Lezingen van de dag – woensdag 24 januari 2018


Heilige (of feest) van de dag

Franciscus van Sales († 1622)

Franciscus van Sales, Annecy, Frankrijk; bisschop, stichter & kerkleraar

Hij werd op 21 augustus 1567 geboren op slot Sales bij Thorens in de Zuid-Franse landstreek Savoye. Hij deed zijn studie theologie, eerst in Parijs, waar hij de grondlegster van de Karmelietessen in Frankrijk, Marie Acarie († 1618; feest 18 april) ontmoette; vervolgens aan de universiteit van Padua. Hij was een warm voorstander van de hervormingen die door het Concilie van Trente werden ingevoerd. Hij had een mild en bescheiden karakter. Sint Vincentius a Paolo († 1660; feest 27 september) schijnt eens gezegd te hebben: “God moet wel heel goed zijn, als je ziet hoe goed zijn dienaar Franciscus al is.” Daarnaast bezat Franciscus een grote eruditie. Dat maakte het hem mogelijk vele bekeringen te bewerkstelligen onder de Calvinisten van zijn geboortestreek Savoye.
In 1602 werd hij bisschop van het bij uitstek calvinistische Genève, maar omdat hij niet tot de stad werd toegelaten, resideerde hij in Annecy. Zijn zorg ging uit naar gebed en geestelijk leven en schreef er twee beroemde boeken over: ‘Inleiding tot een godvruchtig leven’ (Introduction à la Vie dévote) en ‘Verhandeling over de liefde van God’.
Tezamen met Sint Jeanne Françoise Frémiot de Chantal († 1641; feest 12 december) stichtte hij de Orde van de Zusters Visitandinnen.
Net als Jezus in het evangelie, keek hij met veel liefde om zich heen, en probeerde overal de diepere betekenis van te peilen. Zo schrijft hij in een brief uit 1615 aan zijn vriendin Jeanne de Chantal:

‘Het had flink gesneeuwd; op de binnenplaats lag een laag van wel een voet dik. Jean veegde het in het midden van de binnenplaats een beetje schoon en strooide wat graankorrels voor de duiven. Onmiddellijk kwamen ze naar hun eetgelegenheid en aten ervan met een vrede en eerbied die je versteld zou hebben doen staan. Ik bleef er met plezier naar kijken. Je zult niet geloven hoeveel devotie deze diertjes mij gaven, want ze zeiden geen woord, en degenen die klaar waren met eten vlogen een klein stukje verder om daar op de anderen te wachten. Toen ze zo de helft van de open plek hadden leeggegeten, kwam er een hele zwerm vogels bij, die tot dan toe alleen maar hadden zitten toekijken. De duiven die nog aan het eten waren, gingen opzij en gaven de veel kleinere nieuwkomers alle ruimte. Ze konden aanschuiven zonder dat de duiven hen ook maar één moment lastig vielen.
Ik was onder de indruk van hun liefde. Want de duiven waren zo bang hun kleinere collega’s af te schrikken dat ze zich met z’n allen een eindje verderop afzijdig hielden. Maar ook bewonderde ik de nieuwgekomen bedelaars, want ze waren pas op de aalmoes afgekomen, toen ze zagen dat de duiven praktisch klaar waren met eten en nog meer dan genoeg hadden overgelaten. Tot slot krijg ik tranen in de ogen bij de gedachte aan de vriendelijke eenvoud van die duiven en aan het liefdevolle vertrouwen van de kleinere vogeltjes. Ik geloof niet dat een gewone preek mij ooit zó getroffen zou hebben. Dat beeld heeft mij de hele dag een goed gevoel gegeven.’

Een ooggetuige vertelt een soortgelijk verhaal:

‘Toen de heilige man eens bij mij logeerde, graasde er bij mij een reebok in mijn boomgaard. Een heer van stand die niet ver bij mij vandaan woonde, was gekomen met in zijn gevolg een heel jachtgezelschap; hij wilde niets liever dan dat zijn honden het dier op zouden jagen. Er kwam heel wat volk op af om naar het schouwspel te kijken. Eerst probeerde de man Gods de hele onderneming te verhinderen. Dat lukte niet. Maar hij weigerde te komen kijken. Bij de eerste klaroenstoot zetten de honden onder luid geblaf de achtervolging in.
Het leek wel of het arme beest voelde waar hij bescherming kon halen, want het vluchtte onmiddellijk naar het venster van de kamer waar de heilige bisschop zich had teruggetrokken. Intussen stootte het angstkreten uit en trapte het met zijn hoeven tegen de muur, alsof het daar zijn veiligheid zocht. Franciscus was tot tranen toe geroerd; hij smeekte om genade, maar het mocht niet baten. Het arme dier lag spoedig daarna op de slachtbank. Toen men het bij hem bracht, wendde hij de blik af en toen het ’s avonds aan tafel werd opgediend, wou hij er niet van eten: “Bah”, sprak hij “het plezier dat u hebt bij de achtervolging van zo’n arm dier doet mij denken aan het plezier dat de duivels hebben, wanneer ze zielen opjagen om ze tot zonde te brengen en in het verderf te storten.’
Eens hadden de kanunniken van zijn kerk met Pinksteren een installatie gebouwd, waarmee ze het pinkstergebeuren wilden nabootsen. Een wolk zou vanuit de nok van de kerk neerdalen, daaruit zou dan na de consecratie een duif tevoorschijn moeten komen compleet met vurige tongen om de nederdaling van de Heilige Geest over de apostelen na te bootsen. Het apparaat werkte niet helemaal zoals de bedoeling was. Er kwam geen wolk naar beneden en het vuur werkte ook niet. Maar de duif kwam wel tevoorschijn. Verschrikt door de muziek die opklonk en de hoeveelheid mensen die de kerk bevolkten, bleef het dier rondfladderen zonder ergens toevlucht te vinden. Uiteindelijk kon het niet meer van vermoeidheid en streek het neer op het hoofd van de heilige bisschop die aan het altaar stond. De aanwezigen waren diep onder de indruk, temeer, omdat deze duif precies deed wat het moest uitbeelden: het streek neer op degene onder hen die zo vol was van Gods Heilige Geest. Franciscus liet het dier rustig zitten zolang als het wilde: hij schrikte het niet op en bewoog zich verder niet.

Van Franciscus wordt nog vermeld dat hij als bisschop van Genève rust en orde bracht in zijn bisdom. Hij stierf op 28 december 1622 tijdens een vredesmissie aan het hof van koning Lodewijk XIII († 1643) te Parijs.

Zijn graf in Annecy werd al snel een bedevaartsoord. Hij werd heilig verklaard in 1665; paus Pius IX (1878) riep hem in 1877 uit tot kerkleraar.
Toen de heilige Johannes ‘Don’ Bosco († 1888; feest 31 januari) in 1859 zijn religieuze congregatie stichtte die vooral ten doel had kansarme kinderen op te voeden en een ideaal te geven, noemde hij zijn stichting ‘Salesianen’, naar Franciscus.

Hij is patroon van kanton, stad en bisdom Genève, van Annecy en Chambéry; daarnaast van de Salesianen; van journalisten, schrijvers, uitgevers en sinds 1923 van de katholieke pers.

woensdag in week 3 door het jaar


Uit het tweede boek Samuël 7, 4-17

De profeet Natan raadt David af een tempel te bouwen voor God. Hij heeft altijd onder de mensen gewoond in een tent. Hij was altijd met hen onderweg. Zijn ware woonplaats was in het hart van de mensen. Hij heeft zelf dit huis opgericht en zal het in de toekomst nog mooier en intiemer maken. Hij zal onder hen komen wonen als een mens. Wij lezen hier een van de mooiste messiaanse belofte van het Oude Testament.

In de nacht richtte de Heer zich tot Natan:
‘Zeg tegen mijn dienaar, tegen David: “Dit zegt de Heer: Wil jij voor mij een huis bouwen om in te wonen? Ik heb toch nooit in een huis gewoond, vanaf de dag dat ik de Israëlieten uit Egypte heb geleid tot nu toe! Al die tijd trok Ik rond in tent en tabernakel. Overal heb Ik met de Israëlieten rondgetrokken, en heb Ik ooit aan een van de herders van Israël, die Ik had aangesteld om mijn volk te weiden, gevraagd om voor mij een huis van cederhout te bouwen?” Welnu, zeg tegen mijn dienaar, tegen David: “Dit zegt de Heer van de hemelse machten: Ik heb je achter de kudde vandaan gehaald om mijn volk, Israël, te leiden. Ik heb je bijgestaan in alles wat je ondernam, Ik heb al je vijanden voor je uitgeschakeld en Ik heb je naam gevestigd als een van de groten der aarde. Ik heb aan mijn volk, Israël, een gebied toegewezen. Daar heb Ik het geplant en daar kan het nu onbevreesd wonen. Het wordt niet langer door misdadige volken onderdrukt, zoals toen het er pas woonde en ik rechters over mijn volk Israël had aangesteld. Jou heb Ik rust gegeven door je van je vijanden te verlossen. De Heer zegt je dat hij voor jou een huis zal bouwen.
Wanneer je leven voorbij is en je bij je voorouders te ruste gaat, zal Ik je laten opvolgen door je eigen zoon en hem een bestendig koningschap schenken. Hij zal een huis bouwen voor mijn naam, en Ik zal ervoor zorgen dat zijn troon nooit wankelt. Ik zal een vader voor hem zijn en hij voor mij een zoon: als hij zondigt, zal Ik hem kastijden met stok– en zweepslagen, zoals een vader doet, maar hij zal nooit bij mij uit de gunst raken zoals Saul, die Ik verstootte omwille van jou. Jou stel ik in het vooruitzicht dat je koningshuis eeuwig zal voortbestaan en je troon nooit zal wankelen.”’
Natan bracht alles wat hij had gezien en gehoord aan David over.

 

Psalm 89, 4 + 5 + 27 + 28 + 29 + 30

Refr.: Voor altijd kan hij rekenen op mijn genade;

Ik heb met mijn uitverkorene een verbond gesloten,
aan mijn dienaar David gezworen:
Uw dynastie zal Ik voor eeuwig vestigen,
uw troon in stand houden, geslacht na geslacht.

Hij zal tot mij roepen: “U bent mijn vader,
mijn God, de rots die mij redt!”
Ik maak hem tot mijn eerstgeborene,
tot de hoogste van de koningen der aarde.

Mijn liefde zal hem altijd beschermen,
hecht is mijn verbond met hem.
Zijn dynastie houd Ik voor altijd in stand,
zijn troon zolang de hemel duurt.

 

Uit het evangelie volgens Marcus 4, 1-20

Jezus werkte geleidelijk aan in op zijn toehoorders. Hij bereidde de mensen voor om zijn woord op te nemen. Hij nodigt uit en roept op om alle beletselen die zijn woord in de weg staan uit te bannen.

Weer ging Jezus naar het meer om de mensen te onderwijzen; er kwam een enorme menigte om Hem heen staan. Daarom ging Hij in de boot op het meer zitten, terwijl de menigte op de oever bleef staan. Hij onderwees hen uitvoerig en sprak hen toe in gelijkenissen. Hij zei:
‘Luister. Iemand ging eens naar zijn land om te zaaien. Tijdens het zaaien viel een deel van het zaad op de weg, en de vogels kwamen en aten het op. Een ander deel viel op rotsachtige grond, waar maar weinig aarde was, en het schoot meteen op omdat het niet diep in de grond kon doordringen; en toen de zon opkwam verschroeide het jonge groen, en omdat het geen wortel had droogde het uit. Weer ander zaad viel tussen de distels, en de distels schoten op en verstikten het en het bracht geen vrucht voort. Maar er waren ook zaadjes die in goede grond vielen en wel vrucht voortbrachten: ze schoten op en groeiden en droegen vrucht. Sommige leverden het dertigvoudige op, andere het zestigvoudige en weer andere het honderdvoudige.’
En Hij zei: ‘Wie oren heeft om te horen, moet goed luisteren!’
Toen Hij weer alleen was met zijn volgelingen en met de twaalf, stelden ze Hem vragen over de gelijkenissen.
Hij zei tegen hen: ‘Aan jullie is het geheim van het koninkrijk van God onthuld; maar zij die buiten blijven staan, krijgen alles te horen in gelijkenissen, “opdat ze scherp zien, maar geen inzicht hebben, opdat ze goed horen, maar niets begrijpen, anders zouden ze zich bekeren en vergeving krijgen.”’
Hij zei tegen hen: ‘Begrijpen jullie deze gelijkenis niet? Hoe zullen jullie alle andere gelijkenissen dan begrijpen?
De zaaier zaait het woord. Sommigen zijn als het zaad dat op de weg valt: het woord wordt wel gezaaid, maar wanneer ze het gehoord hebben, komt meteen Satan om het woord weg te graaien dat in hen gezaaid is. Anderen zijn als het zaad dat op rotsgrond is gezaaid: wanneer zij het woord hebben gehoord, nemen ze het meteen met vreugde in zich op, maar in hen schiet het geen wortel, ze zijn te oppervlakkig, en als ze vanwege het woord worden beproefd of vervolgd, houden ze geen ogenblik stand. Weer anderen zijn als het zaad dat tussen de distels is gezaaid: ze hebben het woord wel gehoord, maar de zorgen om het dagelijks bestaan en de verleiding van de rijkdom en hun verlangens naar allerlei andere dingen komen ertussen en verstikken het woord, zodat het zonder vrucht blijft.
Maar er zijn ook mensen die zijn als het zaad dat op goede grond is gezaaid: zij horen het woord en aanvaarden het en dragen vrucht, sommigen dertigvoudig, anderen zestigvoudig en weer anderen honderdvoudig.’

Van Woord naar leven

Het woord van God valt in de aarde, het valt in de Kerk, het valt in de harten van de gelovigen en ja ook in anders- en ongelovigen. Het valt in àlle harten, als zaad in de akker. Het wordt niet enkel in die harten gezaaid die erom vragen, elk mensenhart krijgt z’n deel.

Met het ‘woord van God’ denken we al snel aan het woord uit de Bijbel, dat tot ons komt wanneer we het aanhoren of ter hand nemen. En dat is inderdaad Gods woord.
Maar Gods woord is in wezen veel meer dan de Schrift. Gods woord komt tot ons in ieder ‘langskomen van God’. In elke gebeurtenis waar God in aanwezig is en zich schijnbaar onzichtbaar toont, zaait Hij zijn woord, komt Hij tot ons, nodigt Hij ons uit. Dat doet Hij altijd in zijn Zoon, in Christus. In die zin mogen we terecht zeggen dat Jezus Gods woord is dat mens is geworden, Hij die onder ons heeft geleefd en nu na zijn dood en opstanding verder in ons leeft, in de Kerk en doorheen al de gemeenschappen en op al die plaatsen waar Gods liefde belichaamd wordt.

Mag ons hart de voedingsbodem zijn waar het woord welkom is, waar het kan gedijen, wortel kan schieten, tot groei kan komen, vrucht mag dragen. Want dat is de bedoeling: dat het wortel schiet, en vruchtbaar is. Dat leert ons het evangelie van deze dag.

Wanneer we het zaad, door God in ons hart gezaaid, verwaarlozen en niet vruchtbaar laten zijn, leven we buiten Gods wil; God die smacht naar ons ja-woord opdat Hij met ons kan bouwen aan zijn rijk hier op aarde.
Een mens is uitgenodigd om ‘ja’ te zeggen, en toch wordt er zoveel ‘nee’ gezegd. Kijk de wereld in, misschien ook in onszelf, lees de krant, zie het journaal… Hoe jammer toch !!!

Ik weet niet of God kan lijden. Het is een theologische vraag die bij heel wat mensen gedurende zoveel eeuwen geleefd heeft, tot op vandaag. Er wordt heel wat over gesproken en er is heel wat over geschreven. Ik persoonlijk – ik zeg dat eerlijk – ben daar niet uit. Ik weet echt niet of God kan lijden. En eigenlijk… hoop ik van niet. Want moest God kunnen lijden, wat moet de man afzien! Hij, die de wereld aan de mensheid heeft toevertrouwd om zijn rijk van Liefde gestalte te geven moet toezien wat voor een puinhoop de mensen er van maken.
Ok, niet altijd. Er zijn in de wereld heel wat mensen, doorheen heel de geschiedenis, tot op vandaag, die Gods liefde wél belichamen. God zij dank ! Maar het is even waar dat Gods liefde zo dikwijls niet beantwoord wordt… en da’s toch jammer !!! Het zou zo mooi kunnen zijn… Wat kan het mensdom soms dom zijn.

Genoeg gezaagd…
Laten we erover waken dat ons hart het landgoed mag zijn waar Gods woord welkom is, waar Hij met heel veel liefde en warmte ontvangen wordt. Laten we ons nestelen in Gods aanwezigheid opdat ons leven vruchtbaar mag zijn ten gevolge van ons geworteld zijn in Hem.

Laat ons niet enkel leven met mooie godsvruchtige intenties, maar laat ons – verenigd met de Heer – zijn liefde daadwerkelijk worden.

Laat ons bidden, laat ons liefhebben. Liefhebben vanuit het bidden. Biddend liefhebben.

kris

Reageren, je eigen woordje plaatsen, of uitwisselen over de overweging,
kan via de blog Van Woord naar leven.
Laat ons bidden

Goede God,
keer op keer zaait Gij uw woord en Gij geeft het de dauw van uw genade zodat het kan gedijen. Maak ons hart tot een gunstige bodem, open en ontvankelijk voor elk woord dat van U komt en de kracht in zich draagt vruchten voort te brengen.
Alle dagen van ons leven. Amen.