Lezingen van de dag – woensdag 23 augustus 2017


Heilige (of feest) van de dag

Rosa van Lima († 1617)

Op.ter., Perú; mystica

Zij werd op 20 april 1568 als Isabella de Flores y Olivia in de Peruaanse hoofdstad Lima geboren. Op vijfjarige leeftijd zou zij al de geloften van kuisheid hebben afgelegd. Als jonge vrouw van twintig trad zij toe tot de Derde Orde van Sint Dominicus; bij die gelegenheid nam zij de naam Rosa aan.

Als tertiaris leidde Rosa haar godgewijde leven gewoon thuis in een tuinhuisje. Daar leefde zij een leven van boete en versterving, armoede en gebed. Zo liet zij zich vrijelijk steken en bijten door allerhande insecten; immers ook dat zijn schepselen Gods, zo redeneerde zij. Daarnaast leed zij aan allerhande pijnen en kwalen; zij droeg ze op ter intentie van de uitboeting van de zonden in de hele wereld. Behalve dat hielp ze ook behoeftigen en Indianen. Op haar 31e stierf zij.

Haar relieken bevinden zich in de dominicanenkerk van Lima. In 1671 werd zij heilig verklaard. Daarmee was ze de eerste heilige van Amerikaanse bodem. Zij draagt als bijnaam ‘de Bloem van Lima’.

Zij is beschermheilige van Zuid-Amerika, West-Indië, de Filippijnen, Perú Lima en de haven van Lima, Callao; sinds 1668 ook van Sittard.
Bovendien is ze patrones van bloemisten, rozenkwekers en tuinlieden en wordt ze aangeroepen tegen besmettelijke ziekten, haarroos (vanwege haar naam) en bij familieruzies.
Tot aan 1978 hield men in het Vlaamse plaatsje Opoeteren in het tweede weekend van augustus de traditionele St-Rosakermis; sindsdien omgedoopt tot bosbessenkermis.

In de kunst wordt zij afgebeeld als dominicanes, vaak met een doornenkroon, omdat ze in haar lijden op Christus lijkt; soms met rozen, verwijzing naar haar naam, naar haar liefde en lijden.
Ook komt men beeltenissen tegen, waar zij het Jezuskind of een kruisbeeld draagt.

woensdag in week 20 door het jaar


Uit het boek Rechters 9, 6-15

De fabel van Jotam maakt het koningschap bijna belachelijk. In parabelvorm laat de schrijver sterk uitkomen hoe het volk met de koningsfiguur spotte. De besten onder hen konden in alle vrijmoedigheid terugvallen op God de Heer, hun enige Koning. De aardse koningen dreigden onduidelijke vertegenwoordigers te zijn van God.

In die dagen kwamen de burgers van Sichem en Bet-Millo bij de eik bij het gedenkteken in Sichem bijeen en riepen Abimelech tot koning uit. Toen Jotam dit vernam, ging hij de Gerizim op en riep met stemverheffing vanaf de top: ‘Hoor mij aan, burgers van Sichem, en God zal u verhoren! Eens gingen de bomen eropuit om een koning te kiezen. Ze vroegen de olijfboom: “Wilt u onze koning zijn?” Maar de olijfboom antwoordde: “Zou ik ophouden mijn olie af te staan, waarmee mensen en goden worden vereerd, om wat te wuiven boven de andere bomen uit?” Toen vroegen ze het aan de vijgenboom: “En u, wilt u onze koning zijn?” Maar de vijgenboom antwoordde: “Zou ik ophouden mijn zoete vruchten af te staan, om wat te wuiven boven de andere bomen uit?” Toen vroegen ze het aan de wijnstok: “En u, wilt u onze koning zijn?” Maar de wijnstok antwoordde: “Zou ik ophouden mijn sap af te staan, dat goden en mensen verblijdt, om wat te wuiven boven de andere bomen uit?” Ten slotte vroegen de bomen aan de doornstruik: “En u, wilt u onze koning zijn?” En de doornstruik antwoordde: “Als u mij werkelijk tot uw koning wilt zalven, kom dan maar hier, in mijn schaduw is het goed toeven. Maar zo niet, dan zal er uit mijn takken een vuur komen dat de ceders van de Libanon zal verteren.”

 

Psalm 21, 2-7

Refr.: U, Heer God, geeft het leven.

Heer, uw kracht verblijdt de koning,
luid juicht hij om uw overwinning.
U gaf hem wat zijn hart verlangde,
het verzoek van zijn lippen wees u niet af.

U nadert hem met rijke zegen
en plaatst op zijn hoofd een gouden kroon.
Leven heeft hij gevraagd, U hebt het hem gegeven,
lengte van dagen, voor eeuwig en altijd.

Groot is zijn roem door uw overwinning,
U tooit hem met glans en met glorie,
U schenkt hem voor altijd uw zegen,
U verblijdt hem met het licht van uw gelaat.

 

Uit het evangelie volgens Matteüs 20, 1-16a

Wij kunnen maar moeilijk verdragen dat anderen goedheid ondervinden. We wensen dat ze worden behandeld zoals wij. We aanvaarden dikwijls niet dat ze anders zijn dan wij. De parabel van de werkers in de wijngaard stelt ons voor de bezinningsvraag: ‘Zijt gij kwaad omdat ik goed ben?’

Jezus vertelde volgende gelijkenis:
‘Het is met het Koninkrijk van de hemel als met een landheer die er bij het ochtendgloren op uittrok om dagloners voor zijn wijngaard te zoeken. Nadat hij met de arbeiders een dagloon van een denarie overeengekomen was, stuurde hij hen naar zijn wijngaard. Drie uur later trok hij er opnieuw op uit, en toen hij anderen werkloos op het marktplein zag staan, zei hij ook tegen hen: “Gaan jullie ook maar naar de wijngaard, de betaling zal rechtvaardig zijn.” En ze gingen erheen. Rond het middaguur ging hij er nogmaals op uit, en drie uur later weer, en handelde als tevoren. Toen hij tegen het elfde uur van de dag nog eens op weg ging, trof hij een groepje dat er nog steeds stond. Hij vroeg hun: “Waarom staan jullie hier de hele dag zonder werk?” “Niemand wilde ons in dienst nemen”, antwoordden ze. Hij zei hun: “Gaan jullie ook maar naar de wijngaard.”
Toen de avond gevallen was, zei de heer van de wijngaard tegen zijn rentmeester: “Roep de arbeiders bij je en betaal hun het loon uit. Begin daarbij met de laatsten en eindig met de eersten.” En zij die er vanaf het elfde uur waren, kwamen naar voren en kregen ieder een denarie. En toen zij die als eersten waren gekomen naar voren stapten, dachten ze dat zij wel meer zouden krijgen. Maar ook zij kregen ieder die ene denarie.
Toen ze die in handen hadden, gingen ze bij de landheer hun beklag doen: “Die laatsten hebben één uur gewerkt en u behandelt hen zoals u ons behandelt, terwijl wij het onder de brandende zon de hele dag hebben volgehouden.”
Hij gaf een van hen ten antwoord: “Beste man, ik behandel je toch niet onrechtvaardig? Je hebt toch ingestemd met het loon van één denarie? Neem dan aan wat je toekomt en ga. Ik wil aan die laatsten nu eenmaal hetzelfde betalen als aan jou. Of mag ik met mijn geld niet doen wat ik wil? Zet het kwaad bloed dat ik goed ben?”
Zo zullen de laatsten de eersten zijn en de eersten de laatsten.’

 

Van Woord naar leven

Enkele jaren geleden maakte ik iets zeer moois mee in het rusthuis waar ik werk.

Eén van ons mensen was een man die niet meer lang te leven had. Zienderogen ging hij achteruit. Zijn ogen waren erg dof geworden. Terwijl hij, toen hij nog relatief gezond was, zin voor humor had, was hij de laatste weken erg troosteloos geworden. Ik had me voorgenomen om de tijd die ik vrij kon maken veel met hem bezig te zijn. We hielden mooie gesprekken; over de dingen des levens, ook dingen van zijn leven. En langzaam maar zeker kwam het er uit: de man was zielsongelukkig. En waarom ? Wel, hij had spijt, diep spijt. Spijt om wat hij gedaan heeft, of beter gezegd: om wat hij niet gedaan heeft. Hij had van z’n leven een echt potje gemaakt … niets om fier op te zijn.

Het was een zondagmiddag, ik herinner me het nog goed. Je moet weten, op zondagmiddag heb je doorgaans als verzorger (die functie bekleedde ik toen) wat meer tijd. Ik nam me voor om de man een voorstel te doen: we zouden samen een stuk evangelie lezen. En ik koos voor het evangelie dat we vandaag beluisteren. De reden spreekt voor zich: diep in mezelf hoopte, wenste, en bad ik, dat de man op een of andere manier God mocht leren kennen. Hoe mooi zou het zijn moest hij in de herfst van zijn leven zich kunnen werpen in de armen van de Heer.

Hij ging op het voorstel in. Ik las het evangelie, ik vertelde hoe ik die woorden verstond, en zei dat ook hij bij die werkers van het laatste uur kon horen als hij dat wou. Maar het ging niet zoals ik hoopte, toch niet op het eerste zicht, integendeel. Hij vertelde dat hij niet kon geloven, dat er in zijn leven geen God was, dat hij geen liefde heeft gekend, en nooit heeft ervaren. Enkel een verre herinnering van zijn moeder toen hij kind was.

Koppig als ik ben, maar met heel veel vriendschap, heb ik enkele dagen later de man terug aangesproken over dit evangelie. Ik vroeg of hij er nog over nagedacht had. En dat had hij zeker. Maar hij kon er zich niet aan toevertrouwen, omdat, moest God al bestaan, hij zich zeer onwaardig zou voelen.
Ik vroeg hem: ‘Neem dat God toch zou bestaan, en je zou sterven, en God zou je opwachten, zou je dan naar Hem toelopen, of zou je van Hem weglopen.’
En toen zei hij die hele mooie woorden die me altijd zullen bij blijven: ‘Als God bestaat, zal ik op mijn knieën vallen, en wenen, veel wenen, en zeggen “Sorry Heer”. Maar hij zei er meteen ook bij dat hij dit moeilijk kon geloven.

Ik zelf had toen enkele dagen vrij. Een collega liet me weten dat de man gestorven was; alleen, in alle vroegte, eigenlijk nog in de nacht.
‘Als God bestaat …’ had hij gezegd, ‘zal ik op mijn knieën vallen, en wenen …’
Biddend heb ik de man meegedragen tot bij zijn Heer, hopend dat hij inderdaad op z’n knieën is gaan zitten. En ik ben er zeker van dat God dan in zijn overgrote barmhartigheid hem in zijn armen heeft gesloten.

Deze man zou een mooi voorbeeld zijn van een werker van het laatste uur …
Laten we blij zijn om ieder die de Heer ontmoet, als is het in de herfst van zijn leven.

Laten we elkaar dragen in diep gebed.

kris

Reageren, je eigen woordje plaatsen, of uitwisselen over de overweging,
kan via de blog Van Woord naar leven.
Laat ons bidden

Barmhartige God,
uw goedheid gaat naar alle mensen:
de trouwe vrienden van het begin,
maar ook de werkers van het laatste uur.
Gij hebt ze allen lief;
uw wegen zijn zo wonderbaar !
Wij bidden dat wij ten diepste blij zouden zijn
met wat Gij aan anderen geeft,
zoals wij ook blij en dankbaar zijn
met wat Gij ons geeft.
Leer ons uw liefde beminnen en navolgen.
In Christus’ naam.
Amen.