Lezingen van de dag – woensdag 12 april 2017


Heilige (of feest) van de dag

Erkenbod van Sithiu († 742)

Erkenbod (ook Erkembode, Erkenbodo) van Sithiu, Frankrijk; abt & bisschop

Halverwege de 7e eeuw had Sint Audomarus († ca 670; feest 9 september) in het huidige Vlaams Picardië in Noord-West-Frankrijk klooster Sithiu gesticht. Later werd het genoemd naar de eerste abt ‘St-Bertin’; nog weer later kreeg het zijn definitieve naam ‘St-Omer’ naar de stichter Sint Audomarus. Na Bertin, Rigobert en Erlfried werd Erkenbod er in 717 tot vierde abt gekozen. Hij was een monnik uit de gemeenschap zelf. In zijn tijd kreeg het klooster steeds meer goederen geschonken, waarvan de opbrengst ten goede kwam aan de kloostergemeenschap. Bovendien verrichtte hij onvermoeibaar inspanningen om Sithiu te vrijwaren voor inmenging van vorsten, die maar al te graag bij het beheer van het klooster hun invloed wilden doen gelden.

Maar vooral ging Erkenbod zijn monniken op voorbeeldige wijze voor in een leven van gebed en werk, zoals dat door de juist nieuw ingevoerde regel van Sint Benedictus († 550; feest 11 juli) werd voorgeschreven. Deze regel was in de plaats gekomen van de veel strengere regel van de vermaarde Ierse kloosterstichter Columbanus van Luxeuil († 615; feest 23 november).

De beroemde samenvatting van Benedictus’ regel ‘Bid en werk’ was revolutionair, omdat werk in die tijd alleen maar gedaan werd door slaven, lijfeigenen en onderhorigen; het hoorde bij de laagste maatschappelijke stand. Dat je deel uitmaakte van de hoger geplaatste klasse bleek juist uit het feit, dat je gevrijwaard bleef van werk. Werk was minderwaardig. Tot kloostergemeenschappen traden vrijwel alleen mensen toe uit de hogere kringen. Voor lijfeigenen was dat zonder toestemming van hun meester niet mogelijk. Zo verplichtten zich mensen uit adellijke kringen die tot het klooster toetraden, naast gebed tot werk; tot een activiteit dus, die ver beneden hun stand was. Daarin beleefden ze, dat ze als het ware lijfeigene waren in dienst van Jezus, die hen was voorgegaan in nederigheid.

In 723 werd Erkenbod ook nog benoemd tot zevende bisschop van het nabijgelegen Thérouanne. Indertijd was vooral op het platteland het heidendom nog wijd verbreid. Vol ijver zette Erkenbod zich aan zijn taak om met name daar het evangelie te brengen. Hij stichtte kloosters en kapellen en het christelijk geloof maakte een grote bloei door.

Na zo’n vijfentwintig jaar abt geweest te zijn en tien jaar bisschop, stierf hij.

Zijn levensverhaal (de ‘Vita Erkembodonis’) werd geschreven door Johannes van St-Bertin op grond van stukken hij die aantrof in het abdijarchief.

Tegenwoordig ligt Erkenbod begraven in de kerk van Notre-Dame te St-Omer, waar hij nog altijd verering geniet. Op zijn stenen sarcofaag worden tot op de dag van vandaag kinderschoentjes geplaatst door jonge moeders om hun kinderen te vrijwaren voor ernstige ziektes. Daarnaast wordt zijn voorspraak ingeroepen voor reumapatiënten.

Hij wordt afgebeeld als bisschop (tabberd, mijter, staf).

woensdag in de Goede Week


Uit de profeet Jesaja 50, 4-9a

Het derde lied van de ‘Dienaar van Jahwe’ bezingt de volharding die deze als ijverige leerling put in de steun van Jahwe. Hij mag Gods woorden vertolken, omdat hij geluisterd heeft naar de Heer. Veel moeilijkheden zal hij ondervinden. Trouw zal hij blijven. De Heer is zijn helper.

God, de Heer, gaf mij een vaardige tong, waarmee ik de moedeloze kan opbeuren.
Elke ochtend wekt hij mijn oor, zodat het toegerust is om aandachtig te horen.
God, de Heer, heeft mijn oren geopend en ik heb geen verzet geboden, ik ben niet teruggedeinsd.
Ik heb mijn rug blootgesteld aan mijn folteraars,
wie mij de baard uittrokken, bood ik mijn wangen aan. Ik heb mijn gezicht niet verborgen toen ze mij beschimpten en bespuwden.
God, de Heer, zal mij helpen, daarom word ik niet gekwetst en is mijn gezicht zo onbewogen als een rots, want ik weet dat ik niet beschaamd zal staan.
Hij die mij recht verschaft is nabij. Wie durft tegen mij een geding aan te spannen? Laten we samen voor het gerecht verschijnen. Wie is mijn tegenstander in deze zaak? Laat hij mij tegemoet treden.
God, de Heer, zal mij helpen – wie zal mij dan veroordelen?

 

Psalm 69, 8 + 9 + 10 + 21bcd-22 + 31 + 33 + 34

Refr.: Nu is het de tijd van genade.

Om U moet ik smaad verduren
en bedekt het schaamrood mijn gezicht.
Ik ben voor mijn broers een vreemde geworden,
een onbekende voor de zonen van mijn moeder.

De hartstocht voor uw huis heeft mij verteerd,
de smaad van wie U smaadt, is op mij neergekomen.
Ik hoopte op mededogen – vergeefs;
op troost – die ik niet vond.

Nee, ze mengden gif door mijn eten
en lesten mijn dorst met azijn.
De Naam van God wil ik loven met een lied,
zijn grootheid met een lofzang prijzen.

De nederigen zien het en verheugen zich,
wie God zoeken, hun hart zal opleven.
Want de Heer hoort de armen,
zijn gevangen volk verwerpt Hij niet.

 

Uit het evangelie volgens Matteüs 26, 14-25

Men is vaak het meest ontgoocheld in zijn beste vrienden. Judas pleegt verraad aan zijn vriendschap met Jezus. De andere leerlingen zijn er zich zeer goed van bewust dat ook zij nog geen echte volgelingen van Jezus zijn. ‘Ik toch niet, Heer?’, vraagt elk van hen. Jezus kiest voor de trouw aan de wil van zijn Vader.

Eén van de twaalf, die met de naam Judas Iskariot, ging naar de hogepriesters en zei: ‘Wat krijg ik van u als ik Hem aan u uitlever?’
Ze betaalden hem dertig zilverstukken.
Vanaf dat moment zocht hij een gunstige gelegenheid om Hem uit te leveren.
Op de eerste dag van het feest van het Ongedesemde brood kwamen de leerlingen naar Jezus toe en vroegen: ‘Waar wilt U dat wij voorbereidingen treffen zodat U het pesachmaal kunt eten?’
Hij zei: ‘Ga naar de stad en zeg tegen de persoon die jullie bekend is: “De meester zegt: ‘Mijn tijd is nabij, bij jou wil Ik met mijn leerlingen het pesachmaal gebruiken.’”’
De leerlingen deden wat Jezus hun had opgedragen en bereidden het pesachmaal.
Toen de avond was gevallen, lag Hij samen met de twaalf aan voor de maaltijd.
Onder het eten zei Hij tegen hen: ‘Ik verzeker jullie: een van jullie zal mij uitleveren.’
Dit bedroefde hen zeer, en de een na de ander vroegen ze hem: ‘Ik toch niet, Heer?’
Hij antwoordde: ‘Hij die samen met mij zijn brood in de kom doopte, die zal mij uitleveren. De Mensenzoon zal heengaan zoals over Hem geschreven staat, maar wee de mens door wie de Mensenzoon uitgeleverd wordt: het zou beter voor hem zijn als hij nooit geboren was.’
Toen zei Judas, die Hem zou uitleveren: ‘Ik ben het toch niet, rabbi?’
Jezus antwoordde: ‘Jij zegt het.’

Van Woord naar leven

Op een van de grootste momenten uit de geschiedenis, daar waar Jezus zichzelf zal schenken in brood en wijn, is het kwaad op z’n sterkst aanwezig.
De Heer, en de duivel in Judas… samen aan dezelfde tafel. De Heer, een en al liefde… en Judas, bezeten van zijn boze bedoelingen.

Waar christelijke liefde is, is de duivel nooit ver af. Dat deze laatste mee aan tafel zit, dwingt ons steeds op de hoede te zijn en de houding van innerlijke onthechting aan te nemen.

Naar woorden van Adrienne von Speyr

Reageren, je eigen woordje plaatsen, of uitwisselen over de overweging,
kan via de blog Van Woord naar leven.
Laat ons bidden

Heer,
trek ons in uw liefde, steeds meer, steeds dieper, steeds intiemer. Schenk ons tegelijkertijd een waakzaam hart, want het kwade ligt steeds op de loer, zeker wanneer wij ons aan U schenken.
Kom, Heer Jezus, kom. Amen.