Lezingen van de dag – woensdag 2 dec. 2015


Heilige (of feest) van de dag

Jan van Ruusbroec (+ 1381)2586420170

Jan van Ruusbroec (ook van Ruysbroek), Brussel, België; mysticus; † 1381

Jan van Ruusbroec studeerde aan de Latijnse school te Brussel. In 1317 ontving hij de priesterwijding en was vijfentwintig jaar lang kapelaan aan de St-Goedelekerk (= de huidige kathedrale St-Michiel). Het was nog in Brussel dat hij zijn belangrijkste mystieke werken schreef, waaronder Die cierheit der gheesteliker brulocht (= ‘Sieraad van de geestelijke bruiloft’).

Een levensbeschrijving uit 1624 weet over hem te vertellen dat hij gewoon was zich terug te trekken in de bossen, wanneer hij een verlichting ontving. Dan schreef hij op een wastafeltje al wat de Heilige Geest hem ingaf. Soms ging er geruime tijd overheen, voordat hij weer een nieuwe verlichting kreeg. Maar als hij ook die weer opschreef, sloot die naadloos op de vorige aan. Zodat het tenslotte leek alsof hij het boek in één adem had gecomponeerd en opgeschreven, terwijl het in feite met zeer lange tussenpozen tot stand was gekomen.

In 1343 trok hij zich nabij Waterloo definitief terug in de eenzaamheid. Met twee kanunniken stichtte hij in het Zoniënwoud een priorij van reguliere kanunniken van St-Augustinus, Groenendaal geheten (thans gelegen in de gemeente Hoeilaart). Hij werd de eerste prior. Hier schreef hij Vanden seven sloten (1346) en Van seven trappen. Zijn Spieghel der ewigher salicheit (1359) is een eucharistisch traktaat.

Tenslotte nam zijn bekendheid zo toe dat hij tegen het einde van zijn leven in Groenendaal werd opgezocht door Geert Groote († 1384; feest 20 augustus), de grondlegger van de Moderne Devotie.

Door bewonderaars werden hem verschillende eretitels toegedicht als ‘de Wonderbare’, ‘Doctor extaticus’ (‘verheven leraar’), zelfs ‘Doctor divinus’ (‘goddelijke leraar’) of ‘Grootmeester van de Nederlandse mystiek’ Het bijzondere van zijn werken is vooral dat hij ze oorspronkelijk niet in het Latijn, maar in het Middel-Nederlands schreef.

Het was paus Pius X († 1914; feest 3 september) die hem in 1908 zalig verklaarde.

WOENSDAG IN DE 1e WEEK VAN DE ADVENT


Uit de profeet Jesaja 25, 6-10a

Op het einde der tijden zullen alle volkeren samenkomen op de berg Sion, de stad van God zelf. Zij zullen er geoordeeld worden op de dag van de Heer, ofwel zullen zij er deelnemen aan zijn groot feestmaal. Lijden en dood zullen dan plaats maken voor een volheid van leven en vreugde.

Op deze berg richt de Heer van de hemelse machten voor alle volken een feestmaal aan: uitgelezen gerechten en belegen wijnen, een feestmaal rijk aan merg en vet, met pure, rijpe wijnen. Op deze berg vernietigt Hij het waas dat alle volken het zicht beneemt, de sluier waarmee alle volken omhuld zijn. Voor altijd doet Hij de dood teniet. God, de Heer, wist de tranen van elk gezicht, de smaad van zijn volk neemt Hij van de aarde weg – de Heer heeft gesproken.
Op die dag zal men zeggen: ‘Hij is onze God! Hij was onze hoop: Hij zou ons redden. Hij is de Heer, Hij was onze hoop. Juich en wees blij: Hij heeft ons gered!’
De hand van de Heer rust op deze berg.

 

Psalm 23, 1-6

Refr.: Ik keer terug in het huis van de Heer,  tot in lengte van dagen.

De Heer is mijn herder,
het ontbreekt mij aan niets.
Hij laat mij rusten in groene weiden Jezus, de goede herder
en voert mij naar vredig water,
Hij geeft mij nieuwe kracht
en leidt mij langs veilige paden
tot eer van zijn Naam.

Al gaat mijn weg
door een donker dal,
ik vrees geen gevaar,
want U bent bij mij,
uw stok en uw staf,
zij geven mij moed.

U nodigt mij aan tafel
voor het oog van de vijand,
u zalft mijn hoofd met olie,
mijn beker vloeit over.
Geluk en genade volgen mij
alle dagen van mijn leven,
ik keer terug in het huis van de Heer,
tot in lengte van dagen.

 

Uit het evangelie volgens Matteüs 15, 29-37

De komst van Christus betekent geluk voor allen: zieken worden genezen, ongelukkigen vinden troost en levensmoed. Hij geeft overvloedig te eten. Al deze wonderen wijzen op de vervulling van de oude voorspellingen. Lijden, honger, dorst, eenzaamheid, kortom alles wat ons kan verhinderen gelukkig te zijn, zal verdwijnen bij de komst van de Heer.

Bij het Meer van Galilea ging Jezus de berg op; daar ging Hij zitten. Er kwamen grote mensenmassa’s op Hem af. Men had verlamden, blinden, kreupelen, doofstommen en vele anderen meegebracht, die men aan zijn voeten legde, en Hij genas hen allen. De mensen zagen vol verwondering hoe doofstommen gingen spreken, kreupelen beter werden, verlamden gingen lopen en blinden weer konden zien, en ze brachten hulde aan de God van Israël.
Nadat Jezus zijn leerlingen bij zich had geroepen, zei Hij: ‘Ik heb medelijden met al die mensen, want ze zijn nu al drie dagen bij me en ze hebben niets meer te eten. En hen met een lege maag naar huis sturen wil Ik niet, want dan zouden ze onderweg bezwijken.’
De leerlingen antwoordden: ‘Maar waar halen we in deze verlatenheid genoeg brood vandaan om al die mensen te voeden?’
Jezus vroeg hun: ‘Hoeveel broden hebben jullie?’
Ze zeiden: ‘Zeven, en wat visjes.’
Hij gaf de mensen opdracht op de grond te gaan zitten. Toen nam Hij de zeven broden en de vissen, sprak het dankgebed uit, brak de broden en deelde ze uit aan de leerlingen, en de leerlingen gaven ze aan de mensen. Iedereen at en werd verzadigd, en toen ze de stukken brood die over waren ophaalden, hadden ze zeven manden vol.

Van Woord naar leven

Waar we eergisteren nog spraken over het belang van het gebed inzake roeping, en gisteren over de innerlijke gesteltenis om in de Geest te kunnen bidden, spreken we vandaag – luisterend naar het Woord van de Heer – over het missionaire aspect van onze roeping.

De Heer, die roept, trekt de geroepene tot zich, zo lezen we vandaag. Zowel de leerlingen als de grote groep mensen volgden de Heer, omdat ze diep vanbinnen de roep gewaar werden Hem te volgen, naar Hem te luisteren. Maar zoals dat gaat met het luisteren naar de Heer: hoe meer je Hem gewaar wordt, hoe groter je dorst. In de beginfase teer je nog op eigen krachten om tot Hem te komen, maar al snel kom je erachter dat er meer nodig is dat je eigen ‘ik’. Je hebt Gods kracht nodig om tot Hem te komen, met andere woorden: de heilige Geest.

De groep mensen uit het evangelie van vandaag konden nog teren op eigen voedsel, maar na enkele dagen reeds raakte het op. En Jezus drukt hun ervaring uit met te zeggen dat ze zich als schapen voelen zonder herder. Of anders gezegd: als je teert op je eigen ‘ik’ los van God, droog je al snel uit, en zul je diep in jezelf verlatenheid voelen jegens God.

De leerlingen (en nu komen we bij het missionaire aspect van de roeping) worden geroepen achterom te kijken, dus niet enkel naar de Heer. Ze worden als het ware in hun blik gezonden de verlatenheid te aanschouwen van de grote groep mensen daar aanwezig.
En ze krijgen een opdracht. De Heer vraagt hen namelijk het weinige voedsel dat er is aan Hem te geven. Met andere woorden: Hij vraagt aan hen, en aan het hele volk, het beetje vertrouwen dat er nog is, te schenken aan Hem. Eigenlijk vraagt Hij de harten van de mensen. ‘Geef dat kleine vlammetje in jezelf aan Mij, ik zal er een grote toorts van maken’.

En niet onbelangrijk: op vraag van de Heer, geven de mensen het weinige dat ze hebben. Wie dat niet doet loopt gevaar vast te lopen in zijn gevoel van verlatenheid…

De Heer doet zijn wonder. Hij vermenigvuldigt het voedsel, en de mensen waren verzadigd. Er was zelfs nog veel over.

Wat leert dit evangelie ons ?
Wel, dat roeping altijd te maken heeft met het opwekken van geloof bij anderen. Niet enkel kijken naar de Heer (leven met een heilig boekje in een hoekje), maar achterom kijken naar de grote groep mensen die er altijd is, en die honger heeft. Onszelf, en anderen, moet ‘geleerd’ worden zichzelf te schenken aan de Heer, opdat de grote en diepe gods-ontmoeting kan plaatsvinden van waaruit wij in staat zullen zijn werkelijk als christenen te bidden en te leven.

In de praktijk betekent dat, dat we in ons gebed de grote menigte nooit uit het ogen mogen verliezen. Het is een plicht hen allen dagelijks biddend bij de Heer te brengen, zijn ontferming over ons allen te vragen.
En in het dagelijks leven zou onze liefde liefde moeten opwekken. In onze omgang met elkaar zouden we elkaar (met of zonder woorden) warm moeten maken de liefde lief te hebben. Ja, warm maken voor God. Zo met elkaar omgaan dat het beste in ieder van ons naar boven komt.

Geroepen zijn, hierop ‘ja’ zeggen, is altijd missionair. Het behoort bij het wezen van de Kerk, en dus bij ieder van ons.

kris

Reageren, je eigen woordje plaatsen, of uitwisselen over de overweging,
kan via de blog Van Woord naar leven.

Laat ons bidden

Goede God,b942fced6b0458735e45af8e728c90cf
doe ons inzien dat ‘ja’ zeggen op U altijd missionair is. Moge de dorst in onszelf en de anderen ons aanzetten intenser de mensheid biddend bij U te brengen. Moge deze dorst ons aansporen dieper lief te hebben, opdat steeds meer mensen U leren kennen, U ontmoeten, U dragen en uitdragen. Kom heilige Geest. Amen.