Lezingen van de dag – woensdag 17 januari 2018


Heilige (of feest) van de dag

Antonius Abt († ca 356)

Antonius Abt (ook van Egypte, de Grote, de Kluizenaar, van Schotland, van de Thebaïs of met het Varken), Thebaïs, Egypte; woestijnvader & abt; † ca 356

Antonius werd rond 251 geboren in de Egyptische plaats Koma (nu: Qiman el-Ar, Midden-Egypte). Zijn levensverhaal is opgetekend door zijn leerling Sint Athanasius de Grote († 373; feest 2 mei). Deze vertelt dat Antonius zich rond 310 naar Alexandrië begaf om zich als christen bekend te maken, met de bedoeling de marteldood te ondergaan. Het was immers de tijd van de christenvervolgingen onder keizer Maximinus Daia (305-313). Maar deze liet hem ongemoeid.
Teruggekeerd “beoefende hij een nog strengere ascese en onderging hij het martelaarschap naar de geest”. Immers vanaf zijn 20e jaar leefde hij als kluizenaar. Dat kwam omdat hij als welgestelde jongeman eens in de kerk de evangelietekst hoorde voorlezen: “Als je volmaakt wilt zijn, verkoop dan alles wat je bezit en volg mij” (Matteus 19,21). Antonius was zo gegrepen door die tekst, dat hij hem letterlijk in praktijk bracht en op zijn eentje de woestijn in trok.
In de afzondering nam hij slechts het allernoodzakelijkste eten tot zich; hij heeft er vreselijk te strijden gehad tegen bekoringen: duivels in de gedaante van allerlei fantastische dieren gingen hem te lijf met knuppels en roeden en soms lieten ze hem half dood liggen.
Eerst woonde hij 35 jaar lang in een rotsspelonk in de buurt van de plaats waar hij geboren was. Daarna trok hij dieper de eenzaamheid in en vestigde zich op een berg aan de overkant van de Nijl in de buurt van het huidige El-Maimum.
Daar ontdekte hij, dat er al iemand vóór hem de woestijn was ongetrokken, om God in de eenzaamheid te dienen en te zoeken: Sint Paulus van Thebe († 342; feest 15 januari). Over die ontmoeting bestaat een mooie legende.

Negentig jaar lang had Sint Paulus de Woestijnvader in de eenzaamheid van de woestijn doorgebracht. Zijn enige bezigheid was bidden. Zijn enige gezelschap werd gevormd door zijn raaf die hem al zestig jaar lang elke dag een halfje brood bracht, en door de wilde dieren die hun schuilplaats met hem deelden. Toen hoorde hij opeens iemand van buiten zijn grot vragen om binnen te mogen komen voor een gesprek. Dat was Antonius. Hij was erachter gekomen dat er nog een ander in de woestijn leefde, die daar zelfs al eerder mee begonnen was dan hij. Sint Paulus was een nederig man. Hij maakte allerlei bezwaren, omdat hij zich niet waardig achtte om met zo’n groot man als Antonius om te gaan. Na een langdurige omhelzing, zetten zij zich toch neer om over God te praten en om samen zijn lof te zingen.
Op het uur van de maaltijd zagen de twee Paulus’ trouwe raaf aan komen vliegen. Maar deze keer had hij bij wijze van uitzondering een heel brood in de bek. “Moet je kijken, broeder, riep Paulus uit, wat worden we toch goed door God verzorgd, want Hij is het natuurlijk die ons deze maaltijd toestuurt. Al zestig jaar lang brengt deze raaf mij een half brood, en dat was meer dan genoeg voor mij. Maar nu de Heer u naar mij toe heeft gezonden, heeft Hij ter ere van u meteen het rantsoen verdubbeld!”
Na God gedankt te hebben gingen de beide heilige mannen bij de bron zitten voor hun eenvoudige maaltijd. Elk van beiden stond erop dat de ander de eer toekwam het brood te breken. Toen ze zo niet verder kwamen, besloten ze dat elk voorzichtig aan een kant van het brood zou trekken…

Hier worden in de vorm van een legende mooie dingen gezegd over gebed en een leven met God. Het maakt je respectvol jegens anderen! Zelfs als je je terugtrekt uit het gewone mensengedoe. Als je leeft met God – zo schijnt dit verhaal te suggereren – heb je aan weinig meer dan genoeg. Dat weten we ook uit het evangelie, waar Jezus met weinig broden een menigte van 5000 man wist te voeden (bv. Markus 06,30-44). Op een ander moment zei Jezus: “Zit niet in over de vraag wat je zult eten of waarmee je je zult kleden. De Vader weet wel dat je dat nodig hebt. Maar zoek eerst het Rijk van God, al het andere zal je erbij gegeven worden” (Matteus 06,25-34). Bovenstaand verhaal uit het leven van Antonius en Paulus zou je een illustratie kunnen noemen van die uitspraak van Jezus.

Eens gaf Antonius les aan drie monniken over een zeer moeilijke kwestie uit het geloof, toen juist de bejaarde abt Paulus op bezoek kwam. Deze trok zich in een hoekje terug en wachtte stil tot vader Antonius klaar zou zijn.
Antonius vroeg aan de jongste van de drie monniken hoe hij over de kwestie dacht. De jongeman ging er onmiddellijk op in; wat aan zijn kennis ontbrak, vulde hij aan met zijn vuur en enthousiasme. Toen hij uitgesproken was, bleef vader Antonius enige tijd stil, en zei toen: “Het juiste antwoord heb je nog niet gevonden.”
Toen kreeg de tweede het woord. Hij was al wat ouder, had al wat boeken gelezen en ervaring opgedaan. Hij koos geleerde woorden en formuleerde voorzichtiger. Toen hij uitgesproken was, zei vader Antonius: “Ook jij hebt het juiste antwoord nog niet gevonden.”
Tenslotte mocht de oudste van de drie een antwoord geven. Hij liet lange stiltes vallen, sprak bedachtzaam en je kon merken dat hij al veel boeken had gelezen en een lange gebedservaring achter de rug had. Toen hij was uitgesproken, merkte vader Antonius op: “Toch heb je het juiste antwoord nog niet gevonden.”
Op het moment, dat hij zijn mond opendeed om zelf iets over de zeer moeilijke geloofskwestie te zeggen, bedacht hij dat vader Paulus nog altijd in zijn hoekje zat. Hij wendde zich tot de oude abt en vroeg: “Vader Paulus, zou u er misschien iets over kunnen zeggen?” Nu bleef het geruime tijd stil. Tenslotte zei vader Paulus: “Ik weet het niet…”
Vader Antonius wendde zich tot zijn drie leerlingen en met opgestoken vinger zei hij: “Vader Paulus heeft het juiste antwoord gevonden.”

Bij een van die ontmoetingen had Antonius beloofd, dat hij de oude Paulus na zijn dood zou begraven. Toen Paulus inderdaad overleden was, trof Antonius hem nog aan in een biddende houding. Het lijk werd bewaakt door twee leeuwen, die alle roofdieren van de heilige afhielden. Op Antonius’ aanwijzing groeven zij het graf en zagen toe, hoe Antonius de man begroef. Nadat ze van hem de zegen hadden ontvangen, verdwenen ze weer in de woestijn.

Hier wordt de vrome lezer herinnerd aan een tekst van de profeet Jesaja, waarin de Messiaanse tijd wordt aangekondigd: “De wolf en het lam wonen samen; de panter vlijt zich neer naast het bokje; het kalf en de leeuw weiden samen: een kleine jongen kan ze hoeden. De koe en de berin sluiten vriendschap; hun jongen liggen bijeen. De leeuw eet haksel als het rund. De zuigeling speelt bij het hol van de adder; het kind strekt zijn hand uit naar het nest van de slang” (Jesaja 11,06-08). Het lijkt wel, of die tijd in het leven van de woestijnvaders werkelijkheid is geworden. Zij sloten vriendschap met wilde dieren. Zij maken van de woestijn een leefbare plek, een paradijs! Beroemd is de legende van Sint Hiëronymus († 420; feest 30 september), die in zijn bijbelstudie wordt gestoord door een leeuw met een doorn in zijn poot. Hiëronymus verzorgt de wond, en vanaf dat moment gedraagt het dier zich als een mak huisdier. Overigens heeft hij deze legende postuum overgenomen van Gerasimus van Palestina († ca 475; feest 5 maart).

Nadat hij twintig jaar op zijn berg had doorgebracht, trok hij naar een oase in de Egyptische woestijn, nu geheten Djzebel al-Galala el Qibliya. In deze oase werd hij bezocht door vele christenen. Van hen besloten er zo nu en dan om hun leven verder in zijn gezelschap door te brengen. Zo ontstond een dorp van kluizenaarswoningen. Hoewel hij geen gemeenschappelijke levenswijze organiseerde, gaf hij aan allen geestelijke leiding; dat is de reden waarom hij de eerste abt genoemd wordt.
Hij stierf toen hij 105 jaar oud was.

In 561 werd zijn graf ontdekt en vanaf 1491 worden zijn stoffelijke resten bewaard in de St-Julienkerk te Arles. Er bevinden zich ook relieken in de abdij St-Antoine ten westen van Grenoble.

woensdag in week 2 door het jaar


Uit het eerste boek Samuël 17, 32-33 + 37 + 40-51

David, de eenvoudige herder, behaalt de zege met zijn slinger en steen op de Filistijnse reus. In feite waren het zijn geloof en vertrouwen, die hem deze overwinning bezorgden. Zo is David nog steeds een oproep voor ons om op de Heer te vertrouwen.

David zei tegen Saul: ‘We hoeven om die Filistijn toch niet de moed te verliezen, heer. Ik zal met hem het gevecht aangaan.’
‘Maar je kunt hem toch onmogelijk aan’, wierp Saul tegen. ‘Jij bent nog maar een jongen en hij is al van jongs af aan gewend om te vechten.’
‘De Heer, die me gered heeft uit de klauwen van leeuwen en beren, zal me ook redden uit de handen van deze Filistijn.’
‘Ga dan’, zei Saul tegen David, ‘en moge de Heer je bijstaan.’
Hij pakte zijn stok, zocht vijf ronde stenen uit de rivierbedding en stopte die in zijn herderstas. Toen liep hij op de Filistijn af, zijn slinger in de hand. Met zware stappen kwam de Filistijn op David af, voorafgegaan door zijn schildknecht. Hij nam David, een knappe jongen met rossig haar, geringschattend op en zei: ‘Ben ik soms een hond, dat je met een stok op me af komt?’ En hij vervloekte David in de naam van zijn goden. ‘Kom maar op’, zei hij, ‘dan maak ik jou tot aas voor de gieren en de hyena’s.’
‘Jij daagt me uit met je zwaard en je lans en je kromzwaard’, antwoordde David, ‘maar ik daag jou uit in de naam van de Heer van de hemelse machten, de God van de gelederen van Israël, die jij hebt beschimpt. Maar vandaag zal de Heer je aan mij uitleveren: ik zal je verslaan en je hoofd afhouwen, en ik zal de lijken van de Filistijnen aan de aasgieren en de hyena’s ten prooi geven, zodat de hele wereld weet dat Israël een God heeft. Dan zal iedereen hier beseffen dat de Heer geen zwaard of lans nodig heeft om te overwinnen, want Hij is degene die de uitslag van de strijd bepaalt en Hij zal jullie aan ons uitleveren.’
Toen kwam de Filistijn op David af en wilde tot de aanval overgaan, maar David was hem te snel af. Hij rende hem tegemoet, stak zijn hand in zijn tas en haalde er een steen uit, slingerde die weg en trof de Filistijn zo hard tegen het voorhoofd dat de steen naar binnen drong en de Filistijn voorover stortte. Zo overwon David de Filistijn met een slinger en een steen; hij trof hem dodelijk zonder dat hij daar een zwaard bij nodig had.
Hij rende naar de Filistijn toe, boog zich over hem heen en trok diens zwaard uit de schede. Daarmee gaf hij hem de genadestoot en sloeg hem zijn hoofd af.
Toen de Filistijnen zagen dat hun held dood was, sloegen ze op de vlucht.

 

Psalm 144, 1 + 2 + 9 + 10

Refr.: Verheerlijken wil ik de Heer, mijn rots.

Geprezen zij de Heer, mijn rots,
die mijn handen oefent voor de strijd,
die mijn vingers schoolt voor het gevecht.

Mijn beschermer is Hij, mijn vesting,
de burcht die mij veiligheid biedt,
het schild waarachter ik schuil,
Hij die volken aan mij onderwerpt.

Ik wil een nieuw lied voor U zingen, God,
voor U spelen op de tiensnarige harp,
want U brengt koningen redding,
U hebt David, uw dienaar, bevrijd.

 

Uit het evangelie volgens Marcus 3, 1-6

De Joodse sabbatwet was tot in het kleinste detail streng uitgewerkt. Door op de sabbat te genezen wil Jezus laten zien dat het Hem op de eerste plaats gaat om de mens. Niet de uiterlijke daad is de eerste norm van goed of kwaad, maar wel de innerlijke gesteltenis waaruit zij voortkomt.

Weer ging Jezus naar de synagoge. Daar was iemand met een verschrompelde hand.
Ze letten op Hem om te zien of Hij die op sabbat zou genezen, zodat ze Hem zouden kunnen aanklagen.
Hij zei tegen de man met de verschrompelde hand: ‘Kom in het midden staan.’
Aan de anderen vroeg Hij: ‘Wat mag men op sabbat doen: goed of kwaad? Een leven redden of het vernietigen?’ Maar ze zwegen.
Hij keek hen boos aan, maar ook diepbedroefd vanwege hun hardleersheid, en toen zei Hij tegen de man die in het midden stond: ‘Steek uw hand uit.’ Hij stak zijn hand uit en er kwam weer leven in.
De Farizeeën verlieten de synagoge en gingen meteen met de Herodianen overleggen hoe ze Hem uit de weg zouden kunnen ruimen.

 

Van Woord naar leven

Jezus zei tegen de man met de verschrompelde hand: ‘Kom in het midden staan.’

Hoeveel mensen lopen er vandaag niet rond met een verschrompelde hand, met een verschrompeld hart … Velen, zeer velen. En misschien horen we er zelf ook wel bij.

Zijn we bereid om net als Jezus, en vanuit Jezus, tot hen te zeggen: ‘Kom, kom in het midden staan. Je bent niet uitgesloten, je hoort erbij, ik vind je de moeite waard, voor mij ben je mijn broeder-zuster,…’ Daarom niet met woorden, maar door je blik, je gebaren, door je wijze van zijn.

Al te vaak komen de verschrompelden over als ‘lastige’ medemensen, terwijl ze in zekere zin de Heer belichamen die zegt: ‘Ik heb dorst’.

Laten we naar hen toe gaan; niet als meerderen, maar als broeders en zusters, als één van hen, om samen met hen de Heer te ontmoeten en te verheerlijken in ons samenzijn waarin Hijzelf ons gebracht heeft.

kris

Reageren, je eigen woordje plaatsen, of uitwisselen over de overweging,
kan via de blog Van Woord naar leven.
Laat ons bidden

Heer,
dat wij uw handen mogen zijn die zich uitstrekken naar al wat arm en broos is. Mogen wij met U zeggen:  ‘Kom … kom in het midden staan’. Maak ons zo tot een warme Kerk, waarvan Gij het levend hart zijt.
Amen.