Lezingen van de dag – woensdag 9 sept. 2015


Heilige (of feest) van de dag

Pedro Claver († 1654)Petrus_Claver

Sj, Cartagena, Columbia; apostel van de negerslaven in Zuid-Amerika

De negerslaaf die de oude Pater Claver op zijn ziekbed moest verzorgen had allerlei slimmigheidjes moeten bedenken om eerst de lekkerste dingen van het eten voor de zieke uit te zoeken voor zichzelf, en wat er dan overbleef aan zijn zieke te geven. Hij kon het niet doen in zijn barak, want dan zouden de anderen het zien, ook niet onderweg van de keuken naar het ziekenkamertje, want dan liep hij kans dat hij zou worden betrapt. Ook niet achter de rug van pater Claver op het ziekenkamertje, want daar kwamen de hele dag drommen mensen over de vloer: ieder wilde nog een laatste glimp van deze heilige man opvangen.

Toen de zieke in de vroege morgen van 8 september 1654 overleed, was er niets anders meer op zijn kamer dan zijn bed, het laken waar hij onder lag en de schamele kleren aan zijn lijf. De rest was door iedereen meegenomen als aandenken.

Pedro was in 1580 – dus nu vier-en-zeventig jaar geleden – geboren in het Catalaanse stadje Verdú. Hij ging studeren in Barcelona en na beëindiging van zijn studies trad hij in bij de paters jezuïeten; hij was toen twintig jaar oud. Toen hij als priesterstudent ging studeren op het eiland Majorca, raakte hij in gesprek met broeder Alfonsus, de portier van de universiteit († 1617). Hij was een voormalig handelsman en wist te vertellen dat er in de Nieuwe Wereld vreselijke dingen gebeurden. Vanuit Afrika werden door Spanjaarden, Portugezen, Hollanders en Engelsen negers naar Zuid-Amerika overgebracht, om daar voor goudgeld op de markt verkocht te worden. Ze werden in de goud- en zilvermijnen te werk gesteld en stierven als ratten. “Het goud en zilver waar onze kerken en paleizen mee zijn versierd, kost duizenden mensenlevens, en er schijnt niemand te zijn die zich om die arme mensen bekommert”, zo besloot broeder Alfonso. Van dat ogenblik af, stond het voor Pedro vast dat hij daar naartoe wilde.

In 1610 vertrok hij naar Zuid-Amerika. Een bootreis van Europa naar Zuid-Amerika was onder gewone omstandigheden een verschrikking. Je was geheel afhankelijk van de wind; meestal duurde zo’n overtocht enkele maanden in de brandende tropenzon. Water en voedsel bedierven; passagiers en zeelui vochten om de laatste druppels water en de schamelste restanten voedsel. Als er al niet velen stierven aan voedselvergiftiging, uitputting of een of andere ziekte die uitbrak, dan liep je altijd nog kans het loodje te leggen in een van die grimmige gevechten.

De negers die men ving in de binnenlanden van Afrika en onder in de stinkende en bedompte ruimen van de houten schepen dumpte en vastklonk aan ijzeren kettingen die aan ringen in de wand werden bevestigd, waren er tientallen keren erger aan toe. Ze kregen nauwelijks te eten, want dat was er voor de zeelui al nauwelijks. Sanitair was er niet; ze lagen opgepakt op elkaar met hun uitwerpselen als een soort van stinkend cement. Water was er al te weinig om te drínken, dus van wassen kon geen sprake zijn. Ze stierven daar beneden inderdaad als ratten, zoals broeder Alfonso met verdriet had opgemerkt. Pas als de stank ook tot op het dek doordrong, en het geschreeuw overging in gebrul, hees men de lijken op en gooide ze in zee. De kapitein sprak van een gelukkige overtocht, als hij meer dan de helft van de honderden negers levend op de wal van Cartagena kon afleveren. Hij verdiende er schatten mee. Per jaar werden er zo ongeveer tienduizend negers aangevoerd.

De enige die zich van hun lot iets aantrok was Pater Claver. Vanaf 1616 tot aan zijn dood in 1654 heeft hij onvermoeibaar voor ze gezorgd. Zodra er een schip in zicht kwam, trok hij bedelend langs de poorten van de rijken en zamelde voedsel, snoep, vruchten, zeep en reukwater in. Zodra de lading aan wal was gezet, trok hij er met zijn tolken op af. Die tolken waren gewezen negerslaven uit allerlei gebieden in Afrika, want Pater Pedro wilde er zeker van zijn dat hij iedereen persoonlijk in de eigen taal kon aanspreken. Hij troostte ze, gaf ze wat te eten, liet ze zich zo goed en zo kwaad als het ging verzorgen, had een goed woord voor ze, en probeerde hun toestemming te krijgen om ze te dopen: dan zouden ze op die manier tenminste nog bij Christus’ liefde horen. Juist waar zijn volgelingen, de christenen van Europa, zich zo beestachtig gedroegen, probeerde hij hun te troosten met het vooruitzicht van een gelukkiger leven na de hel waar ze nu in terecht waren gekomen.

Zo bekeerde hij om en nabij de driehonderdduizend Afrikaanse negerslaven. Weekends bestonden er nog niet. Zeven dagen per week sjouwde hij achter die arme drommels aan. Zelf noemde hij zich ‘slaaf van de negers’. De laatste jaren van zijn leven was hij ziek. Zijn verzorging liet veel te wensen over. Bij zijn dood bleek hij ernstig verwaarloosd.

De ‘apostel van de negerslaven’, zoals hij eervol wordt genoemd, werd heilig verklaard in 1888. In 1894 richtte de zus van de toenmalige generale overste van de jezuïeten, Maria-Theresia Ledochowska, de Claverbond op ter ondersteuning van de missie in Afrika.

Hij is patroon van de missiezusters van St-Petrus Claver; sinds 1896 wordt hij vereerd als patroon van de katholieke missie onder de negers.
Hij wordt afgebeeld als jezuïet met negers om zich heen.

WOENSDAG IN WEEK 23 DOOR HET JAAR


Uit de brief van Paulus aan de Kolossenzen 3, 1-11

Door het doopsel zijn wij nieuwe mensen geworden. Christus heeft zich ons toegeëigend. Aan ons nu om steeds meer te leven naar Hem toe. Daarom moeten wij elke dag breken met zondige praktijken. Het aardse mogen wij gebruiken maar gericht op het hemelse. Christus leeft in ons. Dat zou men aan onze gedragingen moeten kunnen zien.

Broeders en zusters,
als u nu met Christus uit de dood bent opgewekt, streef dan naar wat boven is, waar Christus zit aan de rechterhand van God. Richt u op wat boven is, niet op wat op aarde is. U bent immers gestorven, en uw leven ligt met Christus verborgen in God.
En wanneer Christus, uw leven, verschijnt, zult ook u, samen met Hem, in luister verschijnen. Laat dus wat aards in u is afsterven: ontucht, zedeloosheid, hartstocht, lage begeerten en ook hebzucht–hebzucht is afgoderij–, want om deze dingen treft Gods toorn degenen die hem ongehoorzaam zijn. Vroeger hebt u ook die weg gevolgd en zo geleefd, maar nu moet u alles wat slecht is opgeven: woede en drift, vloeken en schelden.
Bedrieg elkaar niet, nu u de oude mens en zijn leefwijze afgelegd hebt en de nieuwe mens hebt aangetrokken, die steeds vernieuwd wordt naar het beeld van zijn schepper en zo tot inzicht komt.
Dan is er geen sprake meer van Grieken of Joden, besnedenen of onbesnedenen, barbaren, Skythen, slaven of vrijen, maar dan is Christus alles in allen.

 

Psalm 145, 2 + 3 +10 + 11 + 12 + 13

Refr.: De Heer is genadig en liefdevol.

Elke dag opnieuw wil ik U prijzen,
uw Naam loven tot in eeuwigheid.Drieeenheid_2

Groot is de Heer, Hem komt alle lof toe,
zijn grootheid is niet te doorgronden.

Laten al uw schepselen U loven, Heer,
en uw getrouwen U prijzen.

Laten zij getuigen van de luister van uw koningschap,
spreken over uw machtige werken.

Laten zij aan de stervelingen
uw machtige daden verkondigen,
de glorie en de glans van uw koningschap.

Uw koningschap omspant de eeuwen,
uw heerschappij omvat alle geslachten.’

 

Uit het evangelie volgens Lucas 6, 20-26

De zaligsprekingen bij Lucas (‘Gelukkig jullie…’ zo vertaalt de NBV) zijn gerangschikt naar de tegenstelling van armen en rijken. Onder rijken verstaat Lucas al degenen die door wereldse normen worden opgehemeld. Jezus bouwde zijn rijk met andere normen.

Jezus richtte zijn blik op zijn leerlingen en zei:
‘Gelukkig jullie die arm zijn, want van jullie is het koninkrijk van God.
Gelukkig jullie die honger hebben, want je zult verzadigd worden.
Gelukkig wie nu huilt, want je zult lachen.
Gelukkig zijn jullie wanneer de mensen jullie omwille van de Mensenzoon haten en buitensluiten en beschimpen en je naam door het slijk halen. Wees verheugd als die dag komt en spring op van blijdschap, want jullie zullen rijkelijk beloond worden in de hemel. Vergeet niet dat hun voorouders de profeten op dezelfde wijze hebben behandeld.
Maar wee jullie die rijk zijn, jullie hebben je deel al gehad.
Wee jullie die nu verzadigd zijn, want je zult hongeren.
Wee jullie die nu lachen, want je zult treuren en huilen.
Wee jullie wanneer alle mensen lovend over je spreken, want hun voorouders hebben de valse profeten op dezelfde wijze behandeld.’

Van Woord naar leven

“Samen met hen daalde Hij af”, lezen we voorafgaande aan het evangelie van vandaag. Jezus gaat niet zomaar naar de mensen, Hij komt van boven, en doordat Hij van boven komt is zijn komen eigenlijk een afdalen. En bij het afdalen gaat Hij voorbij aan de gewone menselijkheid en de gewone medemenselijkheid, voorbij aan de verzadigden, voorbij aan de lof van de mensen. Jezus daalt af naar de geschonden mensheid.

Het zijn dan ook geen gewone menselijke problemen die in het evangelie worden aangeraakt zoals economie, beurs, cultuur, maatschappij-inrichting. Het evangelie komt met iets anders dan waarmee wij elkaar geluk toewensen, iets anders dan wat ons verzadigt. We moeten dus niet alleen zien naar de inhoud van de zaligsprekingen, maar ook naar waar ze vandaan komen, hoe ze vanuit die hoogte iets meenemen naar de diepte.
Het is de rijkdom van God die aan de ‘armen’ gegeven wordt. De kracht en de rijkdom van God die Jezus op de berg in het gebed heeft ervaren, wordt hier bij ons beneden geschonken.

Laten we ons hart openen voor Gods’ rijkdom die zo anders is dan de rijkdom die de wereld nastreeft.

Naar woorden van J. Bots, sj

Reageren, je eigen woordje plaatsen, of uitwisselen over de overweging,
kan via de blog Van Woord naar leven.

Laat ons bidden

Heer,03_1_johnthebaptist
help ons niet groot te gaan op eigen kracht
maar heel ons zijn toe te vertrouwen
aan uw genadevolle tegenwoordigheid.
Amen.