Lezingen van de dag – woensdag 10 mei 2017


Heilige (of feest) van de dag

Damiaan de Veuster (+ 1889)

Damiaan de Veuster (geboren Jozef de Veuster) ss.cc., Molokai; missionaris

Jozef de Veuster werd op 3 januari 1840 geboren in het Belgische plaatsje Tremelo. Op dat moment heerste er hongersnood in Vlaanderen, omdat de oogsten mislukt waren. In het gezin was hij de zevende van acht kinderen. Vanaf zijn dertiende werkte hij mee op de boerderij. In die tijd trad zijn broer August in bij de Paters van de Heilige Harten (ook wel Picpus genoemd, naar de straat in Parijs waar het moederhuis staat); hij kreeg als kloosternaam Pamfilus, meestal vertrouwelijk Pamfiel genoemd. Vijf jaar later volgde Jozef zijn voorbeeld en kreeg de kloosternaam Damianus, kortweg Damiaan. Omdat hij geen Latijn en Grieks kende diende hij als werkbroeder in Leuven. Maar in de vrije uurtjes gaf Pamfiel hem bijles zodat hij na enige tijd toch toegelaten kon worden tot de priesteropleiding. Op 7 oktober 1860 legde hij in Parijs zijn kloostergeloften af.

In 1863 besloot de Congregatie de Hawaï-eilanden als missiegebied aan te nemen. Een van de zes paters die met een aantal zusters zouden worden uitgezonden, was Pamfiel. Op het beslissende moment werd hij ernstig ziek. Onmiddellijk bood Damiaan zich aan om zijn plaats in te nemen. Zo vertrok hij vanuit Bremerhaven voor een boottocht van 148 dagen naar Honolulu. Op 21 mei 1864 ontving hij de priesterwijding op één van de Hawaï-Eilanden, Kohala.

Nu werkte hij als missionaris op het platteland van Hawaï tussen arme boeren. Dat kende hij nog van thuis. Hoewel hij moeite had met de taal, aardde hij goed bij zijn mensen met zijn vierkante, stugge boerenkarakter. Hier kwam hij voor het eerst in aanraking met de verwoestende ziekte melaatsheid, waarvoor geen geneesmiddel bestond en die op Hawaï snel om zich heen greep. De regering besloot dan ook al die mensen bijeen te brengen en in quarantaine te plaatsen op het afgelegen eiland Molokaï. Toen de bisschop vroeg of er paters waren die daar voor enige tijd wilden werken, boden zich er vier aan. Damiaan werd aangewezen om er als eerste heen te gaan. Alwat hij meenam was zijn brevier.

Vanaf 10 mei 1873 deelde hij het leven van de melaatsen. Onder uiterst moeilijke omstandigheden probeerde hij aan deze vergeten groep mensen de troost en hoop van het evangelie te brengen. Intussen had hij de aandacht van de wereldpers op zich gevestigd. Van overal stroomden giften toe. Na enige tijd liet hij de bisschop weten dat hij wilde blijven: zijn plaats was onder de melaatsen. Daar wilde God hem hebben.

Met zijn mensen, die door de buitenwereld waren afgeschreven, probeerde hij een menswaardig bestaan op te bouwen. Naast het geestelijk dienstwerk van het toedienen van de sacramenten, godsdienstles geven, zieken bezoeken enzovoort, zorgde hij ook voor de organisatie van materiële en maatschappelijke voorzieningen. Zo legde hij een eerbiedig kerkhof aan, richtte een schamel ziekenhuisje in, droeg zorg voor scholing en onderwijs, en stelde zelfs een heuse fanfare samen. Soms kwamen er medebroeders of zusters om hem te helpen. Daar was hij met zijn rechtlijnig karakter bepaald niet goed in. Ook met zijn kloosteroversten lag hij herhaaldelijk overhoop. Drie jaar voor zijn dood gaf hij aan waar hij zijn kracht vandaan haalde; hij schreef: “Zonder de aanwezigheid van onze goddelijke Meester in mijn kleine kapel zou ik nooit mijn lot aan dat van de melaatsen van Molokaï voor altijd kunnen verbinden.”

In 1876 groeide bij hem het vermoeden dat hijzelf was aangetast door de melaatsheid. Gaandeweg openbaarde zich inderdaad de ziekte ook bij hem en deed zijn verwoestende werk. Na een verblijf van bijna zestien jaar stierf hij temidden van zijn mensen op 15 april 1889, nog geen vijftig jaar oud. De dag daarop werd hij begraven op het door hem zelf aangelegde kerkhof.

Hij wordt vereerd als ‘De apostel van de melaatsen’.

In 1936 werden zijn relieken naar de Picpuskerk in Leuven overgebracht. In die stad staat er zelfs een standbeeld van hem. In april 1969 kreeg hij zelfs een standbeeld in het Kapitool te Washington, USA: De vijftigste Amerikaanse staat, Hawaï, had hem uitgekozen om de eilanden in de congreszaal te vertegenwoordigen. Op 4 juni 1995 werd hij door paus Johannes Paulus II zalig verklaard en op 11 oktober 2009 heilig verklaard door paus Benedictus XVI.

woensdag in de vierde paasweek


Uit de Handelingen van de Apostelen 12, 24 – 13, 5a

Wij zijn getuige van de eerste uitzending van missionarissen in de geschiedenis van de Kerk. Aanvankelijk werd het geloof verspreid door ballingen, vluchtelingen, vervolgden. Hier worden in een tijd van vrede gelovige leerlingen uitgezonden met de boodschap: Kerk heet missie, zending. Er wordt verwezen naar de noodzakelijke roeping door God zelf, en naar vasten en gebed als voorbereiding op apostolaat.

Het woord van God verspreidde zich en vond steeds meer gehoor.
Barnabas en Saulus keerden terug uit Jeruzalem na daar hun gift overhandigd te hebben. Ze namen Johannes Marcus met zich mee.
Er waren in de gemeente van Antiochië profeten en leraren, onder wie Barnabas, Simeon die Niger werd genoemd, Lucius de Cyreneeër, Manaën, een jeugdvriend van de tetrarch Herodes, en Saulus.
Op een dag, toen ze aan het vasten waren en een gebedsdienst hielden voor de Heer, zei de heilige Geest tegen hen: ‘Stel mij Barnabas en Saulus ter beschikking voor de taak die Ik hun heb toebedeeld.’
Nadat ze gevast en gebeden hadden, legden ze hun de handen op en lieten hen vertrekken.
Zo werden Barnabas en Saulus uitgezonden door de heilige Geest. Ze gingen eerst naar Seleucië en van daar per schip naar Cyprus, waar ze aankwamen in Salamis. Daar verkondigden ze Gods boodschap in de synagogen van de Joden.

 

Psalm 67, 2 + 3 +5 + 6 + 8

Refr.: Dat alle volken U loven, God.

God, wees ons genadig en zegen ons,
laat het licht van uw gelaat over ons schijnen.

Dan zal men op aarde uw weg leren kennen,
in heel de wereld uw reddende kracht.

Laten de naties juichen van vreugde,
want U bestuurt de volken rechtvaardig
en regeert over de landen op aarde.

Dat de volken U loven, God,
dat alle volken U loven.

Moge God ons blijven zegenen,
zodat men ontzag voor Hem heeft
tot aan de einden der aarde.

 

Uit het evangelie volgens Johannes 12, 44-50

Christus is licht, vreugde, leven. Hij veroordeelt niet maar brengt liefde en verlossing. Zijn boodschap brengt leven en geen dood.

Jezus verklaarde met luide stem:
‘Wie in mij gelooft, gelooft niet in mij, maar in Hem die mij gezonden heeft, en wie mij ziet, ziet Hem die mij gezonden heeft.
Ik ben het licht dat naar de wereld is gekomen, opdat iedereen die in mij gelooft niet meer in de duisternis is.
Als iemand mijn woorden hoort maar ze niet bewaart, zal Ik niet over hem oordelen. Ik ben immers niet gekomen om over de wereld te oordelen, maar om de wereld te redden.
Wie mij afwijst en mijn woorden niet aanneemt heeft al een rechter: alles wat Ik gezegd heb zal op de laatste dag over hem oordelen.
Ik heb niet namens mezelf gesproken, maar de Vader die mij gezonden heeft, heeft me opgedragen wat Ik moest zeggen en hoe Ik moest spreken.
Ik weet dat zijn opdracht eeuwig leven betekent.
Alles wat Ik zeg, zeg Ik zoals de Vader het mij verteld heeft.’

Van Woord naar leven

Jezus zegt ons vandaag: ‘Ik ben het licht dat naar de wereld is gekomen, opdat iedereen die in mij gelooft niet meer in de duisternis is.’

Jezus is het licht dat door de Vader naar de wereld gezonden is. Wie in Hem gelooft, wie zich aan Hem geeft, leeft en beweegt in dit licht. Hij ziet de wereld en God vanuit en in dit licht. Hij weet zich verlost van elke vorm van duisternis opdat hij zich weet opgenomen door het licht, door Christus zelf.

Dit is voor de mens echter geen wit-zwart gebeuren. Hoewel hij ten diepste verlost is, zal hij moeten toegroeien naar dit licht, met veel vallen en telkens weer opgericht worden, door bereid te zijn te sterven in Christus, door zich toe te vertrouwen aan zijn leven in ons.

Christus zelf is daarbij onze hulp. Hij komt onze duisternis tegemoet om haar aan te raken, om haar om te buigen naar Gods licht.

Aan ons Hem welkom te heten. Je kan Hem namelijk ook afwijzen, Hem niet toelaten. En zo blijf je vastzitten in je duisternis.

Laten we Jezus ten diepste welkom heten; Hij die door zijn aanraking aan ons, ons ten volle wilt genezen van welke duisternis ook.

Kom, lieve mensen, laten we Gods licht, Christus zelf, van harte ontvangen, om werkelijk kinderen van God te worden, kinderen van het licht; ja, Gods licht doorgevend aan allen die Hij op ons levenspad brengt, en allen waarvoor wij dagelijks bidden.

kris

Reageren, je eigen woordje plaatsen, of uitwisselen over de overweging,
kan via de blog Van Woord naar leven.
Laat ons bidden

Heer,
licht voor elke mens,
verlicht al wat duister is in ons
en keer het om naar U.
Opdat Gij door ons heen
uw goedheid moogt stralen
naar allen die wij ontmoeten.
Amen.