Lezingen van de dag – woensdag 4 oktober 2017


Heilige (of feest) van de dag

Franciscus van Assisi († 1226)

Franciscus van Assisi, Italië; diaken, stichter & mysticus. Heerlijke mens !!
 
Hij werd in 1182 geboren in Assisi, een plaatsje in de Italiaanse landstreek Umbrië, als zoon van de rijke lakenkoopman Pietro Bernardone. Eigenlijk heette hij Giovanni. Maar omdat vader graag pronkte met zijn successen en op het moment van Giovanni’s geboorte in Frankrijk verbleef, noemde hij zijn zoon sindsdien Francesco, ‘Fransmannetje’. De jongen kreeg de opvoeding die bij zijn status paste. Het maakte hem tot een zelfverzekerde jongeman, vriendelijk in de omgang, vrolijk, in alle takken van sport de beste, gezien bij de meisjes en vrijgevig met geld. Hij droomde ervan ridder te worden. Door gevangenschap en ziekte raakte hij echter in een crisis. Zijn vrienden bleven weg. Heel snel was men hem vergeten. Het werd hem duidelijk dat hij beter kon vertrouwen op God dan op mensen.

De verhalen vertellen dat stemmen hem zeiden de kerk weer op te bouwen. Hij meende dat het ging om een vervallen kerkje in de omgeving van Assisi, de San Damiano. Dat knapte hij op met het geld dat hij verdiende door in de kelder opgeslagen stoffen van zijn vader te verkopen. Deze had hem daar geen toestemming voor gegeven en zag zijn beoogde winsten opgaan aan een zinloze, geld verslindende onderneming. Hij was woedend en sloot hem op. Maar eenmaal vrij ging Franciscus gewoon door. Nu sleepte vader zijn zoon voor de rechter; die verwees de zaak door naar de bisschop. Omstuwd door de hele plaatselijke bevolking klaagde vader zijn zoon aan bij de bisschop en eiste al het geld van zijn zoon terug. Daarop gespte Franciscus voor het oog van alle aanwezigen zijn beurs los en wierp die zijn vader voor de voeten. Vervolgens kleedde hij zich uit tot op het naakte lijf en gooide kledingstuk voor kledingstuk voor zijn vader neer. Nu kwam de bisschop achter de jongeman staan en sloeg zijn mantel om hem heen. Vanaf dat moment was het voor iedereen duidelijk, dat Franciscus voortaan niet meer bij zijn vader hoorde, maar bij de Kerk van Christus (1206).

Hij nam zijn intrek in het kloostertje bij de San-Damianokerk. Daar leidde hij het leven van een kluizenaar. Hij kreeg de bijnaam ‘Il Poverello’ (‘armoedzaaiertje’) en verlangde er alleen nog naar een huwelijk aan te gaan met Vrouwe Armoede. Hij bedelde zijn voedsel bij elkaar. De eerste keer moest hij kokhalzen toen hij al die restjes en kliekjes zo op elkaar zag liggen. Maar hij wende er gauw aan. Wat hij nog bezat gaf hij weg aan armen en zwervers.
Na twee jaar begon hij in de omtrek te preken. Zijn boodschap was liefde: liefde voor de Schepper, voor mens, dier en plant. Hij noemde alle schepselen zijn broeders en zusters.
Al heel spoedig sloten zich wat volgelingen bij hem aan. Ze betrokken een huis, Portiuncula en noemden dat hun klooster. Franciscus schreef een heuse regel, die in 1217 door paus Honorius III († 1227) werd goedgekeurd. Nu waren ze een kloosterorde. Ze noemden zich ‘Minderbroeders’ (Fratres Minores). In korte tijd breidden zij zich uit over heel Italië, Spanje en Frankrijk.

Reeds in 1212 had zich de edele jonkvrouwe uit Assisi, Clara Scifi († 1253; feest 11 augustus), bij hem aangesloten. Naar diens voorbeeld had ze met thuis gebroken en wist ze aan de greep van haar familie te ontsnappen. Net als Franciscus huwde ze met Vrouwe Armoede en liet zich door hem het kloosterhabijt aantrekken. Zo werden zij samen de stichters van de naar haar genoemde kloosterorde der clarissen. De vrouwen leefden geheel volgens de regel die Franciscus had geschreven. Zowel de mannen als de vrouwen werden gekenmerkt door eenvoud, vrolijkheid, armoede en eerbied jegens alle schepselen.

Reeds twee jaar na zijn dood werd Franciscus heilig verklaard. Op zijn graf in Assisi werd de San-Francescokerk gebouwd (1228-1253). Ze werd fantastisch versierd met afbeeldingen uit zijn leven door de beste Italiaanse kunstenaars van die tijd. Hoe mooi en kunstzinnig ook, eigenlijk was dit alles in tegenspraak met zijn geest van eenvoud.
De talrijke anekdotes die er over zijn leven de ronde deden, werden verzameld in het boekje ‘Fioretti’ (‘Bloempjes van Franciscus’). Zijn medebroeder Thomas van Celano schreef twee levensbeschrijvingen.
Hij is hoofdpatroon van Italië; daarnaast van de kerkelijke Staat en de landstreek Umbrië en van de Italiaanse steden Assisi, Bologna, Borgo Val di Taro, Castiglione, Ferrara, Gubbio, Livorno, Mantua, Modena, Palermo, Pesaro, Piacenza, Urbino.

In Zwitserland van het bisdom Basel en in de Verenigde Staten van San Francisco (Californië) en Santa Fe (New Mexico; oorspronkelijk La Villa Real de la Sante Fe de San Francis de Asis).
Verder is hij patroon van de franciscanen, van de armen, van de Katholieke Actie en van de sociale arbeid; van kooplieden, lakenhandelaren, vlashandelaren, kleermakers en wevers; van behanghandelaren en correspondenten in vreemde talen.

Toen in 1931 een geschikte datum werd gezocht voor werelddierendag, koos men voor zijn feestdag, 4 oktober. Sinds 1979 is hij ook patroon van het milieu, van milieubeschermers en ecologen. Zo is hij ook patroon van vogels en andere dieren.

Zijn voorspraak wordt ingeroepen tegen hoofdpijn en de pest.

Hij wordt afgebeeld in het kleed van zijn orde (bruine pij met wit koord; in het afhangende gedeelte van het koord zijn drie knopen gelegd; bruine capuce, rond en stijf met kraagvormige schoudermantel; sandalen). Verder is hij altijd te herkennen aan Christus’ wonden in handen en voeten. Vaak heeft hij een kruis, een boek en een doodskop (teken dat alles op deze wereld voorbijgaat en dat men zich dus consequent op het hiernamaals richt). Soms ziet men hem afgebeeld in gebed, de armen gespreid; vaak krijgt hij vanuit de hemel door een cherubs (rood gekleurde zesvleugelige engel) Christus’ wondetekenen toegestuurd.

woensdag in week 26 door het jaar


Uit het boek Nehemia 2, 1-8

Nehemia, een vooraanstaand man aan het hof van de koning van Perziê en een Jood, is bekommerd om zijn volk. Hij vraagt en krijgt toelating van de koning om zijn volk ter hulp te komen. Hij helpt het bij het herbouwen van de muren van Jeruzalem en zal later maatregelen treffen voor de handhaving van de Wet van God.

Het was in de maand nisan, in het twintigste regeringsjaar van Artaxerxes. De wijn stond op tafel. Ik nam de wijn en bood die de koning aan. Nooit had hij iets op me aan te merken gehad, maar nu zei hij: ‘Waarom kijk je zo somber, je bent toch niet ziek? Er is vast iets dat je dwarszit.’
Ik schrok hevig en zei: ‘Majesteit, leef in eeuwigheid! Hoe zou ik niet somber zijn als de stad waar mijn voorouders begraven zijn, is verwoest en haar poorten in vlammen zijn opgegaan?’
‘Wat is dan je wens?’ vroeg de koning.
Ik bad tot de God van de hemel, en antwoordde de koning: ‘Als het de koning goeddunkt, en als u het mij, uw dienaar, toestaat, zend mij dan naar Juda, om de stad te herbouwen waar mijn voorouders begraven liggen.’
De koning, met zijn lievelingsvrouw aan zijn zijde, wilde weten hoe lang mijn reis zou duren en wanneer ik terug zou keren. Nadat ik de koning een tijdstip had genoemd, willigde hij mijn verzoek om te vertrekken in.
‘En als het de koning goeddunkt’, zo zei ik, ‘laat men mij dan brieven meegeven voor de gouverneurs van de provincie Trans–Eufraat, opdat zij mij doorgang verlenen tot aan Juda.’
Ook verzocht ik om een brief voor Asaf, het hoofd van de koninklijke houtvesterijen, om mij hout te leveren voor de balken van de poorten van de tempelburcht, voor de stadsmuur en voor de woning waarin ik mijn intrek zou nemen.
Omdat mijn God mij bescherming bood, gaf de koning mij de verlangde brieven.

 

Psalm 137, 1-6

Refr.: Jeruzalem, geef dat ik u nooit vergeet.

Aan de rivieren van Babel,
daar zaten wij treurend
en dachten aan Sion.

In de wilgen op de oever
hingen wij onze lieren.
Daar durfden onze bewakers
te vragen om een lied.

Daar vroegen onze beulen:
‘Zing voor ons een vrolijk lied uit Sion.’
Hoe kunnen wij zingen een lied
van de Heer op vreemde grond ?

Als ik jou vergeet, Jeruzalem,
laat dan mijn hand de snaren vergeten.

Laat mijn tong aan mijn gehemelte kleven
als ik niet meer denk aan jou,
als ik Jeruzalem niet stel
boven alles wat mij verheugt.

 

Uit het evangelie volgens Lucas 9, 57-62

Aan drie mensen, die bereid zijn Hem te volgen, openbaart Jezus wat vereist is om zijn leerling te worden: alle veiligheid opgeven, de doden (hier bedoelt als hen die het Leven van de Heer niet willen ontvangen) het hunne laten doen, en radicaal voorwaarts gaan zonder om te zien naar het verleden.

Iemand zei tot Jezus: ‘Ik zal U volgen waarheen U ook gaat.’
Jezus zei tegen hem: ‘De vossen hebben holen en de vogels hebben nesten, maar de Mensenzoon kan zijn hoofd nergens te ruste leggen.’
Tegen een ander zei Hij: ‘Volg mij!’
Maar deze zei: ‘Heer, sta me toe eerst terug te gaan om mijn vader te begraven.’
Jezus zei tegen hem: ‘Laat de doden hun doden begraven, maar ga jij op weg om het Koninkrijk van God te verkondigen.’
Weer een ander zei: ‘Ik zal U volgen, Heer, maar sta me toe dat ik eerst afscheid neem van mijn huisgenoten.’
Jezus zei tegen hem: ‘Wie de hand aan de ploeg slaat en achterom blijft kijken, is niet geschikt voor het koninkrijk van God.’

Van Woord naar leven

Christen zijn doe je vandaag. Dat deed je misschien ook gisteren, maar gisteren is voorbij. Misschien was het gisteren een baaldag. Heerlijk … die is weer achter de rug en vandaag mogen we weer met frisse moed en een even frisse ziel de nieuwe dag aangaan. Voor heel wat mensen waren de voorbije jaren misschien ook baaljaren; om welke reden ook.
Jezus zegt: niet achterom kijken, geen hand aan de ploeg slaan, maar hop … vooruit. Met opgeheven hoofd, je leven gericht naar de Vader, met een arm hart geopend voor Hem, je toevertrouwend aan het zachte vuur van de Geest diep in je.

Een christen is geen archiefmens. Hij is een vandaag-mens. Hij leeft in het nu, bemint het nu, en heeft alles van dit nu lief. Met een propere lei, met nieuwe kansen, met frisse energie.

Weet je, ik kom zo vaak mensen tegen die zwaar gebukt door het leven gaan door hun verleden. Begrijpelijk … mensen maken soms ook wat mee. Maar we zouden elkaar moeten stimuleren in het achter laten van het verleden. Niet door het te vergeten, maar door het leven zo lief te hebben dat het verleden geen struikelblok meer is om vandaag er volop voor te gaan. Vele mensen leven in onvrede met anderen, of zichzelf, doordat ze het verleden meedragen als een echte ballast.

Versta me niet verkeerd, ik wil over dit laatste niet licht doen. Soms is het nodig om professionele hulp van buitenaf in te roepen om klaar te komen met het verleden. Ja, soms is dat nodig. Maar als christenen mogen we daar ook mee omgaan vanuit ons christen-zijn, wetend dat de Heer ons in zijn liefde door en door kent: wat men ons mogelijk heeft aangedaan in het verleden, onze eigen zonden uit dat verleden, die negatieve ballast die we daardoor dikwijls meedragen. De Heer neemt ons vandaag op in zijn barmhartigheid, geeft ons ten volle nieuwe kansen, neemt ons op in zijn liefde, en vraagt mee te werken in zijn wijngaard; vandaag.

En dat verleden … het kan een springplank zijn naar vandaag, naar morgen, naar innerlijke groei.
Geef je hele zijn aan de Heer, wees dankbaar om de nieuwe kansen die je krijgt, grijp ze ten volle, en ga ervoor. Genezing en innerlijke blijheid zal je deelgenoot zijn !

kris

Reageren, je eigen woordje plaatsen, of uitwisselen over de overweging,
kan via de blog Van Woord naar leven.
Laat ons bidden

Heer,
meer dan wij zelf weten weet Gij dat voor velen van ons het verleden heel dikwijls een rem betekent om U te volgen. Als een zware ballast wegen de jaren soms zo dikwijls door op onze schouders. Help ons heel ons zijn, heel ons verleden, al onze kwetsuren, ons niet kunnen vergeven, onze opgehoopte haat, te dragen in U. Gij, en enkel Gij, kunt dit alles ombuigen naar uw Licht, en ons bekwaam maken U te volgen; niet achterom kijkend, maar vooruit, als vernieuwde mensen door uw genade.
Kom Heer Jezus, alle dagen van ons leven.
Amen.