Lezingen van de dag – woensdag 4 april 2018


Heilige (of feest) van de dag

Benedictus de Moor († 1589)

Benedictus de Moor (ook van Palermo, van San-Filadelfo of de Zwarte) ofm.obs., Palermo, Sicilië, Italië; kluizenaar

Benedictus werd rond het jaar 1526 geboren in het dorpje San-Filadelfo (= tegenwoordig het waarschijnlijk naar hem genoemde plaatsje San-Fratello) op het Italiaanse eiland Sicilië. Zijn ouders waren christen: zijn vader heette Christoforus Manassère en zijn moeder Diane Lercan; ze waren slaven, afkomstig uit Ethiopië. Vandaar de bijnaam van Benedictus: ‘de Moor’ of ‘de Zwarte’. Om te vermijden dat hun kinderen in slavernij geboren zouden worden, leefden zij samen als broer en zus. Maar toen hun meester beloofde, dat hij hun eerste kind de vrijheid zou geven, werd Benedictus geboren. Zij gaven hem een diep christelijke opvoeding mee.

Van enige scholing was geen sprake, want al vroeg moest hij de schapen hoeden, die aan de zorgen van zijn vader waren toevertrouwd. Op het veld bracht hij vele uren in gebed door. Juist omdat hij geen enekele menselijke kennis bezat, ging hij in de grootste eenvoud om met God. Voldoende reden voor zijn leeftijdgenootjes om hem vreemd te vinden en dat door allerlei pesterijtjes flink te laten merken. Op zulke momenten trok hij zich nog meer terug in de eenzaamheid, want die was hem het liefste.

Toen hij voldoende verdiensten bij elkaar had gespaard, wilde hij een eigen bestaan opbouwen. Hij kost een span ossen en was gelukkig met zijn dagelijks werk. Zo was hij intussen eenentwintig geworden.

In de omgeving van San-Filadelfo woonde een eenzame kluizenaar, Gerolamo Lanza. Aanvankelijk was hij getrouwd geweest. Maar met toestemming van zijn vrouw had hij alle overbodige goederen verkocht en was in de eenzaamheid gaan wonen om het leven van de woestijnvaders na te volgen. Op een dag had hij gezien hoe de zwarte Benedictus werd getreiterd door zijn dorpsgenoten. Hij was hem gaan opzoeken in zijn hutje en had eenvoudig gevraagd:
“Wat doe jij hier nog, Benedictus? Verkoop je ossen en kom bij mij in de eenzaamheid wonen.”
Het was voor Benedictus alsof deze uitnodiging van God zelf kwam. Hij verkocht zijn beesten met pijn in het hart, want hij had er zo zuinig voor gespaard en zij waren een stuk van zijn leven geworden. De opbrengst ervan gaf hij weg aan de armen. Vanaf dat moment wijdde hij zich vol overgave toe aan Christus. Getweeën leidden de heilige mannen hun leven van boete, versterving en gebed. Zij kleedden zich in lompen; ze aten één keer per dag wat kruiden en dronken niets anders dan water. De plek waar zij woonden stond bekend als Santa-Dominga. Spoedig kwamen er andere jongemannen uit de omgeving die zich bij Benedictus aansloten. Ze leefden als kluizenaar en observanten volgens de regel van Sint Franciscus. De mensen stroomden toe om raad en troost. Dat werd tenslotte zo erg, dat ze zich genoodzaakt zagen zich nog verder in de eenzaamheid terug te trekken. Eerst vestigden zij zich bij het dorpje Nazzara en acht jaar later in het ijzig koude Mancusa, hoog op de berg. Zij deelden daar de grotten met de wolven. Maar toen Benedictus eens een wonder had verricht, werd de toeloop van troost- en sensatiezoekers zo groot, dat ze nogmaals verder moesten trekken.

Vanaf dat moment woonden ze op de Monte Pellegrino nog geen mijl verwijderd van de stad Palermo. Van rotsblokken bouwden ze er armzalige hutten als woninkjes. Maar voor een kapel hadden ze de middelen niet. De onderkoning van Sicilië kwam hun te hulp. Hij bouwde niet alleen een kapel, maar liet ook een waterreservoir aanleggen.

Benedictus is ook nog enige tijd gardiaan geweest. Dat duurde tot 1562. Toen gaf paus Pius IV het verlangen te kennen dat zij zich officieel zouden aansluiten bij de Orde van de Franciscanen. Zo kwam Benedictus achtereenvolgens in verschillende kloosters terecht. Tenslotte bleef hij wonen in het Mariaklooster vlakbij Palermo. Daar maakte men hem keukenbroeder. Hij vervulde die functie in de grootste eenvoud. Er doen over hem verschillende verhalen de ronde.

Eens was al het eten op in het klooster. Omdat het buiten flink sneeuwde, was het onmogelijk om uit bedelen te gaan. Benedictus zei tot de broeder die hem hielp in de keuken, dat ze alle voorraadkruiken vol sneeuwwater moesten doen. Vervolgens keerden zij zich in tot gebed. De hele nacht. Bij het krieken van de dag bleek, dat de kruiken vol zaten met levende vissen. Genoeg voor de hele gemeenschap om een aantal dagen van te leven.

Een ander verhaal vertelt, dat hij op een kerstfeest zo in zijn gebed verzonken was geraakt, dat het eten koken er helemaal bij was ingeschoten. En dat terwijl de aartsbisschop van Palermo op het kerstdiner was uitgenodigd. Toen iedereen aan tafel ging, bleek er een overvloed aan spijzen te zijn. Niemand heeft er iets van gemerkt…

Tot zijn grote verdriet werd hij in 1578 tot gardiaan benoemd. Dat was des te pijnlijker, omdat hij altijd een eenvoudige leek was geweest. En in zijn nieuwe functie zou hij gehoorzaamheid moeten vragen van priesters. Dat ging zijn bevattingsvermogen te boven. Vandaar dat hij op uiterst delicate en bescheiden wijze leiding gaf. Bij alles wat hij van anderen vroeg, zette hij zichzelf op de laatste plaats. Geen wonder, dat zijn huisgenoten hem op handen droegen. Maar doordat hij ieder die aanbelde bij het klooster met liefde en vriendelijkheid te woord stond, was hij ook bij de bevolking in de buurt razend populair. Dat bleek, toen hij eens deel moest nemen aan een overstenvergadering in Girgenti. Met moeite wist hij door het gedrang heen te komen: ieder wilde hem aanraken; ieder wilde zijn persoonlijke zegen. Tenslotte besloot hij alleen nog ’s nachts te reizen.

Nadat zijn termijn verlopen was, maakte men hem tot plaatsvervangend overste en vervolgens novicemeester. Zijn wijsheid en kennis oogstten de grootste bewondering, en dat terwijl hijzelf niet eens lezen en schrijven kon! Uiteindelijk mocht hij terugkeren naar zijn geliefde plekje in de keuken.

In de loop van februari van het jaar 1589 werd hij ziek. Op zijn ziekbed zou hij zijn bezocht door Sint Ursula, want voor haar had hij zijn hele leven een grote devotie gehad. Hij stierf op 4 april 1589.

Na zijn dood stroomden de pelgrims naar zijn graf om – net als tijdens zijn leven – zijn voorspraak te vragen bij God in al hun noden.

Sinds 1652 is hij medepatroon van de stad Palermo.

Hij werd in 1807 heilig verklaard.

woensdag in de paasweek


Uit de Handelingen van de Apostelen 3, 1-10

Christen zijn, getuigen van de verrijzenis, is niet op de eerste plaats schermen met woorden, maar leven, spreken en handelen als Jezus. Wij zien Petrus een zieke genezen: hij gebruikt woorden , gebaren, kortom de ‘stijl’ van Jezus zelf. Dit toont hoe Jezus zelf met zijn leerlingen actief blijft. Belangrijk is hier ook dat het om Jezus en om God gaat, niet om Petrus, mens en bedienaar van Gods heilswerk. Niet de apostel, maar wel God wordt verheerlijkt door de mensen die dit heilsmoment bijwoonden.

Op een dag gingen Petrus en Johannes zoals gewoonlijk omstreeks het negende uur naar de tempel voor het middaggebed. Men had ook een man die al sinds zijn geboorte verlamd was naar de tempel gebracht; hij werd daar elke dag neergelegd bij de poort die de Schone heet, om te bedelen bij de bezoekers van de tempel. Toen hij zag dat Petrus en Johannes de tempel wilden binnengaan, vroeg hij om een aalmoes.
Petrus richtte zijn blik op hem, evenals Johannes, en zei: ‘Kijk ons aan.’
De bedelaar keek naar hen op, in de verwachting iets van hen te krijgen.
Maar Petrus zei: ‘Geld heb ik niet, maar wat ik wel heb, geef ik u: in de naam van Jezus Christus van Nazaret, sta op en loop.’
Hij pakte hem bij zijn rechterhand om hem overeind te helpen. Onmiddellijk kwam er kracht in zijn voeten en enkels. Hij sprong op, ging staan en begon te lopen. Daarna ging hij samen met hen de tempel binnen, lopend en springend en God lovend.
Alle tempelbezoekers zagen hem lopen en hoorden hem God loven. Ze herkenden hem als de bedelaar die altijd bij de tempelpoort had gezeten en waren buiten zichzelf van verbazing over wat er met hem was gebeurd.

 

Psalm 105, 1-9

Refr.: Wees blij van hart, u die de Heer zoekt.

Loof de Heer, roep luid zijn Naam,
maak zijn daden bekend onder de volken.
Zing en speel voor Hem,
spreek vol lof over zijn wonderen.
Beroem u op zijn heilige Naam,
wees blij van hart, u die de Heer zoekt.

Zie uit naar de Heer en zijn macht,
zoek voortdurend zijn nabijheid.
Gedenk de wonderen die Hij heeft gedaan,
de oordelen die Hij heeft uitgesproken.
Nageslacht van Abraham, zijn dienaar,
kinderen van Jakob, door Hem verkozen.

Hij is de Heer, onze God,
zijn besluiten gelden over de hele aarde.
Tot in eeuwigheid zal Hij gedenken
zijn belofte aan duizend geslachten.
Het verbond dat Hij sloot met Abraham
en voor Isaak bevestigde met een eed.

 

Uit het evangelie volgens Lucas 24, 13-35

Zoals de leerlingen van Emmaüs kunnen wij Jezus pas ervaren, zien, in onze wereld, in onze menselijke relaties, als we echt geloof hebben, als we alles met nieuwe ogen bekijken. Alles rondom ons, de opbloeiende natuur, de openbloeiende mensen, onze eigen ervaringen, leiden naar Hem. Dat geloof is altijd een tasten. Want als we Hem herkennen, verdwijnt Hij dikwijls weer uit ons gezicht.

Op de eerste dag van de week gingen twee van de leerlingen op weg naar een dorp dat Emmaüs heet en zestig stadie van Jeruzalem verwijderd ligt. Ze spraken met elkaar over alles wat er was voorgevallen.
Terwijl ze zo met elkaar in gesprek waren, kwam Jezus zelf naar hen toe en liep met hen mee, maar hun blik werd vertroebeld, zodat ze Hem niet herkenden.
Hij vroeg hun: ‘Waar loopt u toch over te praten?’
Daarop bleven ze somber gestemd staan.
Een van hen, die Kleopas heette, antwoordde: ‘Bent U dan de enige vreemdeling in Jeruzalem die niet weet wat daar deze dagen gebeurd is?’
Jezus vroeg hun: ‘Wat dan?’
Ze antwoordden: ‘Wat er gebeurd is met Jezus uit Nazaret, een machtig profeet in woord en daad in de ogen van God en van het hele volk. Onze hogepriesters en leiders hebben Hem ter dood laten veroordelen en laten kruisigen. Wij leefden in de hoop dat Hij degene was die Israël zou bevrijden, maar inmiddels is het de derde dag sinds dit alles gebeurd is. Bovendien hebben enkele vrouwen uit ons midden ons in verwarring gebracht. Toen ze vanmorgen vroeg naar het graf gingen, vonden ze zijn lichaam daar niet en ze kwamen zeggen dat er engelen aan hen waren verschenen. De engelen zeiden dat Hij leeft. Een paar van ons zijn toen ook naar het graf gegaan en troffen het aan zoals de vrouwen hadden gezegd, maar Jezus zagen ze niet.’
Toen zei Hij tegen hen: ‘Hebt u dan zo weinig verstand en bent u zo traag van begrip dat u niet gelooft in alles wat de profeten gezegd hebben? Moest de messias al dat lijden niet ondergaan om zijn glorie binnen te gaan?’
Daarna verklaarde Hij hun wat er in al de Schriften over Hem geschreven stond, en Hij begon bij Mozes en de Profeten.
Ze naderden het dorp waarheen ze op weg waren. Jezus deed alsof Hij verder wilde reizen. Maar ze drongen er sterk bij Hem op aan om dat niet te doen en zeiden: ‘Blijf bij ons, want het is bijna avond en de dag loopt ten einde.’ Hij ging mee het dorp in en bleef bij hen.
Toen Hij met hen aan tafel aanlag, nam Hij het brood, sprak het zegengebed uit, brak het en gaf het hun.
Nu werden hun ogen geopend en herkenden ze Hem. Maar Hij werd onttrokken aan hun blik.
Daarop zeiden ze tegen elkaar: ‘Brandde ons hart niet toen Hij onderweg met ons sprak en de Schriften voor ons ontsloot?’
Ze stonden op en gingen meteen terug naar Jeruzalem, waar ze de elf en de anderen aantroffen, die tegen hen zeiden: ‘De Heer is werkelijk uit de dood opgewekt en Hij is aan Simon verschenen!’
De twee leerlingen vertelden wat er onderweg gebeurd was en hoe Hij zich aan hen kenbaar had gemaakt door het breken van het brood.

Van Woord naar leven

De leerlingen keerden Jeruzalem de rug toe, weg van de stad van lijden, dood en verrijzenis. Maar de Heer liep met hen mee, wilde hen ontmoeten, maakte zich kenbaar. Na deze ontmoeting gingen de leerlingen terug naar Jeruzalem, terug naar de stad van lijden, dood en verrijzenis.

Ook wij lopen wel eens weg van het kruis, weg van de liefde. Enerzijds omdat we dikwijls zo weinig begrijpen van de liefde, anderzijds omdat deze weg ons soms beangstigt; ons bang maakt onszelf te verliezen.
Maar de Heer kent onze twijfels en doorziet onze angst, veel meer dan we vermoeden. En net zoals bij de leerlingen komt Hij ook ons tegemoet. Ook met ons loopt Hij mee. Ook ons wilt Hij ontmoeten. Ook aan ons wilt Hij zich kenbaar maken.

Waakzaamheid, biddende opmerkzaamheid… weet je nog, we hadden het er gisteren hier nog over.

Mogen we Jezus die met ons meegaat ten diepste welkom heten, opdat onze twijfels, onze zwakheden, ons ongeloof, kan omgebogen worden naar zijn licht.

Laten we niet weglopen van Jeruzalem, maar er voor goed onze woonst in vinden. Want in deze stad, daar in het diepst van onze ziel, het nieuwe Jeruzalem, zullen we de genade ontvangen de weg van de ware liefde te gaan, de weg van het kruis, de weg van de opstanding; niet alleen, maar mét de Heer, tot geluk van zovelen.

kris

Reageren, je eigen woordje plaatsen, of uitwisselen over de overweging,
kan via de blog Van Woord naar leven.
Laat ons bidden

Heer,
kom in onze twijfels,
raak ons ongeloof aan,
maak U kenbaar in onze angsten.
Geef dat wij ons in uw armen werpen,
om genezen door U en vanuit U
de weg van uw liefde te gaan.
Kom oh Geest des Heren.
Amen.