Lezingen van de dag – woensdag 19 juli 2017


Heilige (of feest) van de dag

Arsenius de Grote († 449)

Arsenius de Grote (ook de Romein of de Diaken), Troë bij Memfis, Egypte; diaken & woestijnvader

Hij was een Romein van afkomst en werd vermoedelijk in 354 geboren. Toen keizer Gratianus (377-383) een leraar zocht voor de beide zoons van zijn mede-keizer in het Oost-Romeinse Rijk, Theodosius de Grote († 395; feest 17 januari), wees paus Damasus († 384; feest 11 december) hem aan als de beste kandidaat. Zo vertrok hij in 383 naar Constantinopel om zorg te dragen voor de opvoeding van de latere keizers Arcadius (395-408) en Honorius (395-423). Hij werd eervol ontvangen en meteen gepromoveerd tot senator. Maar gaandeweg viel hem deze functie steeds zwaarder. Men meent te weten dat hij in die tijd gebeden heeft: “Heer, stuur mij toch naar de hemelse zaligheid.” Een stem uit de hemel zou hem geantwoord hebben: “Arsenius, ontvlucht het menselijk verkeer, en je zult zalig worden.”

Zo verliet hij na een jaar of tien het hof en trok zich terug in de Egyptische woestijn van Scete om daar het leven van een woestijnvader te leiden. Daar aangekomen schijnt hij nogmaals gebeden te hebben tot de zaligheid te mogen ingaan. Weer kwam er die stem uit de hemel: “Arsenius, vlucht, zwijg en rust, want dat zijn de wortels van een leven zonder zonden.” Hoewel hij dit gebied niet meer heeft verlaten, trok hij nog herhaaldelijk rond in de woestijn. Zijn strenge levenswijze, zijn intense gebedsleven en zijn rigoureuze boetepraktijken wekten zelfs bij zijn collega-woestijnmonniken grote bewondering op. Zo wordt er van hem verteld dat hij bij het ingaan van de zondag, dus op zaterdagavond bij zonsondergang, voor zijn hutje ging zitten met zijn rug naar de zon en met hoog opgeheven handen. Dat hield hij de hele nacht vol, zodat hij nog altijd in diezelfde houding de volgende morgen de zon begroette die zijn gelaat bescheen.

Naar aanleiding van zijn levenskeuze vertelt de Legenda Aurea een verhelderende anekdote. Er waren eens drie monniken, die alle drie naar de volmaakte rust streefden. De eerste wilde iedereen vrede geven, maar hij vond de rust niet waarnaar hij zo verlangde. De tweede probeerde zijn ideaal te bereiken door zieken te bezoeken. Ook hij vond niet wat hij zocht. Getweeën gingen ze naar de derde die diep in de woestijn verbleef en ze vroegen hem wat ze verkeerd deden. Deze goot water uit de put in een beker met de woorden: “Let goed op wat er gebeurt. Meteen als ik het water heb ingeschonken is het nog troebel. Maar als je het een tijdje tot rust laat komen, is het kristalhelder.”

Een van de dingen die hem het meeste ter harte gingen, was de nederigheid. Zo wordt er van hem gezegd dat hij eens aan een ongeletterde monnik raad ging vragen. Iemand uit zijn omgeving merkte op: “Maar vader Arsenius, nu bent u zo geleerd in de Griekse en Latijnse letteren, wat zou zo’n monnik die nooit gestudeerd heeft, u nog kunnen leren?” Daarop antwoordde de voormalige docent: “Wat de Griekse en Latijnse letteren vertellen op werelds niveau, snap ik heel goed, maar ik weet nog niets van het abc van deze eenvoudige man, die nooit een boek heeft ingekeken.” Dag en nacht had hij het doel van zijn leven voor ogen. Dat was ook wat hij altijd zei, wanneer men hem vroeg, waarom hij destijds de wereld verlaten had: “Ik heb altijd wel spijt gehad, nadat ik iets gezegd te hebben; maar nooit, nadat ik gezwegen had.”

Hij stond bekend om zijn tranen. Hij stortte ze op de eerste plaats voor zichzelf, maar ook om de zwakheid van Arcadius en de dwaasheid van Honorius. Een tijdgenoot zegt zelfs, dat hij altijd een zakdoek bij zich had om de tranen te drogen die voortdurend over zijn gezicht stroomden. Na ruim vijftig jaar zo geleefd te hebben stierf hij uiteindelijk in vrede op de rots van Troë, niet ver van Memfis, 95 jaar oud.

Bron: Heiligen.net

woensdag in week 15 door het jaar


Uit het boek Exodus 3, 1-6 + 9-12

Bij de brandende doornstruik ontvangt Mozes de roeping om zijn volk uit Egypte te bevrijden en naar het beloofde land te leiden. Hij verzet er zich tegen en voelt zich niet waardig. Maar God zal hem bijstaan.

Mozes was gewoon de schapen en geiten van zijn schoonvader Jetro, de Midjanitische priester, te weiden. Eens dreef hij de kudde tot voorbij het steppeland, en zo kwam hij bij de Horeb, de berg van God. Daar verscheen de engel van de Heer aan hem in een vuur dat uit een doornstruik opvlamde. Mozes zag dat de struik in brand stond en toch niet door het vuur werd verteerd.
Hoe kan het dat die struik niet verbrandt? dacht hij. Ik ga dat wonderlijke verschijnsel eens van dichtbij bekijken.
Maar toen de Heer zag dat Mozes dat ging doen, riep Hij hem vanuit de struik: ‘Mozes! Mozes!’
‘Ik luister’, antwoordde Mozes.
‘Kom niet dichterbij’, waarschuwde de Heer, ‘en trek je sandalen uit, want de grond waarop je staat, is heilig. Ik ben de God van je vader, de God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jakob.’ Mozes bedekte zijn gezicht, want hij durfde niet naar God te kijken.
‘De jammerklacht van de Israëlieten is tot mij doorgedrongen en Ik heb gezien hoe wreed de Egyptenaren hen onderdrukken. Daarom stuur Ik jou nu naar de farao: jij moet mijn volk, de Israëlieten, uit Egypte wegleiden.’
Mozes zei: ‘Maar wie ben ik dat ik naar de farao zou gaan en de Israëlieten uit Egypte zou leiden?’
God antwoordde: ‘Ik zal bij je zijn. En dit zal voor jou het teken zijn dat Ik je heb gestuurd: als je het volk uit Egypte hebt weggeleid, zullen jullie God bij deze berg vereren.’

 

Psalm 103, 1 + 2 + 3 + 4 + 6 + 7

Refr.: De Naam van God wil ik loven met een lied.

Prijs de Heer, mijn ziel,
prijs, mijn hart, zijn heilige Naam.

Prijs de Heer, mijn ziel,
vergeet niet één van zijn weldaden.

Hij vergeeft u alle schuld,
Hij geneest al uw kwalen.

Hij redt uw leven van het graf,
Hij kroont u met trouw en liefde.

De Heer doet wat rechtvaardig is,
Hij verschaft recht aan de verdrukten.

Hij maakte aan Mozes zijn wegen bekend,
aan het volk van Israël zijn grootse daden.

 

Uit het evangelie volgens Matteüs 11, 25-27

Alleen de nederigen van hart maakt Jezus de geheimen van zijn Vader bekend. Zij staan ervoor open. Wie de rede als centrum plaatst van zijn leven heeft het veel moeilijker. Dankbare eenvoud en blije ontvankelijkheid in een geest van diep geloof zijn onmisbare voorwaarden voor het Rijk Gods.

In die tijd zei Jezus:
‘Ik loof U, Vader, Heer van hemel en aarde, omdat U deze dingen voor wijzen en verstandigen verborgen hebt gehouden, maar ze aan eenvoudige mensen hebt onthuld. Ja, Vader, zo hebt U het gewild.
Alles is mij toevertrouwd door mijn Vader, en niemand dan de Vader weet wie de Zoon is, en wie de Vader is, dat weet alleen de Zoon, en iedereen aan wie de Zoon het wil openbaren.’

Van Woord naar leven

Vandaag in de eerste lezing horen we het roepingsverhaal van Mozes bij de brandende braambosstruik. Nadat hij door God gevraagd werd om de Israëlieten uit Egypte weg te leiden, antwoordde hij: ‘Wie ben ik dat ik naar de farao zou gaan en de Israëlieten uit Egypte zou leiden?’

Mozes voelt zich onwaardig. De opdracht die hij krijgt is ook niet niets. Maar zijn gevoel van onwaardigheid draagt ook iets moois in zich: het zegt iets over zijn nederigheid, zijn gevoel van zich klein weten tegenover de grote Almachtige God. Maar desondanks blijft God hem roepen en we weten dat Mozes uiteindelijk ‘ja’ zal zeggen en het volk door de woestijn zal leiden naar het Beloofde Land.

Wij zijn niet Mozes. Wij krijgen niet dezelfde vraag van God aan Mozes gesteld. En toch …

Vraagt God ons niet gemeenschap aan te gaan met allen, om àls gemeenschap onze vleespotten achter te laten om, geleid door Hem, desnoods door woestijnen (die enkel opvoeden), het rijk van de Liefde binnen te gaan; ja, zijn liefde belevend door ons te schenken aan zijn aanwezigheid in Christus.
Zijn we niet geroepen het juk van de slavernij achter te laten om als bevrijde mensen het lied van Gods vrede te zingen voor elkaar; naar onze onmiddellijke naasten maar in wezen naar de hele mensheid toe.

Geliefde mensen, wie is waardig in te gaan op Gods uitnodiging deze reis te maken … U en ik, we zijn allen waardig. In zijn liefde nodigt God ieder van ons persoonlijk uit deze weg te gaan. Laten we hem samen gaan, ons gevend aan Jezus in en onder ons. Moge Hij de grote bezieler zijn ons ja-woord tot de Vader.

Kom, laat ons niet talmen. Laat ons gaan. Laat ons zingen, laat ons bidden, laat ons ‘leven’.

kris

Reageren, je eigen woordje plaatsen, of uitwisselen over de overweging,
kan via de blog Van Woord naar leven.
Laat ons bidden

Goede God,
schenk ons de genade van het ja-woord. Moge Jezus dit bewerkstelligen in ons. Mogen wij diep verankerd in Hem ‘ja’ zeggen tot U, ja tot de roeping ons slavenjuk achter te laten om als bevrijde mensen te leven in uw liefde.
Oh Heer God, bevrijd ons, genees ons, til ons op, doe ons wandelen in uw licht. Moge uw gelaat zichtbaar zijn doorheen ons leven, opdat ieder U mag ontmoeten; Gij, schepper van het volle leven.
Amen, ja amen.