Lezingen van de dag – woensdag 20 jan. 2016


Heilige (of feest) van de dag

Carlos Morales (+ 1982)

Carlos Morales op, Guatemala-stad, Guatemala; martelaar; † 1982

Hij is de eerste dominicaner priester in Guatemala sinds zijn orde in de 19e eeuw uit dat land was verbannen. Zijn opleiding krijgt hij in México; zijn theologiestudie doorloopt hij in Costa Rica; vervolgens doet hij zijn pastorale stage in Guatemala en Panama. Temidden van de gewone mensen, die voor het overgrote deel straatarm zijn, ziet hij zich bevestigd in zijn roeping: zorg en aandacht besteden aan de allerarmsten, vooral de inlandse Indianenbevolking. Daarbij heeft hij het voorbeeld voor ogen van zijn ordegenoot pater Bartolomé de las Casas († 1566; feest 17 juli) die als een van de eersten inde 16e eeuw zich het lot aantrok van de Indianen en die hen niet als wilden beschouwde, maar als mensen met een onsterfelijke ziel.

In 1977 ontvangt Carlos de priesterwijding. Hij wordt dus in Guatemala te werk gesteld, waar hij seminaries organiseert voor de Indiaanse bevolking: ze bestaan uit werk afgewisseld met studie. De rijke klasse ziet het met lede ogen aan. Het maakt de armen alleen maar zelfbewuster en veeleisender; daar hebben de rijken, verschanst in hun met wapens beveiligde woondomeinen, geen belang bij. Carlos zelf schrijft: “Als religieus bezig zijn vandaag de dag is gevaarlijk in Guatemala. Elk ogenblik kan je getroffen worden door een dodelijke kogel…”
Inderdaad wordt hij herhaaldelijk met de dood bedreigd, maar hij wenst zijn roeping niet te verraden en zoals mensen in zijn omgeving hem aanraden naar elders te vertrekken.
Op 20 januari 1982 wordt hij vanuit een voorbijrijdende auto midden op straat neergeschoten, 35 jaar oud.

Zijn overste zegt bij zijn uitvaart: “Zijn christelijke gevoeligheid voor het onrecht waar de allerarmsten van zijn volk onder te lijden hadden, bracht hem ertoe in hun midden te gaan wonen en werken. Vanaf het moment van zijn priesterwijding tot aan zijn gewelddadige dood liet hij zich inspireren door de trouw aan het evangelie. Het was niet welgevallig aan lieden die een leven wensten weg te maaien dat in het teken stond van de hoop en gedragen werd door broederlijke zorg voor zijn volk van Guatemala.”

Carlos is (nog?) niet heilig of zalig verklaard, maar hij leeft in de harten van Latijns-Amerikaanse gelovigen.

WOENSDAG IN WEEK 2 DOOR HET JAAR


Uit het eerste boek Samuël 17, 32-33 + 37 + 40-51

David, de eenvoudige herder, behaalt de zege met zijn slinger en steen op de Filistijnse reus. In feite waren het zijn geloof en vertrouwen, die hem deze overwinning bezorgden. Zo is David nog steeds een oproep voor ons om op de Heer te vertrouwen.

David zei tegen Saul: ‘We hoeven om die Filistijn toch niet de moed te verliezen, heer. Ik zal met hem het gevecht aangaan.’
‘Maar je kunt hem toch onmogelijk aan’, wierp Saul tegen. ‘Jij bent nog maar een jongen en hij is al van jongs af aan gewend om te vechten.’
‘De Heer, die me gered heeft uit de klauwen van leeuwen en beren, zal me ook redden uit de handen van deze Filistijn.’
‘Ga dan’, zei Saul tegen David, ‘en moge de Heer je bijstaan.’
Hij pakte zijn stok, zocht vijf ronde stenen uit de rivierbedding en stopte die in zijn herderstas. Toen liep hij op de Filistijn af, zijn slinger in de hand. Met zware stappen kwam de Filistijn op David af, voorafgegaan door zijn schildknecht. Hij nam David, een knappe jongen met rossig haar, geringschattend op en zei: ‘Ben ik soms een hond, dat je met een stok op me af komt?’ En hij vervloekte David in de naam van zijn goden. ‘Kom maar op’, zei hij, ‘dan maak ik jou tot aas voor de gieren en de hyena’s.’
‘Jij daagt me uit met je zwaard en je lans en je kromzwaard’, antwoordde David, ‘maar ik daag jou uit in de naam van de Heer van de hemelse machten, de God van de gelederen van Israël, die jij hebt beschimpt. Maar vandaag zal de Heer je aan mij uitleveren: ik zal je verslaan en je hoofd afhouwen, en ik zal de lijken van de Filistijnen aan de aasgieren en de hyena’s ten prooi geven, zodat de hele wereld weet dat Israël een God heeft. Dan zal iedereen hier beseffen dat de Heer geen zwaard of lans nodig heeft om te overwinnen, want Hij is degene die de uitslag van de strijd bepaalt en Hij zal jullie aan ons uitleveren.’
Toen kwam de Filistijn op David af en wilde tot de aanval overgaan, maar David was hem te snel af. Hij rende hem tegemoet, stak zijn hand in zijn tas en haalde er een steen uit, slingerde die weg en trof de Filistijn zo hard tegen het voorhoofd dat de steen naar binnen drong en de Filistijn voorover stortte. Zo overwon David de Filistijn met een slinger en een steen; hij trof hem dodelijk zonder dat hij daar een zwaard bij nodig had.
Hij rende naar de Filistijn toe, boog zich over hem heen en trok diens zwaard uit de schede. Daarmee gaf hij hem de genadestoot en sloeg hem zijn hoofd af.
Toen de Filistijnen zagen dat hun held dood was, sloegen ze op de vlucht.

 

Psalm 144, 1 + 2 + 9 + 10

Refr.: Verheerlijken wil ik de Heer, mijn rots.

Geprezen zij de Heer, mijn rots, Drieeenheid_2
die mijn handen oefent voor de strijd,
die mijn vingers schoolt voor het gevecht.

Mijn beschermer is Hij, mijn vesting,
de burcht die mij veiligheid biedt,
het schild waarachter ik schuil,
Hij die volken aan mij onderwerpt.

Ik wil een nieuw lied voor U zingen, God,
voor U spelen op de tiensnarige harp,
want U brengt koningen redding,
U hebt David, uw dienaar, bevrijd.

 

Uit het evangelie volgens Marcus 3, 1-6

De Joodse sabbatwet was tot in het kleinste detail streng uitgewerkt. Door op de sabbat te genezen wil Jezus laten zien dat het Hem op de eerste plaats gaat om de mens. Niet de uiterlijke daad is de eerste norm van goed of kwaad, maar wel de innerlijke gesteltenis waaruit zij voortkomt.

Weer ging Jezus naar de synagoge. Daar was iemand met een verschrompelde hand.
Ze letten op Hem om te zien of Hij die op sabbat zou genezen, zodat ze Hem zouden kunnen aanklagen.
Hij zei tegen de man met de verschrompelde hand: ‘Kom in het midden staan.’
Aan de anderen vroeg Hij: ‘Wat mag men op sabbat doen: goed of kwaad? Een leven redden of het vernietigen?’ Maar ze zwegen.
Hij keek hen boos aan, maar ook diepbedroefd vanwege hun hardleersheid, en toen zei Hij tegen de man die in het midden stond: ‘Steek uw hand uit.’ Hij stak zijn hand uit en er kwam weer leven in.
De Farizeeën verlieten de synagoge en gingen meteen met de Herodianen overleggen hoe ze Hem uit de weg zouden kunnen ruimen.

Van Woord naar leven

Jezus zei tegen de man met de verschrompelde hand: ‘Kom in het midden staan.’

Hoeveel mensen lopen er vandaag niet rond met een verschrompelde hand, met een verschrompeld hart… Velen, zeer velen. En misschien horen we er zelf ook wel bij.

Zijn we bereid om net als Jezus, en vanuit Jezus, tot hen te zeggen: ‘Kom, kom in het midden staan. Je bent niet uitgesloten, je hoort erbij, ik vind je de moeite waard, voor mij ben je mijn broeder-zuster,…’ Daarom niet met woorden, maar door je blik, je gebaren, door je wijze van zijn.

Al te vaak komen de verschrompelden over als ‘lastige’ medemensen, terwijl ze in zekere zin de Heer belichamen die zegt: ‘Ik heb dorst’.

Laten we naar hen toe gaan; niet als meerderen, maar als broeders en zusters, als één van hen, om samen met hen de Heer te ontmoeten en te verheerlijken in ons samenzijn waarin Hijzelf ons gebracht heeft.

kris

Reageren, je eigen woordje plaatsen, of uitwisselen over de overweging,
kan via de blog Van Woord naar leven.

Laat ons bidden

Heer,sunshine
dat wij uw handen mogen zijn die zich uitstrekken naar al wat arm en broos is. Mogen wij met U zeggen: ‘Kom… kom in het midden staan’. Maak ons zo tot een warme Kerk, waarvan Gij het levend hart zijt.
Amen.