Lezingen van de dag – woensdag 3 januari 2018


Heilige (of feest) van de dag

H. Naam van Jezus

gedachtenis

Uit de tekst van Lukas kunnen we opmaken, dat aan een jongetje bij de besnijdenis ook officieel zijn naam gegeven werd. Er staat immers, dat Hij de Naam Jezus ontving, zoals Hij door de engel was genoemd, voordat Hij in de moederschoot werd ontvangen (Lukas 02,21). De naam Jezus betekent ‘Hij (= God) zal redden’, “want – zo had de engel in een droom aan zijn vader Jozef gezegd – Hij zal zijn volk verlossen van zijn zonden” (Matteus 01,21).
Zo groeide in de westerse kerk het gebruik om 1 januari tegelijk te vieren als Jezus’ naamdag. Dit feest werd in 1721 door paus Innocentius XIII († 1724) voor de gehele Kerk voorgeschreven.

Het spreekt vanzelf, dat reeds Jezus’ eerste leerlingen met eerbied verwijzen naar zijn heilige naam. Toen de Joodse overheden Petrus ter verantwoording riepen, omdat hij tegen hun uitdrukkelijk verbod in toch het evangelie verkondigde en zelfs genezingen verrichtte, antwoordde Petrus met klem, dat die wonderen alleen mogelijk waren door de Naam van Jezus (Handelingen 4,01-10).

Beroemd is de prachtige hymne van Paulus op Jezus’ Naam:
‘Hij die bestond in goddelijke majesteit,
heeft zich niet willen vastklampen
aan de gelijkheid met God.
Hij heeft zichzelf ontledigd
door het bestaan van een dienstknecht op zich te nemen
en aan de mensen gelijk te worden.
En als mens verschenen,
heeft Hij zich vernederd
door gehoorzaam te worden tot de dood,
tot de dood op het kruis.
Daarom heeft God Hem zeer verhoogd
en Hem de Naam gegeven
die is boven alle namen,
opdat in de Naam van Jezus
zich iedere knie zou buigen
van hemelingen, aardbewoners en hellegeesten,
en alle tong belijden
tot eer van God de Vader:
Jezus Christus is de Heer’
(Fil. 2, 6-11)

Het IHS-monogram
Een van de bekendste verwijzingen naar Jezus’ heilige Naam is het IHS-monogram. De oorspronkelijke betekenis ervan gaat terug op het Grieks en vormt de afkorting van de naam Jezus (Grieks: Ièsous; daarbij is de Griekse hoofdletter ‘I’ gelijk aan onze ‘I’ – het Grieks kent geen aparte letter ‘J’, evenmin als het Latijn trouwens; de Griekse ‘H’ correspondeert met onze ‘è’ en de ‘S’ is gelijk aan onze ‘S’). Deze afkorting schijnt al heel oud te zijn. Volgens Kirchbaum was ze al in gebruik in de eerste eeuwen van het christendom, toen het Grieks nog de voertaal was. Toen in de loop der tijden het Grieks werd verdrongen door het Latijn, herkende men er geen Griekse letters meer in, maar een Latijnse afkorting: In Hoc Signo (= In Dit Teken: bedoeld is het kruisteken). In dat geval verwijst de afkorting naar een legende uit het leven van keizer Constantijn († 337; feest 21 mei). Diens moeder, keizerin Helena († ca 328; feest 18 augustus), was christin en had al herhaaldelijk geprobeerd haar zoon tot haar godsdienst over te halen. Aan de vooravond van een belangrijke slag was de keizer onrustig ingeslapen. In een droom verscheen hem een engel aan de hemel die een kruis droeg. Daarbij verschenen de letters I.H.S. Constantijn verstond ze als ‘In Hoc Signo’, waarbij hij in gedachten aanvulde “vinces” [= In dit teken zul je overwinnen]. Hij beloofde de godsdienst van het kruisteken, waar zijn moeder zo aan gehecht was, aan te nemen in geval hij de volgende morgen de overwinning zou behalen. En zo geschiedde, aldus de legende). De uitleg ‘Iesus Hominum Salvator’ (= Jezus Mensen-Redder) is een vrome vondst van later tijd. Hans Ferrée kent nog de uitleg ‘Iesus Hortator Sanctorum’ (= ‘Jezus aanmaner der heiligen’) of ‘In Hoc Salus’ (= ‘hierin is het heil gelegen’).

Toen in de late Middeleeuwen de devotie tot de mens Jezus een grote vlucht nam (bv. onder invloed van Bernardus van Clairvaux († 1153; feest 20 augustus), Franciscus van Assisi († 1226; feest 4 oktober), Birgitta van Zweden († 1373; feest 23 juli) en Vincentius Ferrer († 1419; feest 5 april), gebruikte men het monogram graag als herkenningsteken).

Als Sint Bernardinus van Siena († 1444; feest 20 mei), voor het verzamelde volk preekte, droeg hij altijd een schild bij zich met de afkorting ‘Y.H.S.’ erop. Ook zijn tijdgenoot Sint Johannes van Capestrano († 1456; feest 23 oktober) dient hier te worden vermeld.

De jezuïeten en het IHS-embleem
En tenslotte Sint Ignatius van Loyola († 1556; feest 321 juli). Hij staat aan het begin van de jezuïetenorde, of zoals hij haar zelf noemde ‘Compagnie van Jezus’. Hij wenste uitdrukkelijk, dat de Orde naar Jezus zou worden vernoemd. Enkele jaren voor de stichting van de orde had Ignatius immers in een visioen, dat hem overkomen was bij het plaatsje La Storta, gezien, dat God de Vader hem bij zijn Zoon plaatste met de woorden: “Ik wil dat je Hem dient.” En tot de Zoon had de Vader gezegd: “Ik wil dat je hem aanneemt.” Naar Ignatius’ vaste overtuiging delen al zijn medebroeders in die genade.

Door de jezuïetenorde zal de verbreiding van het IHS-monogram een grote vlucht nemen. Zij maakt er gretig gebruik van om haar ideaal en daarmee ook zichzelf aan te duiden. Onder invloed van deze ontwikkeling worden er nieuwe betekenissen toegevoegd aan de afkorting I.H.S.: Iesum Habemus Socium (= ‘Wij hebben Jezus als gezel’: de jezuïeten heten officieel ‘Societas Jesu’ = ‘Gezelschap van Jezus’); of Iesu Humilis Societas (= ‘Het nederige gezelschap van Jezus’). Het zijn waarschijnlijk ook de jezuïeten geweest die onder de drie letters drie spijkers toevoegden; deze verwijzen naar Jezus’ lijden en dood; soms meent men daarin de letter ‘v’ te herkennen; deze wordt dan gezien als de afkorting van het woord ‘vinces’.

Al heel gauw geldt het IHS-embleem als het herkenningsteken bij uitstek voor de jezuïetenorde. Zelfs haar tegenstanders maken daar gebruik van in hun spotprenten. Overal waar de jezuïeten in de eerste periode van hun bestaan (ze werden door de paus opgeheven in 1773, en weer hersteld in 1814) hun sporen hebben nagelaten, vinden we het IHS-symbool terug: in Zuid-Oost-Azië, Noord- en Zuid-Amerika en in haast alle landen van West-Europa, inclusief de Noordelijke Nederlanden.

De jezuïeten vieren 1 januari, Jezus’ Zoete Naam als het naamfeest van hun Orde.

woensdag na 1 januari


Uit de eerste brief van Johannes 2, 29 – 3, 6

Het geloof doet alles anders zien. Het kan een mens radicaal veranderen. Het maakt mensen tot kinderen van God, en doet hen Gods leven delen. Het neemt hen op in Jezus. Dit vraagt anderzijds van de mens een fundamentele stellingname tegen alles wat zonde is.

Vrienden,
u weet dat Jezus rechtvaardig is, en u moet daarom wel inzien dat ieder die rechtvaardig leeft uit God geboren is.
Bedenk toch hoe groot de liefde is die de Vader ons heeft geschonken! Wij worden kinderen van God genoemd, en dat zijn we ook. Dat de wereld ons niet kent, komt doordat de wereld Hem niet kent.
Geliefde broeders en zusters, wij zijn nu al kinderen van God. Wat we zullen zijn is nog niet geopenbaard, maar we weten dat we aan Hem gelijk zullen zijn wanneer Hij zal verschijnen, want dan zien we Hem zoals Hij is.
Ieder die dit vol vertrouwen van Hem verwacht maakt zich rein, zoals ook Jezus rein is.
Ieder die zondigt overtreedt Gods wet, want zondigen is Gods wet overtreden.
U weet dat Jezus verschenen is om de zonden weg te nemen; er is in Hem geen zonde.
Ieder die in Hem blijft, zondigt niet.
Ieder die zondigt, heeft Hem nooit gezien en kent Hem niet.

 

Psalm 98, 1-6

Refr.: Juich als de Heer, uw Koning, verschijnt.

Zing voor de Heer een nieuw lied:
wonderen heeft Hij verricht.

Zijn rechterhand heeft overwonnen,
zijn heilige arm heeft redding gebracht.

De Heer heeft zijn overwinning bekendgemaakt,
voor de ogen van de volken zijn gerechtigheid onthuld.

Hij heeft gedacht aan zijn liefde en trouw
voor het volk van Israël.

De einden der aarde hebben het gezien:
de overwinning van onze God.

Juich de Heer toe, heel de aarde,
juich en jubel, zing het uit.

Zing voor de Heer bij de lier,
laat bij de lier uw lied weerklinken.

Blaas op de ramshoorn en de trompetten,
juich als de Heer, uw Koning, verschijnt.

 

Uit het evangelie volgens Johannes 1, 29-34

Johannes de Doper is een wegwijzer van Oud- naar Nieuw Testament. Als laatste profeet kondigt hij niet alleen de komst van de Messias aan, maar hij mag Hem ook letterlijk aanwijzen. Zijn zending bestaat erin te getuigen, en dan zelf te verdwijnen naar de achtergrond. Hij moet het heilsinitiatief aan Jezus overlaten.

Johannes zag Jezus naar zich toe komen, en hij zei: ‘Daar is het Lam van God, dat de zonde van de wereld wegneemt. Hij is het over wie ik zei: “Na mij komt iemand die meer is dan ik, want Hij was er vóór mij.” Ook ik wist niet wie Hij was, maar ik kwam met water dopen opdat Hij aan Israël geopenbaard zou worden.’
En Johannes getuigde: ‘Ik heb de Geest als een duif uit de hemel zien neerdalen, en Hij bleef op Hem rusten. Nog wist ik niet wie Hij was, maar Hij die mij gezonden heeft om met water te dopen, zei tegen mij: “Wanneer je ziet dat de Geest op iemand neerdaalt en blijft rusten, dan is dat degene die doopt met de heilige Geest.” En dat heb ik gezien, en ik getuig dat Hij de Zoon van God is.’

Van Woord naar leven

Johannes wees de Heer aan. ‘Zie het Lam van God’, zei hij. Hij zei dat met woorden. Het was zijn taak, zijn zending, waaraan hij zich met veel toewijding wijdde. Hij verwees ons naar Christus, naar het hart van ons bestaan.

Moeten wij zijn zoals Johannes de Doper ?
Ja en nee.

Nee, opdat we Johannes niet zijn, en omdat de Heer niet moet worden aangewezen zoals toen aan de oevers van de Jordaan.

Maar ook ja. Wij mogen zijn zoals Johannes. Want, zoals we gisteren zeiden, is Jezus op onnoembare vele en verschillende wijzen onder ons terwijl we Hem zo dikwijls niet zien.

Bij ons in het WZC ligt iemand op sterven. Ze is comateus, eet en drinkt niet meer, en geeft geen reactie meer. Langzaam maar zeker gaat haar kaarsje uitdoven. M ligt er vredig bij, rustig, schijnbaar heel ontspannen. Gisteren zat ik naast haar, haar hand in de mijne, rustig biddend voor haar. Toen kwam de dochter binnen. Een zeer warm en hartelijk mens. Ze boog zich over haar mama, streelde haar door het haar, knuffelde haar met haar handen in haar wangen, hield niet op met te zoenen op haar voorhoofd. ‘Ik ben het hé mama’, zei ze. Waarop M duidelijk reageerde door met haar hoofd te bewegen en diep te glimlachen. Zo mooi, teder en intens was dat.

Wanneer ik nu (gisteravond voor u die dit nu leest) de site voorbereid, en nadenk over het aanwijzen van Christus, moet ik heel sterk denken aan de dochter van M. Zij wees mij de Heer aan, daar in haar stervende moeder, daar in de knuffel die ze gaf aan haar mama. Ze verwees mij naar het hart van ons bestaan, naar de Heer, naar de liefde. Mooi toch.

Lieve mensen, laat ons liefhebben, en we wijzen, zonder we er ons misschien bewust van zijn, de Heer aan. We tonen Hem niet alleen, maar we verwijzen ook naar Hem.

Net zoals gisteren zou ik een warme oproep willen doen om wakker en alert door het leven te gaan: in al wat goed en waar is wordt naar de Heer verwezen. Laten we dat goede omhelzen (de Heer zelf), laten we het goede volgen, laten we wat goed is stimuleren. En ja, laten we, waar het pas geeft, het goede ook vernoemen. Het is echt niet verboden om over God te praten.

Dit laatste deed de dochter immers gisteren ook. Ze wist dat ik pastoraal werker was, en ze zei: ‘Ik ben niet katholiek, maar diep vanbinnen ben ik wel christen.’ Dit laatste was ze heel zeker, dat toonde ze in haar liefde voor haar mama, heel zeker.

Wanneer jullie deze mijmering lezen kan het goed zijn dat M overleden is. Mag ik jullie gebed vragen voor haar; dat ze hierboven goed mag aankomen, opgenomen in Gods eeuwige liefde.

kris

Reageren, je eigen woordje plaatsen, of uitwisselen over de overweging,
kan via de blog Van Woord naar leven.
Laat ons bidden

Heer Jezus,
leer ons U aan te wijzen aan de wereld door de liefde te volgen, door ons te verinnigen met haar, door in eenheid te leven met U.
Moge de liefde, Gij Heer, bemind worden.
Amen.