Lezingen van de dag – zaterdag 10 februari 2018


Heilige (of feest) van de dag

Scholastica van Monte cassino († 543)

Scholastica van Monte Cassino, Italië & Juvigny-sur-Loison, Frankrijk; kluizenares

Zij zou een zus geweest zijn – volgens sommigen zelfs de tweelingzus –  van Sint Benedictus († 547; feest 11 juli), de grondlegger van het westerse monnikendom, en stichter van de Benedictijner kloosterorde. Scholastica wordt beschouwd als de eerste benedictines.

Zij en haar broer werden geboren rond het jaar 480 in een rijke familie te Nurcia in de Italiaanse landstreek Umbrië. Volgens de bronnen zou hun moeder tijdens de bevalling bezweken zijn. De twee kinderen hielden dolveel van elkaar en trokken overal samen op tot het moment aanbrak dat Benedictus naar Rome ging om er zijn studies voort te zetten.

Reeds als klein meisje was Scholastica aan God toegewijd. Zodra zij kon, zocht zij de nabijheid van haar broer weer op. Aanvankelijk was zij naar een vrouwenklooster gegaan in de buurt van Subiaco; want daar was Benedictus zijn leven als monnik in de eenzaamheid begonnen. Later, toen Benedictus verhuisde naar de Monte Cassino, trok zij zich niet ver daar vandaan in de eenzaamheid terug. Eenmaal per jaar zocht ze haar broer op en voerde met hem een geestelijk gesprek. Daartoe verlieten ze beiden hun verblijfplaats en ontmoetten elkaar in het gastenkwartier van het nabijgelegen kloostergebouw. Ze spraken enkele uren met elkaar, genoten samen het uiterst sobere avondmaal en na de gebeden ging elk weer terug naar zijn of haar eigen plek.

Bij gelegenheid van wat later hun laatste gesprek zou blijken te zijn, uitte Scholastica bij het vallen van de avond haar verlangen, dat ze de hele nacht samen in gesprek en gebed zouden doorbrengen. Maar haar broer wilde liever naar zijn klooster terug. Zo had hij het zelf in zijn Regel aan zijn onderdanen bevolen. Door niets liet hij zich vermurwen. Het gaf trouwens geen pas dat een monnik en een kluizenares in elkaars nabijheid de nacht doorbrachten, al was het dan ook om te bidden en geestelijke gesprekken te voeren. Benedictus had op dit punt in zijn leven al moeilijke strijd moeten leveren. Daar wilde hij trouw aan blijven.

Maar Scholastica hield aan. Toen zij merkte dat Benedictus geen krimp gaf, bad zij de hemel om hulp. Op datzelfde moment barste er zulk een onstuimig noodweer los dat het werkelijk onmogelijk was om zich daarin te begeven. Benedictus was verbijsterd: “Moge God je vergeven, maar wat heb je gedaan, mijn zusje?”

“Toen jij niet wou luisteren, heb ik God mijn wens voorgelegd. Hij luistert wel, want je kunt met geen mogelijkheid naar huis.”

De volgende morgen keerde elk terug naar de eigen verblijfplaats. Drie dagen nadien zag Benedictus door het venstertje van zijn hut een sneeuwwitte duif ten hemel vliegen, en hij besefte dat dit een teken was, dat zijn zuster was gestorven en dat haar smetteloze ziel opging naar God.

Hij liet haar in zijn kloostergemeenschap begraven, en bepaalde dat hij straks in hetzelfde graf zou worden bijgezet, want hij wilde niet dat de dood hen van elkaar zou scheiden.

Zij is patrones van de benedictinessen. Haar voorspraak wordt ingeroepen tegen regen, onweer en blikseminslag.

Zij wordt afgebeeld in het zwarte ordeskleed van de benedictinessen, met het regelboek bij zich, en in gezelschap van een duif (herinnering aan het visioen van Benedictus waarin hem de dood van zijn zus werd geopenbaard). Vaak wordt het gesprek afgebeeld dat broer en zus, Benedictus en Scholastica, samen hadden.

zaterdag in week 5 door het jaar


Uit het eerste boek Koningen 12, 26-32 + 13, 33-34

Het rijk van het Noorden onder Jerobeam maakt zichzelf een god zonder geloof. Alle andere daden van de konong van het Noordrijk zijn op het eerste gezicht politieke daden om succes te hebben. God naar zijn hand trachten te zetten was en is nu nog altijd even ondoenbaar. Wie het probeert loopt onherroepelijk vast.

Jerobeam bedacht dat er alle kans was dat het koningschap weer zou terugvallen aan het huis van David en overlegde bij zichzelf: Wanneer het volk naar Jeruzalem blijft gaan om daar offers op te dragen in de tempel van de Heer, zullen ze zich weer hechten aan hun heer, koning Rechabeam van Juda. Dan zullen ze mij vermoorden en zich weer bij Rechabeam aansluiten.
Na rijp beraad besloot hij om twee gouden beelden te laten maken in de vorm van een stierkalf. Daarop zei hij tegen het volk: ‘U bent nu vaak genoeg ter bedevaart naar Jeruzalem gegaan! Israël, dit is uw god die u uit Egypte heeft geleid.’
Het ene beeld liet hij in Betel plaatsen, en het andere in Dan, waar het door de Israëlieten in optocht naartoe werd gebracht. Zo verviel het volk tot zonde.
Jerobeam liet tempels bouwen op de offerhoogten en stelde priesters aan die niet tot de nakomelingen van Levi behoorden, maar afkomstig waren uit alle groepen van de bevolking. Ook stelde hij op de vijftiende dag van de achtste maand een feest in dat leek op het feest in Juda. Hij besteeg dan, in Betel, de treden naar het altaar om offers op te dragen aan de stierenbeelden die hij had laten maken. In Betel installeerde hij ook de priesters die hij voor de offerplaatsen had aangesteld.
Ondanks de woorden van de profeet beterde Jerobeam zijn leven niet. Hij bleef voor de offerplaatsen priesters aanstellen uit alle groepen van de bevolking; wie maar wilde kon een aanstelling krijgen als priester van de offerplaatsen.
Zo verviel het koningshuis van Jerobeam tot zonde, waardoor het uiteindelijk zou worden uitgeroeid en van de aarde weggevaagd.

 

Ps. 106, 6 + 7a + 19 + 20 + 21 + 22

Refr.: Vergeet mij niet, Heer, ik die uw vok welgezind ben.

Wij hebben gezondigd zoals onze voorouders,
wij hebben gefaald en kwaad bedreven.
Toen onze voorouders in Egypte waren,
sloegen zij geen acht op uw wonderen,

Zij maakten een stierkalf bij de Horeb
en bogen zich voor een stuk metaal.
God, hun eer, ruilden zij in voor een beeld
van een dier dat gras eet.

Vergeten waren zij God, hun redder,
die iets groots had verricht in Egypte,
wonderen in het land van Cham,
geduchte daden bij de Rietzee.

 

Uit het evangelie volgens Marcus 8, 1-10

Het evangelie van vandaag verwijst naar de eucharistie. Jezus is bezorgd voor de mensen en breekt voor hen brood voor onderweg. Dit zal Hij ook doen in de eucharistie. Daar breekt Hij echter zichzelf tot brood voor het leven.

Toen er op een keer weer een grote menigte bijeen was, en ze niets meer te eten hadden, riep Jezus de leerlingen bij zich en zei tegen hen: ‘Ik heb medelijden met al die mensen, want ze zijn nu al drie dagen bij me en hebben niets meer te eten. Als Ik hen met een lege maag naar huis stuur, zullen ze onderweg bezwijken; sommigen zijn immers van ver gekomen.’
Zijn leerlingen antwoordden: ‘Maar hoe zou iemand hen hier, in deze verlatenheid, van genoeg brood kunnen voorzien?’
Hij vroeg hun: ‘Hoeveel broden hebben jullie?’
‘Zeven’ , antwoordden ze.
Hij zei tegen de mensen dat ze op de grond moesten gaan zitten; Hij nam de zeven broden, sprak het dankgebed uit, brak de broden en gaf ze aan de leerlingen om ze aan de mensen uit te delen, en dat deden ze. Ze hadden ook een paar kleine vissen bij zich; Hij sprak er het zegengebed over uit en zei dat ze ook de vissen moesten uitdelen.
De mensen aten tot ze verzadigd waren; de leerlingen haalden op wat er van het eten overschoot: zeven manden vol.
Er waren ongeveer vierduizend mensen.
Toen stuurde Hij hen weg.
Meteen daarna stapte Hij met zijn leerlingen in de boot en voer naar het gebied van Dalmanuta.

Van Woord naar leven

Toen er op een keer weer een grote menigte bijeen was … zo lezen we.

Wat ik altijd mooi vind in Jezus-films zijn die scenes waar tientallen of honderdtallen mensen op de grond zitten ergens op de flank van een heuvel, of in een veld, luisterend naar Jezus. Mannen, vrouwen, kinderen, ze hangen aan zijn lippen, dorst als ze hebben naar zijn woord; woorden waarvan ze aanvoelen dat ze waar zijn, woorden die over hen gaan, woorden die spreken van Gods barmhartigheid, woorden van vergeving en oproep tot bekering, woorden van liefde en vrede, ja, woorden die ze beluisteren als woorden van God. Mooie scenes.

Mogen wij ons bij die menigten weten ?
Dragen ook wij in ons die dorst naar het woord van God ?
Nemen wij de nodige tijd om naar de Heer te luisteren ?
Gunnen we ons, elkaar, en Hem, de ruimte bij Hem te vertoeven ?
Praten we onze gebedsmomenten niet teveel vol met formulierengebeden ?
Ja, krijgt de stilte de nodige plaats wanneer we bidden ?
Mag vooral Hij aan het woord zijn ?
Zij we bereid daarvoor zelf te zwijgen ?
Lopen we niet te snel weg van de stilte ?
Verstaan we de kunst in de dorst te blijven ?

En ja hoor, de Heer ziet onze dorst, Hij kent onze honger, en zal, naar het woord uit het evangelie, uit medelijden bewogen, zorgen voor het lessen van onze dorst en het stillen van onze honger. Hij zal zichzelf aanbieden als levend voedsel voor ons hele ‘zijn’.

Laat ons Gods komen in Christus niet en nooit weigeren, maar het juist diep beminnen en koesteren.
Opdat Hij mag zijn wie Hij is: ‘Ik zal er zijn voor u’, Ja, ‘God met ons’.

kris

Reageren, je eigen woordje plaatsen, of uitwisselen over de overweging,
kan via de blog Van Woord naar leven.
Laat ons bidden

Heer God,
beziel ons gebedsleven met uw heilige Geest. Moge Hij het zijn die ons doet zwijgen, en ons doet horen. Moge de Geest ons verlangen zuiveren, en ons brengen in het ja-woord van uw Zoon.
Groeiend in Hem. Amen.