Lezingen van de dag – woensdag 27 mei 2015


Heilige (of feest) van de dag

Augustinus van Canterbury (+ 604)

Augustinus van Canterbury

Augustinus van Canterbury

Augustinus van Canterbury osb, Engeland; bisschop; † 604.

Tezamen met paus Gregorius I († 604; feest 3 september) draagt hij de eretitel Apostel van de Engelsen. Wanneer we voor het eerst van hem horen, is hij overste van van het Andreasklooster op de Caelische heuvel bij Rome.

In 596 nodigde paus Gregorius hem uit om met een groep van veertig monniken naar Engeland te gaan en daar de kerk te organiseren en het geloof te verkondigen onder degenen die nog niet met Christus in aanraking waren gekomen. Onderweg groeide er steeds meer twijfel in de groep over het de goede afloop van deze onerneming. Gregorius liet hen per brief bemoedigen, drong erop aan dat zij door zouden zetten en bekrachtigde zijn verlangen door aan bisschop Virgilius van Arles († ca 610; feest 5 maart) opdracht te geven Augustinus tot bisschop te wijden. Uiteindelijk landden ze op het toenmalige eilandje Thanet voor de oostkust van het Zuid-Engelse koninkrijkje Kent. Op aanraden van paus Gregorius stuurde Augustinus enkele Frankische tolken vooruit naar het hof van Ethelbert, koning van het koninkrijk Kent in Zuid-Engeland. Over het verdere verloop van de gebeurtenissen zijn wij uitstekend geïnformeerd door Sint Beda († 735; feest 25 mei), die er in zijn Geschiedenis van Kerk en Volk der Engelsen ruim aandacht aan besteedt.

De monniken vroegen de koning om een onderhoud en verklaarden dat hun meester uit Rome kwam en zeer goed nieuws te melden had. Ieder die het wenste te ontvangen, was verzekerd van eeuwige vreugde in de hemel en van een nimmer eindigende heerschappij met de levende en ware God. Na het aanhoren van dit bericht, gaf de koning bevel dat ze op het eiland zouden blijven en dat ze voorzien moesten worden van alwat ze nodig hadden, tot hij een besluit had genomen hoe te handelen. Hij kende de christelijke godsdienst al een beetje. Want hij had een christenvrouw uit het Frankische koningshuis. Zij heette Bertha. Haar ouders hadden in haar huwelijk toegestemd op voorwaarde dat zij in alle vrijheid haar eigen godsdienst mocht behouden en praktiseren. Om haar daarin behulpzaam te zijn had ze een persoonlijke bisschop meegekregen, Liudhard geheten.

Na verloop van een paar dagen kwam de koning naar het eiland. Daar hield hij zitting in de open lucht en zo riep hij Augustinus en zijn gezellen bij zich voor een onderhoud. Zorgvuldig lette hij erop dat zij hem niet onder één of ander dak zouden ontmoeten. Hij was namelijk een oud bijgeloof toegedaan en nu meende hij dat als het magiërs waren, ze hem dan zouden kunnen betoveren en in hun macht konden krijgen. Maar de monniken waren niet begiftigd met duivelse macht, doch, integendeel, met die van God zelf. Zij kwamen in plechtige processie naar de koning toe, waarbij ze een zilveren kruis meedroegen bij wijze van standaard. Bovendien hadden ze een op hout geschilderd portret van Christus bij zich. [Ongetwijfeld waren ze in vol ornaat. Wellicht werden er in de stoet ook nog heilige boeken meegedragen en mooi bewerkte kistjes met relieken van heiligen?] Om te beginnen richtten ze gebeden tot God in de vorm van een litanie: ze baden voor hun eigen eeuwig heil alswel voor het heil van degenen bij wie ze thans op bezoek waren…

Dit alles moet grote indruk gemaakt hebben op koning Ethelbert en zijn hele hofhouding. Niet in het minst natuurlijk vanwege de ernstige gebeden om heil en zegen die zij voor hem, een onbekende koning, deden bij hun God. De kroniek gaat als volgt verder.

De koning gaf een teken dat zij konden gaan zitten. Zij verkondigden voor hem en heel zijn hofhouding het woord des levens. Daarop sprak de koning: “Uw beloftevolle woorden lijken mij volkomen oprecht. Maar ze zijn nieuw en nog ongewis. Ik kan ze niet zomaar aannemen en daarmee het geloof van oudsher overboord gooien, dat ikzelf met heel het Engelse volk tot nu toe heb bewaard. Maar daar staat tegenover dat u er een lange reis voor over hebt gehad. Bovendien is het voor mij zonneklaar dat u eerlijk bent in uw verlangen ons te doen delen in datgene waarvan u gelooft dat het waar is en boven alles verheven. We zullen u dus geen enkel kwaad doen. Wij zullen u gastvrij opnemen en er zorg voor dragen dat u alles krijgt wat u maar nodig hebt. We zullen u dus ook niets in de weg leggen, wanneer u door uw verkondiging mensen wilt trachten te winnen voor uw godsdienst.”

De koning wees hun een onderkomen toe in de hoofdstad van zijn rijk, Canterbury. Overeenkomstig zijn uitdrukkelijke beloften schonk hij hun subsidies en deed hij niets af aan hun vrijheid om het woord Gods te verkondigen.

De volksmond weet nog te vertellen, hoe zij weer bij het naderen van de stad het heilig kruis en het portret van onze grote Heer en Koning Jezus Christus meedroegen, waarbij zij eenstemmig deze litanie zongen: “Wij smeken u, Heer, wend af uw toorn en woede van deze stad en van uw heilige woning, want wij zijn maar arme zondaars. Alleluia.”

Koning Ethelbert behoort tot Augustinus’ eerste bekeerlingen: in 601 liet hij zich tezamen met zijn hele hofhouding dopen.

Vanaf dat moment was Canterbury de officiële zetel van de bisschop en zou uitgroeien tot aartsbisdom. Daarnaast stichtte Augustinus er een klooster dat hij aan Sint Petrus en Paulus toewijdde, en dat later naar hem zou worden genoemd St-Augustine’s.

Na zijn dood werd hij bijgezet in de kerk van de door hem gestichte benedictijner abdij.

Op 13 september 1091 werden zijn relieken met veel plechtig vertoon overgebracht naar een nieuwe plek in de geheel verbouwde en vergrote kloosterkerk.

WOENSDAG IN WEEK 8 DOOR HET JAAR

Uit het boek Wijsheid van Jezus Sirach 36, 1-2 + 4-5 + 10-17

De vrome Jood bidt tot God om zijn verspreid volk  weer te verzamelen rond de ene Heer. Jezus zal om dezelfde eenheid bidden, een eenheid zoals de van de Vader in Hem en van Hem in de Vader. Wij bidden opdat hier op aarde diezelfde eenheid tot stand zal komen, die er in de hemel reeds is.

Heer, God van alles wat bestaat, ontferm u over ons, boezem alle volken angst voor U in. Aan hen hebt U door ons uw heiligheid getoond, toon zo door hen aan ons uw macht. Laten zij U erkennen, zoals ook wij erkennen, Heer, dat er geen god is buiten U.
Haast U, volvoer uw besluit, laat iedereen over uw grote daden vertellen. Laat wie vlucht door uw vurige toorn worden verteerd, vernietig ieder die uw volk kwaad doet. Verbrijzel de hoofden van de aanvoerders van de vijanden, die zeggen: ‘Er is niemand buiten ons.’ Breng de stammen van Jakob weer samen en geef hun het gebied van vroeger. Heer, ontferm U over uw volk, naar uw Naam genoemd, over Israël, dat U tot uw eerstgeborene hebt gemaakt.
Ontferm u over de stad van uw heiligdom, over Jeruzalem, waar uw rustplaats is.
Vervul Sion met de lofprijzing van uw glorie en uw tempel met uw luister.
Neem het op voor uw eerste schepselen, vervul de profetieën die in uw naam zijn uitgesproken.

 

Psalm 79, 8 + 9 + 11 + 13

Refr.: Toon ons Heer, uw barmhartigheid

Heer, reken ons de zonden van vroeger niet aan,
toon erbarmen en haast U, want onze ellende is groot,
266px-Diplotaxis_muralis2_W
help ons, God, bevrijd ons, tot eer van uw roemrijke Naam,
red ons en bedek onze zonden, omwille van uw Naam.

Laat het zuchten van uw geknechte volk U bereiken,
machtig is uw arm: houd in leven wie ten dode zijn gedoemd.
Wij zijn uw volk, de kudde die U hoedt,
wij zullen U prijzen tot in eeuwigheid,
van geslacht op geslacht verhalen van uw roem.

 

Uit het evangelie volgens Marcus 10, 32-45

Wanneer Jezus voor het laatst naar Jeruzalem trekt, maakt Hij zijn leerlingen duidelijk dat zijn dienstbaarheid daar zijn hoogtepunt zal bereiken in lijden en dood. Zij kunnen het echter niet begrijpen. Jezus herhaalt nogmaals ‘dat Hij niet gekomen is om gediend te worden maar om te dienen’, en dat dit ook hun lot zal zijn.

Ze waren onderweg naar Jeruzalem en Jezus liep voor hen uit; de leerlingen waren ongerust en ook de mensen die hen volgden waren bang. Hij nam de twaalf weer apart en vertelde hun wat Hem zou overkomen: ‘We zijn nu op weg naar Jeruzalem, waar de Mensenzoon zal worden uitgeleverd aan de hogepriesters en de schriftgeleerden, die Hem ter dood zullen veroordelen en Hem zullen uitleveren aan de heidenen. Ze zullen de spot met Hem drijven en Hem bespuwen en Hem geselen en doden, maar na drie dagen zal Hij opstaan.’
Jakobus en Johannes, de zonen van Zebedeüs, kwamen bij Hem en zeiden: ‘Meester, we willen dat U voor ons doet wat we U vragen.’
Hij vroeg hun: ‘Wat willen jullie dan dat Ik voor je doe?’
Ze zeiden: ‘Wanneer U heerst in uw glorie, laat een van ons dan rechts van U zitten en de ander links.’
Maar Jezus zei tegen hen: ‘Jullie weten niet wat je vraagt. Kunnen jullie de beker drinken die Ik moet drinken of de doop ondergaan die Ik moet ondergaan?’
‘Ja, dat kunnen wij’, antwoordden ze.
Toen zei Jezus tegen hen: ‘Jullie zullen de beker drinken die Ik zal drinken en de doop ondergaan die Ik zal ondergaan, maar wie er rechts of links van mij zal zitten, kan Ik niet bepalen, die plaatsen behoren toe aan hen voor wie ze zijn bestemd.’
Toen de andere leerlingen hiervan hoorden, werden ze woedend op Jakobus en Johannes.
Jezus riep hen bij zich en zei tegen hen: ‘Jullie weten dat de volken onderdrukt worden door hun eigen heersers en dat hun leiders hun macht misbruiken. Zo mag het bij jullie niet gaan. Wie van jullie de belangrijkste wil zijn, zal de anderen moeten dienen, en wie van jullie de eerste wil zijn, zal ieders dienaar moeten zijn, want ook de Mensenzoon is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen en zijn leven te geven als losgeld voor velen.’

Van Woord naar leven

Vandaag zegt Jezus tot ons: ‘Wie van jullie de belangrijkste wil zijn, zal de anderen moeten dienen, en wie van jullie de eerste wil zijn, zal ieders dienaar moeten zijn, want ook de Mensenzoon is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen en zijn leven te geven als losgeld voor velen.’

Het grote voorbeeld van dienstbaarheid is de Heer zelf.
Spontaan gaan mijn gedachten naar het evangelie van Witte Donderdag. Daar lezen we dat Jezus neerknielt voor de leerlingen om hen de voeten te wassen. Gods Zoon, waar wij de neiging hebben om voor te knielen, knielt zélf neer om de voeten van zijn leerlingen te wassen. Wat een groot gebaar van God !
Jezus stelt zich bij de voetwassing niet enkel op als gelijke, maar als mindere.

Dat is het ware dienen, inwendig knielen voor élke mens. Niet enkel voor die mens waar we gevoelsmatig sympathie voor koesteren, maar voor élke mens, ook voor hem die we liever niet zouden zien.

Bij het binnengaan van een kerk knielen veel mensen opdat Jezus daar aanwezig in de eucharistie. Het is een mooi en zinvol gebaar.
Maar kunnen wij diezelfde eerbied ook opbrengen voor onze medemens ?
Kunnen wij inwendig knielen voor elke mens die God ons op ons levenspad brengt, zowel in onze daden als in ons gebed ?

Net zoals de Heer niet gekomen is om gediend te worden maar om te dienen, is ieder van ons geroepen niet om gediend te worden maar om te dienen. En dit met een oeverloos respect voor de ander, al was het maar omdat hij of zij ook een kind van God is.

Werk aan de Gods winkel !

kris

Reageren, je eigen woordje plaatsen, of uitwisselen over de overweging,
kan via de blog Van Woord naar leven.

Laat ons bidden

Goede God,icon_of_christ
wie in uw ogen groot wil zijn, moet klein en nederig worden. Leer ons de weg gaan van het ware dienen, beziel ons met de gezindheid van Jezus, die voor ons zijn leven heeft gegeven.
Kom Heer Jezus, kom.
Amen.