Lezingen van de dag – woensdag 10 januari 2018


Heilige (of feest) van de dag

Paulus Komelski (+ 1429)

Paulus Komelski (ook van Kamenz), Komleskiwoud, Rusland; kluizenaar & stichter

Hij werd in 1317 geboren. Op 22-jarige leeftijd ontvluchtte hij het huwelijk dat thuis voor hem werd gearrangeerd en trad toe tot de monniken van het ver afgelegen Poestinia aan de Wolga. Vervolgens voegde hij zich bij Sint Sergius van Radonezj († 1392; feest 25 september), en trok zich met diens toestemming terug in een kluis. Desondanks kreeg hij daar herhaaldelijk bezoek van de medebroeders. Dat stoorde hem zo dat hij zich nog verder terugtrok en zich op een zeer eenzame plek vestigde in het Komelskiwoud en een holle lindeboom als woning koos. Toch wisten ook hier de godzoekers hem te vinden. Hij richtte een leefgemeenschap voor ze in en benoemde zijn leerling Alexius tot abt. Zelf vertoonde hij zich een keer per week in het weekend om instructie te geven en om zijn broeders te bevestigen in de door hen gekozen Leefregel van Sint Pachomius († ca 400; feest 14 mei). Uiteindelijk stierf hij op 129-jarige leeftijd.

woensdag in week 1 door het jaar


Uit het eerste boek Samuël 3, 1-10 + 19-20

Iedere roeping is Gods werk. Zo ook met de roeping van Samuël. Van de geroepene wordt bereidheid gevraagd. Wie bereid is te luisteren en ‘ja’ te zeggen kan met recht spreken dat hij optreedt in naam van de Heer, als zijn woordvoerder. Zo zal hij de tekenen van de tijd kunnen lezen in het perspectief van Gods plannen.

De jonge Samuël diende de Heer, onder de hoede van Eli.
Er klonken in die tijd zelden woorden van de Heer en er braken geen visioenen door.
Op zekere nacht lag Eli op zijn slaapplaats. Zijn ogen waren dof geworden, hij kon bijna niet meer zien. Samuël lag te slapen in het heiligdom van de Heer, bij de ark van God. De godslamp was bijna uitgedoofd.
Toen riep de Heer Samuël. ‘Ja’, antwoordde Samuël.
Hij liep snel naar Eli toe en zei: ‘Hier ben ik. U hebt me toch geroepen?’
Maar Eli antwoordde: ‘Ik heb je niet geroepen. Ga maar slapen.’
Toen Samuël weer lag te slapen, riep de Heer hem opnieuw. Samuël stond op, ging naar Eli en zei: ‘Hier ben ik. U hebt me toch geroepen?’
Maar Eli antwoordde: ‘Ik heb je niet geroepen, mijn jongen. Ga maar weer slapen.’
Samuël had de Heer nog niet leren kennen, want de Heer had zich niet eerder aan hem bekendgemaakt door het woord tot hem te richten.
Opnieuw riep de Heer Samuël, voor de derde keer. Samuël stond op, ging naar Eli en zei: ‘Hier ben ik. U hebt me toch geroepen?’
Toen begreep Eli dat het de Heer was die de jongen riep.
Hij zei tegen Samuël: ‘Ga maar weer slapen. Wanneer je wordt geroepen, moet je antwoorden: “Spreek, Heer, uw dienaar luistert.”’
Samuël legde zich weer te slapen, en de Heer kwam bij hem staan en riep net als de voorgaande keren: ‘Samuël! Samuël!’
En Samuël antwoordde: ‘Spreek, uw dienaar luistert.’
Samuël groeide op. De Heer stond hem bij en bracht alles in vervulling wat Hij had voorzegd. Daardoor kwam iedereen in Israël, van Dan tot Berseba, tot de erkenning dat Samuël door de Heer als profeet was aangewezen.

 

Psalm 40, 2 + 5 + 7 + 8 + 9 + 10

Refr.: Ja, ik kom, Heer, om uw wil te doen.

Vol verlangen heb ik op de Heer gewacht
en Hij boog zich naar mij toe,
Hij heeft mijn roep om hulp gehoord.

Gelukkig de mens die vertrouwt op de Heer
en zich niet keert tot hoogmoedigen,
tot hen die verstrikt zijn in leugens.

Offers en gaven verlangt U niet,
brand– en reinigingsoffers vraagt U niet.
Nee, U hebt mijn oren voor U geopend;

Nu kan ik zeggen: Hier ben ik,
over mij is in de boekrol geschreven.
Uw wil te doen, mijn God, verlang ik,
diep in mij koester ik uw wet.

Wanneer het volk bijeen is,
spreek ik over uw rechtvaardigheid,
ik houd mijn lippen niet gesloten,
U weet het, Heer.

 

Uit het evangelie volgens Marcus 1, 29-39

Jezus wil geen slachtoffer worden van misverstanden. Velen, die aan allerhande ziekten leden, werden door Hem genezen. Daardoor werden heel wat mensen belust op wonderwerken en nieuwe mirakelen. Hij ontvlucht hen en gaat op zoek naar andere mensen, die Hij de Blijde Boodschap écht kan brengen.

Toen Jezus, Jakobus en Johannes uit de synagoge kwamen, gingen ze rechtstreeks naar het huis van Simon en Andreas..
Simons schoonmoeder lag met koorts in bed, en ze spraken met Jezus over haar.
Hij ging naar haar toe, pakte haar hand vast en hielp haar overeind. Toen verliet de koorts haar, en ze begon voor hen te zorgen.
‘s Avonds laat, toen de zon al was ondergegaan, brachten de mensen alle zieken en bezetenen naar Hem toe; alle inwoners van de stad hadden zich bij de deur van het huis verzameld.
Hij genas vele zieken van allerlei kwalen en Hij dreef veel demonen uit, maar stond ze niet toe om iets te zeggen, want ze wisten wie Hij was.
Vroeg in de ochtend, toen het nog helemaal donker was, stond Hij op, ging naar buiten en liep naar een eenzame plek om daar te bidden.
Maar Simon en de anderen die bij Hem waren, gingen Hem vlug achterna, en toen ze Hem gevonden hadden zeiden ze tegen Hem: ‘Iedereen is naar U op zoek!’
Toen zei Hij: ‘Laten we ergens anders heen gaan, naar de dorpen hier in de omtrek, zodat Ik ook daar het goede nieuws kan brengen. Daarvoor ben Ik immers op weg gegaan.’
In heel Galilea bracht Hij het nieuws in de synagogen en dreef Hij demonen uit.

Van Woord naar leven

Het moet fantastisch geweest zijn om te zien hoe Jezus wonderen deed, hoe Hij mensen genas van hun lichamelijke kwalen, hoe Hij vergeving schonk in Gods naam, hoe Hij de mensen onderwees, hoe Hij met zondaars omging, …
Maar wat velen niet wisten, beluisteren we in de volgende zin: “Vroeg in de ochtend, toen het nog helemaal donker was, stond Hij op, ging naar buiten en liep naar een eenzame plek om daar te bidden.”

Jezus had die momenten van gebed nodig. Los van eender welke mens wilde Hij, moest Hij, af en toe alléén kunnen zijn met de Vader. In het gebed trad Hij als het ware in het leven van de Vader, en nam de Vader Hem in zich op. Niet dat buiten die uitdrukkelijke gebedsmomenten de Vader meer verwijderd zou zijn van Jezus, maar schijnbaar zijn die expliciete momenten van gebed van fundamenteel belang.

Te snel wordt er gezegd dat ‘mijn gebedsleven mijn goede werken zijn’. Daar is natuurlijk iets van. Bedoeling is dat we de geest van het gebed levend houden tijdens onze bezigheden. Maar het zogenaamd ‘uitdrukkelijk gebed’ gaat vooraf aan het ‘biddend in het leven staan’.

Het is zoals de eerste twee geboden, waarvan de Heer zegt dat ze één zijn: ‘Bemin God bovenal, en uw naaste als uzelf.’ Deze geboden zijn dus één, en toch dragen ze een zekere hiërarchie in zich. Wij kunnen maar onze naaste en onszelf écht beminnen als we ook God beminnen. We beminnen onszelf en de ander vanuit de inwoning van God.
Zo is het ook met het gebed. Het expliciete gebed en het ‘gebed in het leven’ zijn één, doch zit er een hiërarchie in verborgen. Wij kunnen maar écht biddend in het leven staan, wanneer wij het ‘uitdrukkelijk gebed’ onderhouden.

Moeder Theresa wordt dikwijls geprezen om haar goede werken. Maar vele vergeten dat zij iedere ochtend voor zij de straat opging al meer dan twee uur op haan knieën zat voor het Heilig Sacrament.

kris

Reageren, je eigen woordje plaatsen, of uitwisselen over de overweging,
kan via de blog Van Woord naar leven.
Laat ons bidden

Goede God,
schenk ons uw Geest
opdat wij de moed, de discipline
en vooral de liefde mogen hebben
U dagelijks te mogen ontmoeten in het gebed.
Geef dat wij vanuit dit feest
biddend in het leven mogen staan,
U dragend, U uitdragend,
in eenheid met Jezus,
uw Zoon, onze Broeder en Heer.
Amen.