Lezingen van de dag – woensdag 24 okt 2018


Heilige (of feest) van de dag

Antonia-Maria Claret y Clara († 1870)

Antonio-Maria Claret y Clará, Santiago, Cuba; stichter & aartsbisschop

Hij werd op 23 december 1807 geboren in de Catalaanse plaats Sallent. Terwijl hij in zijn levensonderhoud voorzag als wever, studeerde hij voor priester. In 1835 werd hij gewijd en werkte vooral als volksmissionaris. Hij omringde zich met priesters die zijn ideaal deelden en stichtte in 1849 de naar hem genoemde missiecongregatie claretijnen: officieel staan ze te boek als de ‘Congregatie van de Missiezonen van het Onbevlekt Hart van Maria’. Zes jaar later kwam daar een vrouwelijke tak bij: de claretinnen, ofwel het ‘Apostolische vormingsinstituut van de Onbevlekte Ontvangenis’: de leden daarvan legden zich toe op onderwijs en opvoeding van meisjes.
In 1850 werd hij benoemd tot aartsbisschop van Santiago de Cuba. Daar onderscheidde hij zich doordat hij vooral optrad als beschermer van de negerslaven. Zeven jaar later keerde hij terug naar Spanje, omdat hij benoemd was tot persoonlijk biechtvader van koningin Isabella II († 1904). Het jaar daarop kwam daar de functie bij van president van het Escoriaal, het koninklijk paleis ten noorden van Madrid. In die hoedanigheid richtte hij een vereniging op van katholieke kunstenaars en schrijvers.
Gedurende al die tijd bleef hij actief als predikant en schrijver van devote lectuur. Van hem wordt verteld dat hij de gave van profetie bezat en kon wonderen verrichten.
In 1868 moest hij uitwijken naar Frankrijk. Op 24 oktober 1870 overleed hij op weg naar het Eerste Vaticaans Concilie in Rome – in de Zuid-Franse abdij van Fontfroide bij Narbonne.

Zijn relieken bevinden zich in Vic bij Barcelona, werd zalig verklaard in 1934, en heilig in 1950.
Hij is patroon van spinners en wevers.

Bron: Heiligen.net

woensdag in week 29 door het jaar


Uit de brief van Paulus aan de Efeziërs 3, 2-12

Het mysterie van Christus is de uitwerking van Gods liefde voor de mensen. In de persoon van zijn Zoon staat God open voor alle mensen. Ieder mens wil Hij de volheid van het goddelijk leven brengen. Wat waar is in de hemel, mogen de mensen op aarde helpen verwerkelijken.

Broeders en zusters,
moet toch wel gehoord hebben dat God mij de taak heeft toevertrouwd om de genade door te geven die mij met het oog op u geschonken is. Mij is in een openbaring het mysterie onthuld waarover ik hiervoor in het kort heb geschreven. Aan de hand daarvan kunt u zich, wanneer u dat leest, een beeld vormen van mijn inzicht in dit mysterie van Christus. Het is onder vorige generaties niet aan de mensen onthuld, maar nu door de Geest geopenbaard aan zijn heilige apostelen en profeten: de heidenen delen door Christus Jezus ook in de erfenis, maken deel uit van hetzelfde lichaam en hebben ook deel aan de belofte, op grond van het evangelie. Van dat evangelie ben ik een dienaar geworden door de gave van Gods genade, die ik ontvangen heb door zijn kracht die in mij werkt.
Mij, de allerminste van alle heiligen, is de genade geschonken om de heidenen de ondoorgrondelijke rijkdom van Christus te verkondigen, en voor allen in het licht te stellen hoe het mysterie dat in alle eeuwen verborgen was in God, de schepper van het al, werkelijkheid wordt. Zo zal nu door de kerk de wijsheid van God in al haar schakeringen bekend worden aan alle vorsten en heersers in de hemelsferen, naar het eeuwenoude plan dat Hij heeft verwezenlijkt in Christus Jezus, onze Heer, in wie wij vrijelijk toegang hebben tot God, vol vertrouwen door ons geloof in Hem.

 

Jes. 12, 2-6

Refr.: God, de Heer, is mijn redder.

God, Hij is mijn redder,
ik heb een vast vertrouwen,
ik wankel niet,
want de Heer is mijn sterkte.
Hij is mijn beschermer,
Hij heeft mij redding gebracht.

Vol vreugde zullen jullie water putten
uit de bron van de redding.
Op die dag zullen jullie zeggen:
‘Loof de Heer, roep zijn Naam uit.
Maak alle volken zijn daden bekend,
verkondig zijn verheven Naam.

Zing een lied voor de Heer:
wonderbaarlijk zijn zijn daden.
Laat heel de aarde dit weten.
Jubel en juich, inwoners van Sion,
want groot is de Heilige van Israël,
die in jullie midden woont.’

 

Uit het evangelie volgens Lucas 12, 39-48

Aan iedereen heeft God mogelijkheden en talenten toevertrouwd, waarop we ook door Hem worden aangesproken. Zowel de talenten als het aangesproken worden, moeten we ernstig nemen.

Jezus sprak:
‘Besef wel: als de heer des huizes had geweten op welk uur de dief zou komen, dan zou hij niet in zijn huis hebben laten inbreken. Ook jullie moeten klaarstaan, want de Mensenzoon komt op een tijdstip waarop je het niet verwacht.’
Petrus vroeg: ‘Heer, is deze gelijkenis alleen voor ons bedoeld of voor iedereen?’
De Heer antwoordde: ‘Wie is die betrouwbare en verstandige rentmeester die de heer zal aanstellen over zijn knechten om hun op tijd het eten te geven dat hun toekomt? Gelukkig de dienaar die daarmee bezig is wanneer zijn heer komt. Ik verzeker jullie: hij zal hem aanstellen over alles wat hij bezit. Maar als die dienaar bij zichzelf zegt: Mijn heer komt maar niet, en als hij de knechten en dienstmeisjes gaat slaan, zich volvreet en zich bedrinkt, dan komt de heer van die dienaar op een dag waarop hij het niet verwacht en op een tijdstip dat hij niet kent, en dan zal hij hem straffen met zijn zwaard en hem het lot van de trouwelozen doen ondergaan. De dienaar die weet wat zijn heer wil, maar geen voorbereidingen treft en niet overeenkomstig zijn wil handelt, zal veel slagen te verduren krijgen. Maar wie niet weet wat zijn heer wil en zo handelt dat hij slaag verdient, zal weinig slagen te verduren krijgen.
Van iedereen aan wie veel gegeven is, zal veel worden geëist, en hoe meer aan iemand is toevertrouwd, des te meer zal van hem worden gevraagd.’

Van Woord naar leven

Petrus vraagt aan Jezus: ‘Heer, is deze gelijkenis alleen voor ons bedoeld of voor iedereen?’

Het evangelie is nooit voor ons met uitsluiting van anderen en het is nooit voor anderen met uitsluiting van ons. Het evangelie is altijd voor iedereen. Het evangelie is altijd voor u, voor mij. Het is Gods woord aan u gericht.

Dat krijgt Petrus meteen te horen. Die waakzaamheid waar iedereen aan wordt gehouden, wordt nu heel bijzonder in deze gelijkenis toegepast op mensen zoals Petrus, die door God geroepen zijn om leiding te geven aan de gelovige gemeenschap. Maar dat heeft weer tot gevolg, dat, als er weer een vermaning wordt gegeven, degene die niet in die functie staat, kan gaan denken: dat gaat over de leiders en ieder die geen leider is heeft daar niets mee te maken. Ja, hij kan zelfs, in de bijzondere toepassing van dit woord over de waakzaamheid bij de leiders gaan denken, dat hij als ondergeschikte helemaal geen verantwoordelijkheid heeft, dat hij zijn verantwoordelijkheid kan afwentelen op de leider.

Dat gebeurt heel veel. De mensen in de wereld geven de schuld aan de Kerk, of mensen in de Kerk geven de schuld aan priesters, aan de bisschoppen, de mensen die er voor staan zijn schuldig aan het verval van de Kerk. De priesters kunnen zeggen: het zijn de bisschoppen die niet goed leiding geven, en de leken kunnen zeggen: de priesters geven het slechte voorbeeld, of mijn ouders, of mijn omgeving, of de geseculariseerde, ontkerstende maatschappij. Daar kan ik niets aan doen. En zo geeft ieder de ander de schuld van het verval van de Kerk.

De parabel leert ons inderdaad een grote verantwoordelijkheid voor wie in de leiding staan. Maar wat de leiders zijn binnen de Kerk naar hun geloofsgenoten toe, dat zijn alle christenen in hun houding tegenover elkaar, en in wezen naar alle mensen in de samenleving.

Leiders zijn geroepen zout der aarde te zijn. En daar ieder van ons in wezen geroepen is om ‘leider’ (lees: dienaar van de Heer, van de gemeenschap) te zijn, is ieder van ons geroepen zout te zijn in deze wereld, ieder met zijn gaven, ieder in zijn specifieke roeping, ieder in zijn functie. Van ieder van ons kan worden gezegd dat ons veel is toevertrouwd, en dat veel is eigenlijk nog te weinig gezegd, want het woord van God is ons toevertrouwd.
Ons is zo veel toevertrouwd, dat Petrus in zijn eerste brief aan ons allen zegt: ‘Gij zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap, een heilige natie, Gods eigen volk, bestemd om de roemruchte daden te verkondigen van Hem die u uit de duisternis heeft geroepen tot zijn wonderbaar licht’ (1 Pe 2,9).

Als bij ons het licht dooft, minder begint te stralen, dan dooft het licht in onze omgeving, dan verflauwt de hoop bij gelovigen en niet-gelovigen.

Het licht van Christus is in ons hart aangestoken en dat mag / moet blijven schijnen en stralen naar buiten toe.

Steeds weer opnieuw dat licht van Christus opnemen, dat is wat wij doen wanneer wij luisteren naar Gods Woord en er gehoor aan geven.

Naar woorden van J. Bots, sj

Reageren, je eigen woordje plaatsen, of uitwisselen over de overweging,
kan via de blog Van Woord naar leven.

Laat ons bidden

Heer,
maak ons bewust van onze verantwoordelijkheid die wij dragen naar allen en alles. Héél véél hebt Gij ons toevertrouwd om vanuit U de wereld in God te brengen. Maak ons hart eenvoudig en fris, blij en welgezind, arm en bescheiden, om allen die wij ontmoeten U te tonen, om allen bij God te brengen waarvoor wij bidden.
Kom heilige Geest. Amen.