Lezingen van de dag – woensdag 8 juni 2016


Heilige (of feest) van de dag

Melania de Oudere († 409)FourCandlesForJeffBuckley-250x250

Melania de Oudere (ook van Griekenland, van Jeruzalem, Romana of Senior), Jeruzalem, Palestina; weduwe & kluizenares

Zij werd rond het jaar 342 geboren uit het Romeins adellijk geslacht der Antonii. Zij huwde met de stadsprefect van Rome Valerius Maximus. Maar ze was pas twee-en-twintig, toen ze haar man verloor en weduwe werd. Vanaf dat moment wenste zij haar leven te wijden aan gebed en ascese. Zij trok langs een aantal monniken in de woestijn van Egypte en Palestina en gaf ze rijke schenkingen. Tenslotte sloot zij zich te Jeruzalem aan bij de leerlingen van Rufinus van Aquileia en stichtte er zowel een kloostergemeenschap voor mannen als een voor vrouwen.

Zij was een vriendin en geestverwante van Paula van Rome. Melania’s zoon zou de vader worden van de heilige Melania Junior.

Haar leven staat beschreven in de ‘Historia Lausiaca’ van Palladius van Helenopolis.

woensdag in week 10 door het jaarbijbel


Uit het eerste boek Koningen 18, 20-39

Een krachtproef tussen Elia de profeet van de éne, ware God, en de profeten van Baäl laat ons zien hoe wij moeten volhouden te geloven. De goden die wij onszelf maken kunnen niets en zijn slechts schijngoden.

Koning Achab stuurde boden naar alle stammen van Israël en liet ook alle profeten bij de Karmel bijeenkomen.
Daar sprak Elia het volk als volgt toe: ‘Hoe lang blijft u nog op twee gedachten hinken? Als de Heer God is, volg Hem dan; is Baäl het, volg dan hem.’ De Israëlieten zeiden niets.
Toen zei Elia: ‘Ik ben de enige profeet van de Heer die nog over is. De profeten van Baäl zijn met vierhonderdvijftig man. Breng ons twee stieren. Zij mogen als eersten een stier uitkiezen. Laten ze die in stukken snijden en op een brandstapel leggen, maar ze mogen het hout niet aansteken. Ik zal de andere stier gereedmaken en op een brandstapel leggen, maar ik zal het hout niet aansteken. U moet de naam van uw god aanroepen, en ik zal de naam van de Heer aanroepen. De god die antwoordt met vuur, is de ware God.’
Heel het volk stemde met dit voorstel in.
‘Begint u maar, u bent met velen’, zei Elia tegen de profeten van Baäl. ‘Kies maar een dier en maak het gereed voor het offer. Roep dan de naam van uw god aan, maar steek het hout niet in brand.’
De profeten namen een van de twee beschikbare stieren en maakten die voor het offer gereed. De hele morgen lang riepen ze Baäl aan: ‘Baäl, geef ons antwoord!’ Maar het bleef stil en niemand gaf antwoord, hoe ze ook dansten en sprongen rond het altaar dat daar was opgericht.
Toen het middaguur aanbrak, begon Elia hen te honen: ‘Roep zo hard u kunt! Hij is toch een god? Hij heeft zeker iets anders te doen. Ik denk dat hij zich even moest afzonderen. Is hij soms op reis gegaan? Misschien slaapt hij, en moet u hem wekken!’
De profeten riepen uit alle macht en brachten zichzelf, zoals hun gewoonte was, met zwaarden en lansen verwondingen toe tot het bloed over hun lijf stroomde. In vervoering bleven ze schreeuwen, maar ook toen het middaguur allang voorbij was en het uur voor het graanoffer aanbrak, was er nog steeds geen enkele reactie gekomen: het bleef stil, niemand gaf antwoord.
Elia zei tegen de Israëlieten dat ze naar hem toe moesten komen. Toen ze bij hem waren komen staan, bouwde hij het verwoeste altaar van de Heer weer op. Hij nam twaalf stenen, evenveel als het aantal stammen van Israël, de nakomelingen van de zonen van Jakob, tot wie de Heer had gezegd: ‘Israël is je nieuwe naam.’ Met die twaalf stenen maakte hij een altaar ter ere van de Heer, en daaromheen liet hij een geul graven met een lengte van tweehonderd el. Hij stapelde het brandhout op, sneed de stier in stukken en legde die op de brandstapel. Toen zei hij: ‘Vul vier kruiken met water en giet die over het offer en het brandhout uit.’ Toen dat gebeurd was, liet hij het nog een tweede en een derde keer doen. Het water liep over het altaar heen en de geul eromheen kwam vol water te staan.
Toen het uur voor het graanoffer was aangebroken, trad de profeet Elia op het altaar toe en zei: ‘Heer, God van Abraham, Isaak en Israël, vandaag zal blijken dat U in Israël God bent, en dat ik U dien en dit alles in uw opdracht gedaan heb. Geef mij antwoord, Heer, geef antwoord. Dan zal dit volk beseffen dat U, Heer, God bent en dat U het bent die hen tot inkeer brengt.’
Het vuur van de Heer sloeg in en verteerde het brandoffer met brandhout, stenen, as en al; zelfs het water in de geul likte het op.
Alle Israëlieten zagen het, en allen vielen op hun knieën en riepen: ‘De Heer is God, de Heer is God!’


Psalm 16, 1 + 2a + 4 + 5 + 8 + 11

Refr.: Met de Heer aan mijn zijde wankel ik niet.

Behoed mij, God, ik schuil bij U.
Ik zeg tot de Heer: ‘U bent mijn Heer’.Drieeenheid_2

Wie vreemde afgoden naloopt wacht veel verdriet.
Ik pleng voor hen geen bloed meer,
niet langer ligt hun naam op mijn lippen.

Heer, mijn enig bezit, mijn levensbeker,
U houdt mijn lot in handen.

Steeds houd ik de Heer voor ogen,
met Hem aan mijn zijde wankel ik niet.

U wijst mij de weg naar het leven:
overvloedige vreugde in uw nabijheid,
voor altijd een lieflijke plek aan uw zijde.


Uit het evangelie volgens Matteüs 5, 17-19

Christus wilde door zijn prediking de bestaande wetten niet afschaffen, maar Hij heeft ze aangevuld en vervolledigd. Hij is groter dan Mozes en staat op gelijke voet met God.

Jezus sprak tot zijn leerlingen:
‘Denk niet dat Ik gekomen ben om de Wet of de Profeten af te schaffen. Ik ben niet gekomen om ze af te schaffen, maar om ze tot vervulling te brengen.
Ik verzeker jullie: zolang de hemel en de aarde bestaan, blijft elke jota, elke tittel in de wet van kracht, totdat alles gebeurd zal zijn. Wie dus ook maar een van de kleinste van deze geboden afschaft en aan anderen leert datzelfde te doen, zal als de kleinste worden beschouwd in het koninkrijk van de hemel. Maar wie ze onderhoudt en dat aan anderen leert, zal in het koninkrijk van de hemel in hoog aanzien staan.’

Van Woord naar leven

Vandaag horen we psalmist zeggen: ‘Steeds houd ik de Heer voor ogen, met Hem aan mijn zijde wankel ik niet.’

Deze voormiddag (het is nu dinsdagavond, 6 juni) kwam er een collega bij me haar beklag doen (een beetje het hart luchten zeg maar) over een andere collega die haar diep gekwetst had, met woorden die niet hoefden, betichtingen die absoluut uit de lucht gegrepen waren, en echt met de bedoeling haar pijn te doen. Tenminste, zo ervoer ze dat…

Tja… hoe ontvang je dan zo iemand… Allereerst door te luisteren en trachten de gemoederen wat te bedaren. Proberen wat mee te voelen, woorden van troost te spreken. Een mens wordt dan al snel onhandig in zijn woorden… ik toch. Maar op die moment het gevoel geven dat ze als mens er mag zijn, haar beklag mag doen,… doet al veel.

Toen ik enkele uren later, tijdens mijn middagpauze, in de tuin van ons rusthuis onder de bomen (oh dat was daar echt zalig !) het middaggebed bad uit het Klein Getijdenboek, las ik in psalm 119 het volgende vers: ‘Ik ben verontwaardigd over de zondaars, die onverschillig zijn voor uw wet’ (vers 53). Wat verder las ik in psalm 53: ‘Uit Sion kome voor Israël redding…’ (vers 7).

Mijn gedachten gingen naar mijn beide collega’s, zowel naar haar die zich gekwetst voelde, alsook naar haar die zogenaamd gekwetst had. En ik nam me voor om de gekwetste collega terug aan te speken wanneer ik weer op dienst kwam. Wat ik gedaan heb.

Wel, we hadden een prachtig gesprek. Eerst over gewone vriendschap, over gekwetst worden wat we oh zo dikwijls elkaar aandoen, ook vergeving (7 maal 70 maal), over niet oordelen, over ondanks betichtingen toch proberen vriendelijk te blijven en de sfeer te bewaren op dienst. Die 7 maal 70 maal, wat Bijbels is, bracht ons ook bij God. En we spraken over Gods vriendschap voor ieder van ons, dat Hij in zijn barmhartigheid nooit iemand wegwerpt, maar altijd de mensen terug wil optillen en hen in zijn liefde bewaren.

We spraken over de aanwezigheid van de Heer, dat Hij altijd bij ons is met zijn nooit aflatende liefde. Wat een wonder toch. Of we nu in gebed zijn, of praten met de residenten bij ons in het rusthuis, of gewoon de refter in orde maken voor het avondmaal… Altijd is Hij bij ons, heeft Hij ons lief, en roept Hij op deelgenoot te worden van die liefde.

Als ik dan nu, dinsdagavond, de site voorbereid, en ik lees het vers uit psalm 16: ‘Steeds houd ik de Heer voor ogen, met Hem aan mijn zijde wankel ik niet’, dan word ik diep vanbinnen zo blij. Waarmee ik niet wil zeggen dat ik, kris, nooit zou wankelen. Amai… je moest eens weten. Maar ik wil vooral zeggen dat het zo belangrijk is dat we de Heer voor ogen houden. Hij is bij ons, lieve mensen, altijd, overal, bij al wat we doen, of we nu in gedachten bij Hem zijn of niet, Hij is er altijd, met zijn trouwe liefde, vrede wensend en gevend. Dat is toch groots he.

We kunnen ons niet genoeg bewust zijn van die wonderlijke aanwezigheid van de Heer in ieder van ons. Moge het ons tot dankbare en stille vreugdevolle mensen maken.

Het leven is zo mooi voor hem die de Heer erkent.

God, wat zij Ge groot !!

kris

Reageren, je eigen woordje plaatsen, of uitwisselen over de overweging,
kan via de blog Van Woord naar leven.

Laat ons bidden

Heer,3236813569_17b3abba40_m
wij danken U om uw aanwezigheid, om uw trouwe liefde. Geef dat wij nooit van uw zijde zouden wijken, maar ons juist als een gebed zonder ophouden zouden wentelen in uw liefde, om er deelgenoot van te worden, drager en uitdrager.
Kom heilige Geest. Amen.