Lezingen van de dag – woensdag 28 maart 2018


Heilige (of feest) van de dag

Taxiotis van Carthago († ca 500)

Taxiotis van Carthago, Noord-Afrika; boeteling

Op deze dag wordt vooral in de oosterse kerken het wonderlijke verhaal herdacht van de soldaat Taxiotis. Hij was een verstokte zondaar, maar werd door de goede zorgen van zijn vrouw uiteindelijk op het rechte pad gebracht. Maar toen hij eens met zijn vrouw naar hun buiten ging, herviel hij in zijn oude fout en pleegde overspel met de vrouw van één van zijn arbeiders. Door een slang gebeten stierf hij onmiddellijk daarna. Zes uur lag hij voor dood ter neer. Toen kwam hij tot leven, stond op en vertelde zijn verhaal. Hij was in het hiernamaals gevoerd langs alle plaatsen waar de zondaars terecht kwamen. Zo had hij ook meegemaakt wat de boze geesten deden met echtbrekers… Tenslotte was hij door een engel bij de hand genomen en naar zijn lichaam teruggevoerd. Hij kreeg nog veertig dagen de tijd boete te doen. Onmiddellijk nam hij ontslag uit de legerdienst en trok van kerk naar kerk. Daar sloeg hij dan met zijn hoofd tegen deur en drempel en jammerde luid. Aan de verbijsterde voorbijgangers vertelde hij wat hem overkomen was en bezwoer hun nooit meer te zondigen. Nooit! Na veertig dagen is hij gestorven.

woensdag in de Goede Week


Uit de profeet Jesaja 50, 4-9a

Het derde lied van de ‘Dienaar van Jahwe’ bezingt de volharding die deze als ijverige leerling put in de steun van Jahwe. Hij mag Gods woorden vertolken, omdat hij geluisterd heeft naar de Heer. Veel moeilijkheden zal hij ondervinden. Trouw zal hij blijven. De Heer is zijn helper.

God, de Heer, gaf mij een vaardige tong, waarmee ik de moedeloze kan opbeuren.
Elke ochtend wekt hij mijn oor, zodat het toegerust is om aandachtig te horen.
God, de Heer, heeft mijn oren geopend en ik heb geen verzet geboden, ik ben niet teruggedeinsd.
Ik heb mijn rug blootgesteld aan mijn folteraars,
wie mij de baard uittrokken, bood ik mijn wangen aan. Ik heb mijn gezicht niet verborgen toen ze mij beschimpten en bespuwden.
God, de Heer, zal mij helpen, daarom word ik niet gekwetst en is mijn gezicht zo onbewogen als een rots, want ik weet dat ik niet beschaamd zal staan.
Hij die mij recht verschaft is nabij. Wie durft tegen mij een geding aan te spannen? Laten we samen voor het gerecht verschijnen. Wie is mijn tegenstander in deze zaak? Laat hij mij tegemoet treden.
God, de Heer, zal mij helpen – wie zal mij dan veroordelen?

 

Psalm 69, 8 + 9 + 10 + 21bcd-22 + 31 + 33 + 34

Refr.: Nu is het de tijd van genade.

Om U moet ik smaad verduren
en bedekt het schaamrood mijn gezicht.
Ik ben voor mijn broers een vreemde geworden,
een onbekende voor de zonen van mijn moeder.

De hartstocht voor uw huis heeft mij verteerd,
de smaad van wie U smaadt, is op mij neergekomen.
Ik hoopte op mededogen – vergeefs;
op troost – die ik niet vond.

Nee, ze mengden gif door mijn eten
en lesten mijn dorst met azijn.
De Naam van God wil ik loven met een lied,
zijn grootheid met een lofzang prijzen.

De nederigen zien het en verheugen zich,
wie God zoeken, hun hart zal opleven.
Want de Heer hoort de armen,
zijn gevangen volk verwerpt Hij niet.

 

Uit het evangelie volgens Matteüs 26, 14-25

Men is vaak het meest ontgoocheld in zijn beste vrienden. Judas pleegt verraad aan zijn vriendschap met Jezus. De andere leerlingen zijn er zich zeer goed van bewust dat ook zij nog geen echte volgelingen van Jezus zijn. ‘Ik toch niet, Heer?’, vraagt elk van hen. Jezus kiest voor de trouw aan de wil van zijn Vader.

Eén van de twaalf, die met de naam Judas Iskariot, ging naar de hogepriesters en zei: ‘Wat krijg ik van u als ik Hem aan u uitlever?’
Ze betaalden hem dertig zilverstukken.
Vanaf dat moment zocht hij een gunstige gelegenheid om Hem uit te leveren.
Op de eerste dag van het feest van het Ongedesemde brood kwamen de leerlingen naar Jezus toe en vroegen: ‘Waar wilt U dat wij voorbereidingen treffen zodat U het pesachmaal kunt eten?’
Hij zei: ‘Ga naar de stad en zeg tegen de persoon die jullie bekend is: “De meester zegt: ‘Mijn tijd is nabij, bij jou wil Ik met mijn leerlingen het pesachmaal gebruiken.’”’
De leerlingen deden wat Jezus hun had opgedragen en bereidden het pesachmaal.
Toen de avond was gevallen, lag Hij samen met de twaalf aan voor de maaltijd.
Onder het eten zei Hij tegen hen: ‘Ik verzeker jullie: een van jullie zal mij uitleveren.’
Dit bedroefde hen zeer, en de een na de ander vroegen ze hem: ‘Ik toch niet, Heer?’
Hij antwoordde: ‘Hij die samen met mij zijn brood in de kom doopte, die zal mij uitleveren. De Mensenzoon zal heengaan zoals over Hem geschreven staat, maar wee de mens door wie de Mensenzoon uitgeleverd wordt: het zou beter voor hem zijn als hij nooit geboren was.’
Toen zei Judas, die Hem zou uitleveren: ‘Ik ben het toch niet, rabbi?’
Jezus antwoordde: ‘Jij zegt het.’

Van Woord naar leven

(mijn excuses, dezelfde overweging als vorig jaar)

Op een van de grootste momenten uit de geschiedenis, daar waar Jezus zichzelf zal schenken in brood en wijn, is het kwaad op z’n sterkst aanwezig.
De Heer, en de duivel in Judas… samen aan dezelfde tafel. De Heer, een en al liefde… en Judas, bezeten van zijn boze bedoelingen.

Waar christelijke liefde is, is de duivel nooit ver af. Dat deze laatste mee aan tafel zit, dwingt ons steeds op de hoede te zijn en de houding van innerlijke onthechting aan te nemen.

kris

Reageren, je eigen woordje plaatsen, of uitwisselen over de overweging,
kan via de blog Van Woord naar leven.
Laat ons bidden

Heer,
trek ons in uw liefde,
steeds meer, steeds dieper,
steeds intiemer.
Schenk ons tegelijkertijd een waakzaam hart,
want het kwade ligt steeds op de loer,
zeker wanneer wij ons aan U schenken.
Kom, Heer Jezus, kom.
Amen.