Lezingen van de dag – woensdag 10 okt 2018


Heilige (of feest) van de dag

Maria Angela Truszkowski († 1899)

Maria Angela (gedoopt Sofia Camilla) Truszkowski, Polen; ofm.ter. & stichteres

Zij werd geboren op 16 mei 1825 en bleek een kind met een zwakke, breekbare gezondheid. Misschien kwam het wel daardoor dat zij zich aangetrokken voelde tot mensen die het slecht getroffen hadden. Ze richtte een soort opvangcentrumpje in waar ze armekinderen opving. Ze trad toe tot de Derde Orde van Franciscus.

Het centrumpje stond ook open voor daklozen, zwervers, gehandicapten, zieken en bejaarden die met hun ziel onder de arm rondliepen. Al gauw stond het bekend als het ‘Instituut van juffrouw Truszkowska’. Andere jonge vrouwen sloten zich bij haar aan; uiteindelijk groeide het uit tot een heuse zustercongregatie: de Congregatie van de Zusters van de Heilige Felix van Cantalice, de zogeheten Felicianerinnen.

Maar de vreugde daarover duurde niet lang. Want Polen viel indertijd onder het regime van de Russische tsaren, en die waren vierkant tegen inmenging van Rooms-Katholieken. Religieuze groepringen werden verboden, dus ook de jonge congregatie van Zuster Maria Angela, zoals Sofia zich nu noemde. De zusters gingen verspreid wonen, maar hielden door Maria’s inspanningen onderling contact. De zusters bleven hun werken van naastenliefde uitoefenen, maar clandestien.

Toen in 1865 Oostenrijk de macht kreeg in Polen, kregen zij toestemming hun religieus leven weer op te pakken. Er kwam een huis waar de actieve zusters woonden, en een huis waar de zusters een contemplatief leven leidden, en zorgden voor de altijddurende aanbidding van het Heilig Sacrament. Het was vanuit dat huis dat zuster Maria Angela leiding gaf aan haar zusters. In 1869 legde zij haar functies neer. De laatste dertig jaar van haar leven heeft ze teruggetrokken in stil gebed doorgebracht.

Zij werd op 18 april 1993 door paus Johannes Paulus II zalig verklaard.

Bron: Heiligen.net

woensdag in week 27 door het jaar


Uit de brief van Paulus aan de Galaten 2, 1-2 + 7-14

Apostel voor de heidenen.

Broeders en zusters,
na verloop van veertien jaar ging ik opnieuw naar Jeruzalem, samen met Barnabas en Titus. Dat was mij in een openbaring opgedragen. In besloten kring legde ik de belangrijkste broeders het evangelie voor dat ik aan de heidenen verkondig, want ik wilde me ervan overtuigen dat mijn inspanningen, toen en nu, niet voor niets waren.
Integendeel, toen ze inzagen dat mij de verkondiging onder de heidenen was toevertrouwd, zoals aan Petrus de verkondiging onder de besnedenen – want zoals God Petrus kracht had gegeven voor zijn werk onder de Joden, zo had hij mij kracht gegeven voor mijn werk onder de onbesnedenen –, en ze dus de genade onderkenden die mij geschonken was, toen reikten Jakobus, Kefas en Johannes, die als steunpilaren golden, mij en Barnabas de broederhand: wij zouden naar de heidenen gaan, zij naar de besnedenen.
Onze enige verplichting was dat we de armen ondersteunden, en dat is ook precies waarvoor ik mij heb ingezet.
Maar toen Kefas in Antiochië was, heb ik me openlijk tegen hem verzet, want zijn gedrag was verwerpelijk. Hij at altijd met de heidenen, maar toen er afgezanten van Jakobus kwamen, trok hij zich terug en at hij apart, uit angst voor de voorstanders van de besnijdenis. De andere Joden deden met hem mee, en zelfs Barnabas liet zich meeslepen door hun huichelarij. Toen ik zag dat ze niet de rechte weg naar het ware evangelie bewandelden, zei ik tegen Kefas, in aanwezigheid van iedereen: ‘Jij bent een Jood, maar je leeft als een heiden en houdt je niet aan de Joodse gebruiken; hoe kun je dan opeens heidenen dwingen als Joden te leven?’

 

Psalm 116, 1-2

Refr.: Loof de Heer, alle volken.

Loof de Heer, alle volken,
prijs Hem, alle naties.

Zijn liefde voor ons is overstelpend,
eeuwig duurt de trouw van de Heer.

 

Uit het evangelie volgens Lucas 11, 1-4

Lucas geeft een verkorte versie van het Onze Vader. Deze tekst bevat de kern van ieder gebed en van ieder christelijk leven. Het erkent de Vader zoals Christus deed, het vraagt om zijn rijk en geeft de voornaamste voorwaarden om dit rijk te vestigen: drie wegen waarlangs wij toegang hebben tot God.

Eens was Jezus aan het bidden, en toen Hij zijn gebed beëindigd had, zei een van zijn leerlingen tegen Hem: ‘Heer, leer ons bidden, zoals ook Johannes het zijn leerlingen geleerd heeft.’
Hij zei tegen hen: ‘Wanneer jullie bidden, zeg dan: “Vader, laat uw Naam geheiligd worden en laat uw koninkrijk komen. Geef ons dagelijks het brood dat wij nodig hebben. Vergeef ons onze zonden, want ook wijzelf vergeven iedereen die ons iets schuldig is. En breng ons niet in beproeving.”’

Van Woord naar leven

Jezus leert zijn leerlingen bidden. En daarmee leert Hij ook ons, volwassenen, bidden.
Maar wie leert er onze kinderen bidden ?

Hopelijk krijgen ze dit mee van thuis uit, en horen ze er niet voor het eerst over bij een eerste communie of een godsdienstles op school. Eigenlijk is ‘aanleren’ geen goed woord wanneer het gaat over kinderen en gebed. Veel belangrijker is dat het kind ziet dat er thuis gebeden wordt, en dat het als vanzelfsprekend wordt opgenomen in het gezinsgebed. Een kind zal (wanneer het nog klein is) daar geen kritische vragen over stellen, het zal het als goed ervaren, want mama en papa doen het, en dan is het goed. Zo is een kind.
Of het nu bij het opstaan is, voor en/of na het eten, bij het slapen gaan, of wanneer ook, het is goed dat we onze kinderen opvoeden in de realiteit dat het goed is dat een christen bidt.

En als het op latere leeftijd ineens beslist om niet meer te bidden (laat een puber maar puberen), dan heeft het ten minste de herinnering dat zijn ouders baden, en dat ze dit nog doen. Die herinnering mogen we niet onderschatten. Vroeg of laat zal God hen onderdompelen in deze her-innering; zelfs zo dat het een bron wordt van genade voor die opgroeiende mens met al zijn vragen en twijfels.

We kennen het begrip erfzonde. Maar er bestaat ook zoiets als erfgenade; het goede dat wordt doorgegeven, dikwijls in stilte en verborgen. Maar God is groter in zijn genadegaven dan we doorgaan denken of geloven. Wie bidt met zijn kinderen, houdt iets in leven dat van fundamenteel belang is voor het verdere leven van zijn kind.

Uiteraard geldt dit niet enkel voor ouders. Ieder die in contact staat met kinderen draagt daarin zijn verantwoordelijkheid.
Zelfs de leiding in de jeugdbeweging. Toen ik vroeger jaarlijks mee op scoutskamp ging baden wij zingend iedere avond rond de vlaggenmast ‘Oh Heer, d’avond is neergekomen…’. Velen van ons kennen dat beslist nog. Van harte hoop ik dat de jeugdleiding van vandaag ook bidt met hun bengels. Ok, misschien op een meer hedendaagsere manier, maar zo dat het kind leert zijn handen te openen voor Hem die het leven geeft, dat er een vriend is uit de hemel die hun hart woont: Jezus die met hen meegaat, hen helpt elkaar graag te zien, hen helpt te vergeven, hen helpt goede keuzen te maken.

Daarbij niet vergetend dat het ‘goede gesprek’ met onze jongeren ook zeer belangrijk is. Spreek met hen over Jezus als de Vriend uit de hemel die in hen woont. Vertel verhalen uit de Bijbel op hun niveau opdat ze hun Vriend steeds beter leren kennen. Maak tekeningen van Jezus, zing over Hem aan tafel.

Lieve ouders, beste opvoeders, geef Jezus een plaats in het leven van de kinderen. Moge ze, mede door uw toedoen, door en door goede mensen worden, die op latere leeftijd zullen weten waarvoor ze leven, vanuit wie ze leven, wat ware liefde en trouw betekent, wat engagement wil zeggen, enz… De jeugd is de toekomst van morgen. Moge de kinderen van vandaag morgen christenen zijn die fier en blij dragers zijn van Gods Vrede, uitdragers van zijn liefde.

kris

Reageren, je eigen woordje plaatsen, of uitwisselen over de overweging,
kan via de blog Van Woord naar leven.

Laat ons bidden

Heer God,
beziel ons, volwassenen, met uw Geest van gebed, opdat we onze kinderen mogen leren bidden. Moge zij, met ons, U ontmoeten. Moge deze ontmoeting hen tot jonge mensen maken die weten waarover het leven gaat. Trek hen in uw liefde, oh Heer, versmelt hen met uw vrede, opdat ze mensen mogen worden die beeld en gelijkenis zullen zijn van U; daarom (nog) niet als heiligen, maar als mensen die U graag zien, en die met vallen en opstaan getuigen van uw liefdevolle aanwezigheid in deze wereld.
Kom heilige Geest. Amen.