Lezingen van de dag – woensdag 18 januari 2017


Heilige (of feest) van de dag

Regina Protmann († 1613)

Regina Protmann, Braunsberg, Duitsland; stichteres

Zij werd in 1552 als koopmansdochter geboren te Braunsberg, in Ermland, Oost-Pruisen. Dat was zes jaar na de dood van Maarten Luther. Temidden van het woeden van de Reformatie bleef het gezin trouw aan het katholieke geloof. Op haar negentiende besloot ze zich geheel aan God toe te wijden en trok zich met twee vriendinnen terug in de eenzaamheid van een bouwvallig huis. Hier ligt in feite het begin van de door haar gestichte Congregatie der Catharinazusters die vooral rond de Oostzee verspreid is. Ze volgden het voorbeeld van Benedictus: ‘Bid en Werk’. Hun aantal groeide verbazend snel.

Maar het was de jezuïetenspiritualiteit die haar gevoelig maakte voor de eeuwige spanning in het leven van de gelovige: dat God niet alleen te vinden is in stil gebed, contemplatie en andere geestelijke oefeningen, maar ook in dienstbetoon aan armen, zieken en hulpbehoevenden en in geestelijke begeleiding van mensen. Zo stelden zij hun huis open en namen vooral noodlijdenden op. En dat, terwijl het Concilie van Trente juist enkele jaren tevoren de waarde van het slot voor vrouwenconventen krachtig had onderstreept. Ze wijdden zich vooral aan handenarbeid, ziekenverzorging en later ook aan de opvoeding van meisjes. Aanvankelijk hadden ze heel wat verdachtmakingen te doorstaan, gegeven het feit dat ze de zieken thuis opzochten, bij hen bleven waken en bidden, en dat soms ook ’s  nachts! Dat hadden vrome vrouwen tot dan toe immers nog nooit gedaan. Pas gaandeweg begon het tot de bevolking door te dringen dat hier iets nieuws groeide. Op 18 maart 1583 werden ze officieel door de bisschop erkend en goedgekeurd; in 1602 volgde de pauselijke goedkeuring.

Hoewel ze nooit officieel als overste is aangewezen, noemde iedereen haar ‘moeder Regina’. Het vuur van het begin bleef tot aan haar dood zichtbaar in haar voortgloeien. Een onbekende priester uit haar omgeving schrijft: ‘Het vuur van de christelijke naastenliefde brandde in haar hart. Daar kunnen de armen en noodlijdenden over meepraten! Hoe vaak is ze niet in het gasthuis de voeten van arme sloebers gaan wassen; hoe vaak heeft ze niet de wonden van patiënten verbonden. Had iemand, koorts, kiespijn, gezwellen, een oogkwaal of wat dan ook: zij wist er een middeltje voor. Als zij hoorde dat er iemand ziek was, ook al was het een volslagen onbekende, dan stuurde ze er alvast een zuster heen met een krachtige soep en een stevig maal om aan te sterken.’

Meer dan veertig jaar geeft zij leiding aan de Catharinazusters. Zij is voor al haar medezusters een voorbeeld. Zij legt zichzelf de strengste verstervingen op, die ze overigens verbiedt aan haar medezusters. Het komt geregeld voor dat zij haar kleren of beddengoed weggeeft, op de kale vloer slaapt of nachtenlang blijft bidden voor het altaarsacrament voor de bekering van zondaars. Als zij hoort dat er ergens oorlog of een gewapend conflict uitbreekt, dan begint zij met haar communiteit een veertigurengebed, alsof alleen zij nog in staat zijn het onheil af te wenden. Consequent gaat zij op haar doel af, in weerwil van teleurstellingen en tegenslagen, geïnspireerd daar haar levensmotto ‘Zoals God wil’.

Na een ziekbed van zes weken sterft ze op 18 januari 1613. In de Tweede Wereldoorlog worden haar relieken overgebracht van Pruisen naar Rome. Thans rusten zij in het moederhuis te Grottaferrata.

Op 13 juni 1999 werd zij door paus Johannes Paulus II († 2005) zalig  verklaard.

woensdag in week 2 door het jaar


Uit de brief van Paulus aan de Hebreeën 7, 1-3 + 15-17

De figuur van Melchisedek, die noch menselijke oorsprong noch menselijke opvolging kende, stond in de Joodse traditie zelfs hoger dan Abraham. Zijn priesterschap was niet te vergelijken met dat van Aaron. Het is dan ook te begrijpen dat de schrijver van deze brief Christus’ priesterschap vergelijkt met dat van Melchisedek.

Broeders en zusters,
Melchisedek, koning van Salem en priester van de allerhoogste God, ging Abraham tegemoet toen deze terugkeerde van zijn overwinning op de koningen, en zegende hem, waarna Abraham hem een tiende van alle buit gaf. Zijn naam betekent ‘koning van de gerechtigheid’, en verder is hij ook koning van Salem, dat is ‘koning van de vrede’.
Hij heeft geen vader of moeder, geen stamboom, geen oorsprong of levenseinde en lijkt op de Zoon van God; Hij is priester voor altijd.
Nog duidelijker wordt het als we ons realiseren dat deze nieuwe priester, het evenbeeld van Melchisedek, geen priester geworden is op grond van de in de wet vereiste menselijke afstamming, maar door de kracht van zijn onvergankelijk leven. Over Hem wordt immers verklaard: ‘Jij zult voor eeuwig priester zijn, zoals ook Melchisedek dat was.’

 

Psalm 110, 1-4

Refr.: Je bent priester voor eeuwig, als Melchisedek.

De Heer spreekt tot mijn heer:
‘Neem plaats aan mijn rechterhand,
ik maak van je vijanden
een bank voor je voeten.’

Uit Sion reikt de Heer u
de scepter van de macht,
u zult heersen over uw vijanden.

Uw volk staat klaar op de dag
dat u ten strijde trekt.
Op de heilige bergen,
uit de schoot van de dageraad,
komt tot u de dauw van uw jeugd.

De Heer heeft gezworen,
en komt op zijn eed niet terug:
‘Je bent priester voor eeuwig,
zoals ook Melchisedek was.’

 

Uit het evangelie volgens Marcus 3, 1-6

De Joodse sabbatwet was tot in de kleinste details streng uitgewerkt. Door op de sabbat te genezen wil Jezus laten zien dat het Hem op de eerste plaats gaat om de mens, om de liefde. Niet de uiterlijke daad is de eerste norm van goed of kwaad, maar wel de innerlijke gesteltenis waaruit zij voorkomt.

Weer ging Jezus naar de synagoge. Daar was iemand met een verschrompelde hand.
Ze letten op Hem om te zien of hij die op sabbat zou genezen, zodat ze Hem zouden kunnen aanklagen.
Hij zei tegen de man met de verschrompelde hand: ‘Kom in het midden staan.’
Aan de anderen vroeg Hij: ‘Wat mag men op sabbat doen: goed of kwaad? Een leven redden of het vernietigen?’ Maar ze zwegen.
Hij keek hen boos aan, maar ook diepbedroefd vanwege hun hardleersheid, en toen zei Hij tegen de man die in het midden stond: ‘Steek uw hand uit.’
Hij stak zijn hand uit en er kwam weer leven in.
De Farizeeën verlieten de synagoge en gingen meteen met de Herodianen overleggen hoe ze Hem uit de weg zouden kunnen ruimen.

Van Woord naar leven

Jezus zei tegen de man met de verschrompelde hand: ‘Kom in het midden staan.’

In dit evangelie, waar het draait rond het wel of niet mogen genezen op de sabbat, dreigt dit zinnetje ongemerkt te blijven.
‘Kom in het midden staan’, zei Jezus tot de man met de verschrompelde hand.
Wat een warme liefde straalt uit deze zin, uit deze werkelijkheid dat die man toen mocht ervaren.

Deze woorden doen me denken aan wat ikzelf ooit mocht meemaken. Heel wat jaren terug werkte ik als opvoeder bij meervoudig gehandicapten, bij jongeren die door hun mentale en lichamelijke handicap tijdens de weekdagen in een Medisch en Pedagogisch Instituut verbleven. Zij volgden overdag Bijzonder Onderwijs. Maar de woensdagnamiddag hadden ze vrij. Ze moesten niet naar school. En het was aan de opvoeders om deze namiddag zinvol te vullen.

Bij ons werkte Ad, een gedreven opvoeder die de jongeren diep lief had, op een bijzonder warme en creatieve manier. En dat zeg ik niet goedkoop ! In de leefgroep (het was de tijdens de Kersttijd) had men, onder leiding van Ad, een levensgrote kerststal gebouwd, met een heuse Maria, een Sint-Jozef, een levensgrote os en ezel, en… ja… een kindje Jezus in een houten kribbe met écht stro. Prachtig opgebouwd ! We brachten alle jongeren samen in de stal. Niet bij de stal, niet voor de stal, maar ‘in’ de stal. Zij mochten de herders zijn die het Kind kwamen begroeten.

Velen van onze jongeren konden niet of nauwelijks praten. In het beste geval konden ze met hun stem enkel geluiden uiten. De ene kon dit luid, de andere hoorde je nauwelijks. Eén voor één brachten we de jongeren tot bij de kribbe, legde het kind Jezus op hun schoot, terwijl de anderen rond de kribbe stonden en zaten, de meesten in hun rolstoel. Ad nam de micro, verwelkomde het kind, noemende bij zijn naam, en bracht de micro tot bij de lippen van ieder die het kind Jezus op z’n schoot mocht dragen. De kleine, nauwelijks hoorbare geluiden, hun adem, hun lach, werd versterkt door de micro en weerklonk luid door de luidsprekers; soms een kreet, soms een woordje, soms gewoon wat adem, maar het was alsof de engelen zelf boven de stal zweefden met hun hemels ‘Gloria in excelsis Deo’. De geluiden die onze jongeren voortbrachten waren zo echt, zo authentiek, zo mooi; een heus lied, gecomponeerd door henzelf, onder leiding van de warme adem van de Geest des Heren.
En wat zo fijn was: ze hoorden zichzelf luid doorheen de luidsprekers. Ze riepen, ze lachten. Prachtig om zien en horen !

En ieder stond verstomd omdat ieder sprak in zijn eigen taal. Maar het was hoorbaar… ieder werd gehoord. En wat zo mooi was: wanneer men zichzelf en elkaar hoorde, verscheen er een glimlach op heel hun gezicht. Ze straalden.
Het was alsof Jezus zei: ‘Hé, jullie daar … kom … kom in het midden staan…’. En ze mochten er staan, de meeste zittend, ieder met zijn eigen stem, zijn eigen geluid, ieder met zijn eigenheid, met zijn ‘zijn’. Zo mooi !

Lieve mensen,
mogen ook wij, net als Jezus, onze hand uitstrekken naar al wat broos is in deze wereld, naar al wat geen stem krijgt of heeft, naar al wat leeft onder (voor)oordeel, naar al wat Jezus zo bijzonder liefhad en heeft. En ja, laten we zeggen, mét Hem, in Hem en door Hem: ‘He, jij daar … kom … kom in het midden staan’.

Ja hoor, ook op zondag.

kris

Reageren, je eigen woordje plaatsen, of uitwisselen over de overweging,
kan via de blog Van Woord naar leven.
Laat ons bidden

Heer,
dat wij uw handen mogen zijn die zich uitstrekken naar al wat arm en broos is. Mogen wij met U zeggen:  ‘Kom … kom in het midden staan’. Maak ons zo tot een warme en hechte gemeenschap waarvan Gij het levend hart zijt; een gemeenschap getekend door uw vrede en uw vreugde.
Tot lof van de Allerhoogste en zijn heilige liefde. Amen.