Lezingen van de dag – woensdag 23 maart 2016


Heilige (of feest) van de dag

Rebekka Al Rayès († 1914)03-23-1914-rebekka_1

Rebekka (ook Rafqa; geboren Boutrossieh = Pierrette Anissa?) Al Rayès van Himalag (of Himlaya), Al Dahr, Libanon; kloosterzuster

Zij werd in 1832 geboren. Toen ze zeven jaar was stierf haar moeder: een groot verlies, dat niet goed gemaakt werd door de tweede vrouw waarmee haar vader trouwde. Heel wat vrouen in de familie om haar heen hadden voor haar goede huwelijkskandidaten op het oog. Zij voelde zich echter aangetrokken tot het religieuze leven. Op haar 21e werd ze kokkin in het maronietenklooster van Bikfaya. Van 1856 tot 1871 werkte zeals onderwijzeres. In 1860 werd het klooster uitgemoord door de Drusen, maar Rebekka ontkwam. Na zich enige tijd verborgen te hebben gehouden trad ze toe tot het Maronitische Sint-Antoniusklooster Al Qaran en nam daar de naam Rebekka aan. Maar de ontberingen van de tijd die hieraan voorafgegaan was, hadden hun tol geëist. De ascetische levenswijze van haar medezusters kon zij niet aan; tegen het einde van haar leven werd ze zelfs lam en blind. Nog eenmaal verhuisde ze naar weer een ander klooster: Al Dahr. Waarom? Nogmaals op de vlucht? Daardoor lijkt haar leven getekend te zijn.

Haar graf is een druk bezochte pelrgimsplaats geworden.

Zaligverklaring op 17 november 1985.

WOENSDAG IN DE GOEDE WEEK


Uit de profeet Jesaja 50, 4-9a

Het derde lied van de ‘Dienaar van Jahwe’ bezingt de volharding die deze als ijverige leerling put in de steun van Jahwe. Hij mag Gods woorden vertolken, omdat hij geluisterd heeft naar de Heer. Veel moeilijkheden zal hij ondervinden. Trouw zal hij blijven. De Heer is zijn helper.

God, de Heer, gaf mij een vaardige tong, waarmee ik de moedeloze kan opbeuren.
Elke ochtend wekt hij mijn oor, zodat het toegerust is om aandachtig te horen.
God, de Heer, heeft mijn oren geopend en ik heb geen verzet geboden, ik ben niet teruggedeinsd.
Ik heb mijn rug blootgesteld aan mijn folteraars,
wie mij de baard uittrokken, bood ik mijn wangen aan. Ik heb mijn gezicht niet verborgen toen ze mij beschimpten en bespuwden.
God, de Heer, zal mij helpen, daarom word ik niet gekwetst en is mijn gezicht zo onbewogen als een rots, want ik weet dat ik niet beschaamd zal staan.
Hij die mij recht verschaft is nabij. Wie durft tegen mij een geding aan te spannen? Laten we samen voor het gerecht verschijnen. Wie is mijn tegenstander in deze zaak? Laat hij mij tegemoet treden.
God, de Heer, zal mij helpen – wie zal mij dan veroordelen?

 

Psalm 69, 8 + 9 + 10 + 21bcd-22 + 31 + 33 + 34

Refr.: Nu is het de tijd van genade.

Om U moet ik smaad verduren
en bedekt het schaamrood mijn gezicht.
Ik ben voor mijn broers een vreemde geworden, 8c2da01e89b7383cc1506148b331c343
een onbekende voor de zonen van mijn moeder.

De hartstocht voor uw huis heeft mij verteerd,
de smaad van wie U smaadt, is op mij neergekomen.
Ik hoopte op mededogen – vergeefs;
op troost – die ik niet vond.

Nee, ze mengden gif door mijn eten
en lesten mijn dorst met azijn.
De Naam van God wil ik loven met een lied,
zijn grootheid met een lofzang prijzen.

De nederigen zien het en verheugen zich,
wie God zoeken, hun hart zal opleven.
Want de Heer hoort de armen,
zijn gevangen volk verwerpt Hij niet.

 

Uit het evangelie volgens Matteüs 26, 14-25

Men is vaak het meest ontgoocheld in zijn beste vrienden. Judas pleegt verraad aan zijn vriendschap met Jezus. De andere leerlingen zijn er zich zeer goed van bewust dat ook zij nog geen echte volgelingen van Jezus zijn. ‘Ik toch niet, Heer?’, vraagt elk van hen. Jezus kiest voor de trouw aan de wil van zijn Vader.

Eén van de twaalf, die met de naam Judas Iskariot, ging naar de hogepriesters en zei: ‘Wat krijg ik van u als ik Hem aan u uitlever?’
Ze betaalden hem dertig zilverstukken.
Vanaf dat moment zocht hij een gunstige gelegenheid om Hem uit te leveren.
Op de eerste dag van het feest van het Ongedesemde brood kwamen de leerlingen naar Jezus toe en vroegen: ‘Waar wilt U dat wij voorbereidingen treffen zodat U het pesachmaal kunt eten?’
Hij zei: ‘Ga naar de stad en zeg tegen de persoon die jullie bekend is: “De meester zegt: ‘Mijn tijd is nabij, bij jou wil Ik met mijn leerlingen het pesachmaal gebruiken.’”’
De leerlingen deden wat Jezus hun had opgedragen en bereidden het pesachmaal.
Toen de avond was gevallen, lag Hij samen met de twaalf aan voor de maaltijd.
Onder het eten zei Hij tegen hen: ‘Ik verzeker jullie: een van jullie zal mij uitleveren.’
Dit bedroefde hen zeer, en de een na de ander vroegen ze hem: ‘Ik toch niet, Heer?’
Hij antwoordde: ‘Hij die samen met mij zijn brood in de kom doopte, die zal mij uitleveren. De Mensenzoon zal heengaan zoals over Hem geschreven staat, maar wee de mens door wie de Mensenzoon uitgeleverd wordt: het zou beter voor hem zijn als hij nooit geboren was.’
Toen zei Judas, die Hem zou uitleveren: ‘Ik ben het toch niet, rabbi?’
Jezus antwoordde: ‘Jij zegt het.’

Van Woord naar leven

Op een van de grootste momenten uit de geschiedenis, daar waar Jezus zichzelf zal schenken in brood en wijn, is het kwaad op z’n sterkst aanwezig. De Heer, en de duivel in Judas… samen aan dezelfde tafel. De Heer, een en al liefde… en Judas, bezeten van zijn boze bedoelingen.

Iets soortgelijks gisteren in Brussel: gewone mensen als u en ik; mensen van goede wil, en enkele mensen bezeten door het kwaad; in dezelfde luchthaven, in dezelfde metro. Goed en kwaad samen aanwezig.

Waar liefde is, is de duivel nooit ver af.

Wat ons persoonlijk leven betreft: ook daar komt het kwaad soms om de hoek kijken, erop uit het goede te vernietigen, de hoop te verbrijzelen,… Dit feit dwingt ons voortdurend op onze hoede te zijn en de houding van innerlijke onthechting aan te nemen.

kris

Reageren, je eigen woordje plaatsen, of uitwisselen over de overweging,
kan via de blog Van Woord naar leven.

Laat ons bidden

Heer,399956_181509525289171_1693984617_n
trek ons in uw liefde, steeds meer, steeds dieper, steeds intiemer. Schenk ons tegelijkertijd een waakzaam hart, want het kwade ligt steeds op de loer,  zeker wanneer wij ons aan U schenken. Kom, Heer Jezus, kom.
Amen.