Lezingen van de dag – woensdag 5 april 2017


Heilige (of feest) van de dag

Vincentius Ferrer († 1419)

Vincentius (in Bretagne Visant) Ferrer (soms Ferrier) op, Vannes, Bretagne, Frankrijk; kloosterling & volkspredikant

Hij was rond 1350 in het Spaanse Valencia geboren uit een Engelse vader en een Spaanse moeder. Reeds op jonge leeftijd trad hij toe tot de orde der dominicanen. Hij werd een beroemd predikant die heel Europa doortrok om de mensen op te roepen zich van hun lakse levenswijze te bekeren. Hele volksmassa’s kreeg hij op de been. Hij wist ze meesterlijk te bespelen in dienst van het evangelie. Het was dus een slimme zet van de tegenpaus te Avignon, Clemens VII (1378-1394), toen hij van Vincentius’ kwaliteiten gebruik maakte om het koninklijk huis van Aragón op zijn hand te krijgen.

De verwarring binnen de kerk van die tijd was zo groot dat zelfs een heilig man als Vincentius lange tijd gemeend heeft hiermee de goede zaak te dienen. De leiding van de dominicaner orde riep hem echter terug en gaf hem een spreekverbod; nu gaf hij les aan de domschool van Valencia. Maar vanaf 1399 trad hij weer op in het openbaar. Toen hij in Toulouse preekte, werden de lessen aan de plaatselijke universiteit drie weken lang stilgelegd om ieder de gelegenheid te geven naar hem te gaan luisteren.

Pas in 1412 begon hij in te zien dat hij fout was geweest met zijn steun aan de paus van Avignon. Dat was een zeer pijnlijke ontdekking. Hoe diep dit alles hem geraakt moet hebben, kunnen we afleiden uit het feit dat hij zich van nu af ‘afgezant van Paus Jezus’ noemt. Het Concilie van Konstanz (1413-1417) zorgde ervoor dat er weer één paus aan het hoofd van de kerk stond. Hij speelde een belangrijke rol in het schisma rond de ware paus. In 1416 maakte hij zich in een rede te Perpignan, Zuid-Frankrijk, officieel los van de toenmalige tegenpaus van Avignon, Benedictus XIII. Daarop trok hij naar Bretagne om er het volk weer tot God te brengen. Maar hij was intussen een oud man geworden. Hij kon zelfs niet meer op zijn eigen benen staan; hij moest door een ezel gereden worden. Het was tenslotte te Vannes dat hij stierf. Daar ligt hij ook begraven.

Met hem worden op deze dag ook herdacht zijn gezellen Antonius Fuster, Blasius van Auvergne en Petrus Cerdan. Wat was hun plaats? Om daarachter te komen is het goed te beseffen dat Vincentius massa’s mensen trok, soms wel tachtigduizend.

Wie hem eenmaal gehoord had, wou niet meer weg en trok met hem mee naar de volgende standplaats. Met als gevolg dat hij vaak door duizenden mensen werd begeleid. Onder zijn gevolg waren priesters die meteen biecht konden horen; er waren zangers bij en muzikanten met draagorgeltjes die de dienst opluisterden met muziek en gezang; klerken en notarissen waren erbij die het bijleggen van ruzies en de afhandelingen van geschillen meteen vastlegden; er waren mannen bij die voor eten en slapen moesten zorgen voor al die mensen. Hij was gewoon drie maal per dag een toespraak te houden; opvallend was daarbij dat zijn stem niet zwakker werd. Hoewel hij alleen in het Spaans sprak, zijn moedertaal, werd hij begrepen door Fransen, Italianen, Duitsers, Engelsen en zelfs Grieken en Hongaren. Hij moet ook onnoemelijk veel wonderen hebben verricht; hij wekte een aantal doden weer ten leven; wist brood en meel te vermenigvuldigen; genas blinden, stommen, lammen en geesteszieken; als hij een zieke de hand oplegde, was deze weer beter.

Hij is patroonheilige van de Spaanse stad Valencia en de Bretonse plaats Vannes; verder van huizenbouwers, dakdekkers, dakpanfabrikanten, houtbewerkers, loodgieters. Zijn voorspraak wordt ingeroepen tegen epilepsie en toevallen, hoofdpijn, koorts en allerhande ziekten; verder wordt zijn voorspraak gevraagd voor een goed huwelijk, voor vruchtbaarheid, voor een zalige dood en tegen gevaren. In Bretagne is hij ook patroon van de paarden.

woensdag in de vijfde week
van de vastentijd


Uit het boek Daniël 3, 14-20 + 24-25 + 28

Drie jonge mannen worden voor de keuze gesteld: voldoen aan de eis van de vreemde koning en een gouden afgodsbeeld aanbidden, of levend verbrand worden. Het boek Daniël stelt de kwestie zeer scherp voor zijn tijdsgenoten, die het moeilijk hebben om trouw te blijven. De God van Israël is sterker en machtiger dan elke aardse vorst.

In die dagen vroeg koning Nebukadnessar Sadrach, Mesach en Abednego: Is het waar dat jullie mijn goden niet vereren en niet willen neerknielen voor het gouden beeld dat ik heb opgericht? Luister goed, als jullie je bereid tonen om, zodra je de muziek van hoorn, panfluit, lier, luit, citer, dubbelfluit en andere instrumenten hoort, op je knieën te vallen en in aanbidding te buigen voor het beeld dat ik gemaakt heb … Maar weigeren jullie te buigen, dan worden jullie onmiddellijk in een brandende oven gegooid. En welke god zal jullie dan uit mijn handen kunnen redden?’
Sadrach, Mesach en Abednego zeiden hierop tegen de koning: ‘Wij vinden het niet nodig, Nebukadnessar, uw vraag te beantwoorden, want als de God die wij vereren ons uit een brandende oven en uit uw handen kan redden, zal Hij ons redden. Maar ook al redt Hij ons niet, majesteit, weet dan dat wij uw goden niet zullen vereren, noch zullen buigen voor het gouden beeld dat u hebt opgericht.’
Nebukadnessar werd razend, en met een van woede vertrokken gezicht keek hij Sadrach, Mesach en Abednego aan. Hij gaf opdracht de oven zevenmaal heter op te stoken dan men gewoonlijk deed. En hij beval enkele van de sterkste mannen uit zijn leger om Sadrach, Mesach en Abednego te knevelen en in de brandende oven te gooien.
Toen sloeg de schrik koning Nebukadnessar om het hart. Hij stond haastig op en zei tegen zijn raadsheren: ‘Wij hebben toch drie geknevelde mannen in het vuur gegooid?’ Zij antwoordden: ‘Zeker, majesteit.’ Hij vervolgde: ‘Maar ik zie vier mannen vrij rondlopen in het vuur. Ze zijn ongedeerd en de vierde lijkt op een godenzoon!’
Nebukadnessar nam het woord. Hij zei: ‘Geprezen zij de God van Sadrach, Mesach en Abednego, die zijn engel heeft gezonden en zijn dienaren gered. Zij hebben zich op Hem verlaten, zij hebben het bevel van de koning genegeerd en hun lichaam prijsgegeven, omdat zij voor geen andere dan hun eigen God willen neerknielen of buigen.’

 

Dan. 1, 29-34

Refr.: U komt de lof toe in eeuwigheid.

Geprezen bent U, Heer, God van onze voorouders,
geloofd en verhoogd in eeuwigheid.

Geprezen is uw heilige en luisterrijke Naam,
geprezen, geloofd en verhoogd in eeuwigheid.

Geprezen bent U in uw heilige en luisterrijke tempel,
geprezen, bezongen en verheerlijkt in eeuwigheid.

Geprezen bent U, die afgronden peilt en op de cherubs troont,
geloofd en verhoogd in eeuwigheid.

Geprezen bent U op de troon van uw koninkrijk,
geprezen, bezongen en verhoogd in eeuwigheid.

Geprezen bent U in het hemelgewelf,
bezongen en verheerlijkt in eeuwigheid.

 

Uit het evangelie volgens Johannes 8, 31-42

Het behoren tot het geslacht van Abraham geeft op zichzelf geen zekerheid de echte vrijheid te bezitten of te verwerven. Jezus’ woord brengt bevrijding. Als echte kinderen van Abraham zouden we in Jezus de gezondene van de Vader moeten erkennen.

In die dagen zei Jezus tot de Joden die in Hem geloofden: ‘Wanneer u bij mijn woord blijft, bent u werkelijk mijn leerlingen. U zult de waarheid kennen, en de waarheid zal u bevrijden.’
Ze zeiden: ‘Wij zijn nakomelingen van Abraham en we zijn nooit iemands slaaf geweest – hoe kunt U dan zeggen dat wij bevrijd zullen worden?’
Jezus antwoordde: ‘Waarachtig, Ik verzeker u: iedereen die zondigt is een slaaf van de zonde. Nu blijft een slaaf niet voor eeuwig in huis, maar de Zoon blijft wel voor eeuwig. Dus wanneer de Zoon u vrij zal maken, zult u werkelijk vrij zijn. Ik weet wel dat u nakomelingen van Abraham bent. Toch wilt u mij doden, omdat er in u geen ruimte is voor wat Ik zeg. Ik spreek over wat Ik gezien heb bij de Vader, u doet wat u gehoord hebt van uw vader.’
‘Onze vader is Abraham,’ zeiden ze.
Maar Jezus zei: ‘Als u echt kinderen van Abraham bent, zou u moeten doen wat Abraham deed. Maar nee, u wilt mij, iemand die u de waarheid heeft gezegd die Hij van God gehoord heeft, doden – zoiets heeft Abraham niet gedaan. Maar u doet inderdaad wat úw vader deed!’
Ze zeiden: ‘Wij zijn geen bastaardkinderen! We hebben maar één Vader: God.’
‘Als God uw Vader was,’ zei Jezus tegen hen, ‘zou u mij liefhebben, want Ik ben bij God vandaan gekomen toen Ik hiernaartoe kwam. Ik ben niet namens mezelf gekomen, maar Hij heeft mij gezonden.’

Van Woord naar leven

Vandaag zegt Jezus ons: ‘Wanneer u bij mijn woord blijft, bent u werkelijk mijn leerlingen. U zult de waarheid kennen, en de waarheid zal u bevrijden.’

Christus is het mensgeworden woord van God. Dus niet enkel wat Hij zegt zijn zijn woorden, maar Hijzelf is het Woord. Overal waar Hij tot ons komt en tot ons spreekt, openbaart zich de waarheid die ons ten diepste zal vrij maken. Echte leerlingen van Jezus zijn zij die bij dit woord blijven, bij de Heer dus.

Dikwijls zijn we onvrij omdat we niet bij Christus blijven. We laten Hem wel toe, maar als we eerlijk zijn weten we dat er domeinen zijn in ons leven waarvan we liever hebben dat Hij zich niet moeit. Het zijn onze duistere plekken, onze (dikwijls dagelijkse) zondekes waar we zo moeilijk afstand van kunnen doen.

Konden we maar eens de diepe zuivere vrede en vreugde bevroeden die we in ons zouden dragen moesten we ten volle in Christus leven, los van elke vorm van kwaad. We zouden zo’n mooie instrumenten zijn van Gods werkzaamheid; instrumenten die onze samenleving warm en hartelijk zouden maken.

Kom, laten we de Heer welkom heten.

kris

Reageren, je eigen woordje plaatsen, of uitwisselen over de overweging,
kan via de blog Van Woord naar leven.
Laat ons bidden

Heer,
verban de zonde totaal uit ons leven. Wees ons nabij wanneer we de neiging hebben tot zonde over te gaan. Leer ons dan naar U te snellen, ons te werpen in uw armen. En geef ons dan de kracht ‘ja’ te zeggen tot U, onze weg in U te gaan.
Amen.