Lezingen van de dag – woensdag 7 februari 2018


Heilige (of feest) van de dag

Lucas de Wonderdoener  († ca 947)

Lukas (ook Loukas) de Wonderdoener (ook van Hellas, van de Stirionberg, van Stiris of Thaumaturgos), Griekenland; kluizenaar

Hij was afkomstig uit de buurt van Athene. Volgens de verhalen die rond zijn persoon worden overgeleverd, zou hij als klein kind al bijzonder gevoelig geweest zijn voor godsdienstige zaken. Hij had hart voor de armen, besteedde veel tijd aan gebed en hield zich aan de vastenpraktijken van de kerk.

Hij was nog jong, toen zijn vader stierf. Nu was hij verantwoordelijk voor het stukje grond van de familie. Zo wordt er van hem verteld dat hij er in een bepaald voorjaar op uit trok om het land in te zaaien. Onderweg kwam hij een arme bedelaar tegen aan wie hij zoveel zaaigoed afstond dat hij te weinig overhield om het gehele oppervlak van zijn eigen grond te voorzien. Maar God liet zijn goedkeuring blijken doordat uit het schamele restje zaad een enorme oogst groeide.

Lukas was hier zo van onder de indruk dat hij besloot monnik te worden. Zonder zijn moeder iets te zeggen, meldde hij zich aan bij een klooster in het naburige Athene. Moeder was ontroostbaar en in haar verdriet bad zij tot God dat Hij zo goed wilde zijn haar de verblijfplaats van haar zoon te onthullen. Daarop droomde de hègoumen (overste) van het klooster drie nachten achtereen dezelfde droom. Een vrouw verscheen hem die hem met grote heftigheid verweet haar zoon van haar te hebben afgenomen.

Geschokt riep de hègoumen Lukas bij zich en ondervroeg hem over de omstandigheden van thuis. Onmiddellijk beval hij hem naar huis terug te keren en voor zijn moeder te gaan zorgen. Toen moeder vier maanden had aangezien, hoezeer hij zich tot het monniksleven voelde aangetrokken en hoeveel verdriet het hem deed niet aan die roeping te kunnen voldoen, gaf zij hem tenslotte haar zegen.

Nu meldde hij zich aan bij een ander klooster. Toch werd hij het liefst kluizenaar. Hij trok zich terug op de berg Joanitza (of Joanitra) bij Korinte. Daar stond een kerkje dat was toegewijd aan de heilige artsen Cosmas en Damianus († 303; feest 26 september). Hij bouwde een eenvoudig hutje tegen de kerk aan en legde een moestuintje aan voor zijn onderhoud. Zeven jaar verbleef hij op die plek; deed er ’s nachts zijn gebeden en ontving overdag mensen die hem om raad of gebed kwamen vragen. Twee bejaarde monniken die bij hem langs kwamen, achtten hem waardig voor de grote monnikengeloften. Daarmee was zijn hartenwens vervuld.

Door de invallen van de Bulgaren zag hij zich genoodzaakt naar elders te trekken. Nu ging hij in de leer bij een pilaarheilige in het Peloponnesusgebergte. Tien jaar zorgde hij voor hem zoals een kind voor zijn vader. Toen keerde hij terug naar zijn Joanitraberg. Maar daar werd zijn dierbare rust steeds meer verstoord door toeloop van mensen. Zij kwamen af op de wonderen die over hem verteld werden; die wilden ze met eigen ogen wel eens zien.

Opnieuw trok hij zich terug. Nu naar een nog verder afgelegen berg in de landstreek Fokis, Stirion genaamd. Daar is hij tenslotte gestorven, naar men aanneemt op 57-jarige leeftijd.

Op zijn graf werd door Romanos II Theofanu het beroemde klooster Hosios Loukas gebouwd. Nog altijd komen er pelgrims naartoe om zijn hulp in te roepen.

Hij wordt afgebeeld als monnik met baard, de monnikskap over het hoofd, in gebedshouding (de beide armen uitgespreid ten hemel).

woensdag in week 5 door het jaar


Uit het eerste boek Koningen 10, 1-10

Ten tijde van Salomo zag men welstand als een teken van Gods aanwezig-zijn bij de mensen. De koning was niet enkel welgesteld maar hij genoot ook een wijsheid die tot ver over de grenzen bekend was. Daarom kreeg hij het bezoek van de koningin van Seba. Zelfs dit vreemd volk besloot uit wat het zag, dat God met Israël was. Wanneer mensen echt door God gegrepen zijn, doen ze andere mensen verwonderd staan.

De roem van Salomo, die de naam van de Heer tot eer strekte, was tot de koningin van Seba doorgedrongen. Ze ging naar hem toe om hem met raadsels op de proef te stellen. Ze kwam naar Jeruzalem met een grote karavaan kamelen beladen met reukwerk, een grote hoeveelheid goud, en edelstenen. Ze bracht Salomo een bezoek en legde hem alle vragen voor die ze had bedacht. En Salomo wist op al haar vragen een antwoord, er was er niet één waarop hij het antwoord schuldig moest blijven.
Toen de koningin van Seba merkte hoe wijs Salomo was en ze het paleis zag dat hij gebouwd had, de gerechten die bij hem op tafel kwamen, de wijze waarop zijn hovelingen aanzaten, de kleding en de goede manieren van zijn bedienden, de dranken die werden geschonken en de offers die hij opdroeg in de tempel van de Heer, was ze buiten zichzelf van bewondering.
Ze zei tegen de koning: ‘Het is dus echt waar wat ik in mijn land over u en uw wijsheid heb horen vertellen. Ik geloofde het niet, maar nu ik hierheen ben gekomen en het met eigen ogen gezien heb, moet ik toegeven dat ik nog niet de helft te horen heb gekregen. Uw wijsheid en welvaart zijn nog veel groter dan wordt gezegd. Wat zijn uw hovelingen, die voortdurend in uw gezelschap verkeren en al uw wijze woorden horen, bevoorrecht! Geprezen zij de Heer, uw God, die zo veel behagen in u schept dat Hij u op de troon van Israël heeft gezet. Zijn liefde voor Israël is zo grenzeloos dat Hij u als koning heeft aangesteld om recht en gerechtigheid te handhaven.’
De koningin van Seba schonk Salomo honderdtwintig talent goud en een grote hoeveelheid reukwerk en edelstenen. Zoveel reukwerk als de koningin van Seba aan koning Salomo gaf, is later nooit meer aangevoerd.

 

Ps 37, 5 + 6 + 30 + 31 + 39 + 40

Refr.: De mond van de rechtvaardige spreekt wijsheid.

Leg je leven in de handen van de Heer,
vertrouw op Hem, Hij zal dit voor je doen:
het recht zal dagen als het morgenlicht,
de gerechtigheid stralen als de middagzon.

De mond van de rechtvaardige spreekt wijsheid,
zijn tong spreekt gerechtigheid,
hij draagt de wet van God in zijn hart
en zijn voeten struikelen niet.

De rechtvaardigen vinden redding bij de Heer,
Hij is hun toevlucht in tijden van nood.
De Heer heeft hen altijd geholpen en bevrijd,
Hij bevrijdt hen ook nu van de zondaars, Hij redt hen,
want zij schuilen bij Hem.

 

Uit het evangelie volgens Marcus 7, 14-23

Deze lezing is een pleidooi voor eerlijkheid en oprechtheid van hart. Het uiterlijke zou een eerlijke weergave moeten zijn van wat er leeft in de mens. Eerlijke en oprechte overtuiging is broodnodig in elke tijd. Naamchristenen zijn er genoeg. Daarom moeten wij regelmatig onze eerlijkheid toetsen. Het is het enige middel om onszelf en de anderen niets wijs te maken.

Nadat Jezus de menigte weer bij zich had geroepen, zei Hij: ‘Luister allemaal naar mij en kom tot inzicht. Niets dat van buitenaf in de mens komt kan hem onrein maken, het zijn de dingen die uit de mens naar buiten komen die hem onrein maken.’
Toen Hij een huis was binnengegaan, weg van de menigte, vroegen zijn leerlingen Hem om uitleg over deze uitspraak.
Hij zei tegen hen: ‘Begrijpen ook jullie het dan nog niet? Zien jullie dan niet in dat niets dat van buitenaf in de mens komt, hem onrein kan maken omdat het niet in zijn hart, maar in zijn maag komt en in de beerput weer verdwijnt?’ Zo verklaarde Hij alle spijzen rein.
Hij zei: ‘Wat uit de mens komt, dat maakt hem onrein. Want van binnenuit, uit het hart van de mensen, komen slechte gedachten, ontucht, diefstal, moord, overspel, hebzucht, kwaadaardigheid, bedrog, losbandigheid, afgunst, laster, hoogmoed, dwaasheid; al deze slechte dingen komen van binnenuit, en die maken de mens onrein.’

 

Van Woord naar leven

Jezus zegt ons in het evangelie: Als het hart goed is, dan ook alles wat er uit voortkomt. Maar als het hart slecht is, het binnenste, dan komen er ook slechte dingen uit voort.

Van de andere kant: een goede omgeving werkt ook weer ten goede op het innerlijk. Daarom zoeken wij dagelijks momenten van stilte, gaan wij met regelmaat naar de eucharistie om ons te verdiepen en ons altijd opnieuw te oriënteren op God. We houden dit in ere, want deze momenten zijn zoveel als het milieu waarin de genade van ons geloof kan gedijen.

Maar de invloed van deze plaatsen is beperkt. Anders zou het zo zijn: je hoeft maar in de kerk te komen en je plichten waar te maken en je bent goed bezig…

Maar zo is het niet: voor gelovigen is de bescherming van een milieu onontbeerlijk, maar de inzet van het hart blijft het belangrijkste. Want juist daar kan het venijn uit komen. Daarom is en blijft de eerste inzet van de gelovige: zuiverheid van hart: ‘Wat uit de mens komt, dat maakt hem onrein’.

Zuiver van hart is hij die leeft met eerlijke en juiste bedoelingen; intenties die hun thuis hebben in Gods wil.
Hij die zuiver leeft van hart zal alles doen om zijn levenswandel in het licht van God zuiver te houden. Hij zal leven voor het aanschijn van de Vader, Hem innerlijk zien, zich gevend aan Gods inwoning in Jezus.

Ja, zalig de zuiveren van hart …

De overweging van vandaag is van de hand van kris
geïnspireerd aan woorden van J. Bots, sj

Reageren, je eigen woordje plaatsen, of uitwisselen over de overweging,
kan via de blog Van Woord naar leven.
Laat ons bidden

Heer,
Schenk ons een zuiver hart, dat leeft vanuit onze ontmoeting met U. Dat wij op deze wijze beeld en gelijkenis mogen zijn van Uw Drie-ene Liefde. Genees al wat duister is in ons leven en vervul ons met uw licht.
Alle dagen van ons leven.
Amen.