, zijn vrede, zijn liefde, opdat wij in staat zouden zijn zijn liefde te worden, zijn vrede uit te dragen, vergeving te schenken, verzoening te brengen.

God is zo door en door goed. Hij is de goedheid zelf. Laat de goedheid die Hij ons bewijst niet tevergeefs zijn.
Geef Hem de kans dat Hij ook jou komt aanraken, komt helen, in zich opneemt.

Laten we dit samen doen, ons bewust zijnde dat God ons tot gemeenschap wil maken in Hem.
Laten we elkaar dragen in ons gebed voor ieder.

kris

Reageren, je eigen woordje plaatsen, of uitwisselen over de overweging,
kan via de blog Van Woord naar leven.

Laat ons bidden

Maria,1d371d45f6f319924ac698cfc6388b1e
graag wijden we deze vastentijd toe aan U. Ga met ons mee tot in de woestijn van ons hart en help ons leeg te worden van ons eigen ik om Gods Geest te kunnen ontvangen die ons in staat zal stellen ons ten volle te keren naar Hem, God, onze Vader, van Aangezicht tot aangezicht, van Hart tot hart. Dat deze vastentijd een tijd mag zijn van diepe genade voor onszelf, de Kerk en de hele samenleving. In Christus’ naam, amen.