Lezingen van de dag – zaterdag 10 juni 2017


Heilige (of feest) van de dag

Edward Poppe († 1924)

Edward Poppe, Moerzeke, België; priester

Edward Poppe is slechts drieëndertig jaar geworden. Hoe toevallig wellicht, in de overeenkomst met Jezus’ levensjaren is de kern van zijn spiritualiteit meteen getroffen: Jezus was zijn leven.

Hij wordt op 18 december 1890 geboren in een eenvoudig bakkersgezin te Temse, Vlaanderen; als derde van uiteindelijk elf kinderen. Al vroeg komt hij in aanraking met de grote problemen van zijn tijd. Vader is een aanhanger van Adolf Daens († 1907; sterfdag 17 juni), een priester die zich zo vereenzelvigde met de barre sociale omstandigheden van de arme Vlamingen van zijn tijd dat hem uiteindelijk het lezen van de mis in het bijzijn van anderen, en het dragen van de priestersoutane verboden werd. Daens’ begrafenis vond plaats zonder zang, in een doodskoets van de armen. Het portret van deze vurige strijder hing boven de trog in vaders bakkerij. Edward wordt als kind ingezet om het brood rond te brengen. Hijzelf schrijft daar later over: “Ziet ge, men komt zowat overal wanner men brood moet uitvoeren; in huizen waar ze ruzie maken, waar de man zat is; in herbergen waar ze vloeken en praat vertellen. Ge hoort en ge ziet dan zoveel!” De lagere school wordt geleid door broeders, uitstekende opvoeders met aandacht voor cultuur, vooral tekenen naar de natuur, muziek, toneel, voordrachtskunst en literatuur (de dood van Guide Gezelle in 1899 laten de broeders bepaald niet ongemerkt voorbijgaan).

In 1905 gaat hij naar het kleinseminarie in Sint-Niklaas. In 1907 sterft vader. Een oom wordt voogd, een overtuigd liberaal. Als hij van het seminarie afkomt, moet hij in militaire dienst. Op 30 september 1910 wordt hij ingeschreven als soldaat van de Hogeschoolcompagnie te Leuven. Zo kan hij de militaire verplichtingen combineren met zijn studie. Maar daar is zijn gestel niet op ingericht. Hij krijgt een inzinking en heeft maanden nodig om te herstellen. Nu maakt hij zijn studies in hoog tempo af. Maar in augustus is hij weer op militaire oefening in Luxemburg. De uitzonderlijke hitte en de inspanningen zorgen ervoor dat hij weer drie dagen het bed moet houden. In die tijd leest hij de ‘Geschiedenis van een Ziel’ van Theresia van Lisieux. Haar ‘kleine weg’ zal van blijvende invloed blijken op zijn apostolaat.

Na de beëindiging van zijn militaire dienst treedt hij op 13 maar 1912 toe tot het grootseminarie te Leuven. In de zomer van 1914 behaalt hij zijn diploma in de filosofie. De president van het seminarie schrijft over hem aan de bisschop van Gent: “Mijnheer Poppe heeft ten volle de verwachtingen ingelost die verleden jaar op hem werden gesteld. Verstandig en werkzaam heeft hij het doctoraatsexamen doorstaan en heeft een grote onderscheiding behaald. Hij is bovendien een volmaakt seminarist. Boven alles is hij een man van plicht, openhartig, vroom en regelmatig, bezield met een waar verlangen naar volmaaktheid. Waarlijk, hij is een modelseminarist geweest.”

In 1914 breekt de Eerste Wereldoorlog uit. Edward wordt  ingedeeld bij het ziekenvervoer. Als het leger zich na de val van Namen terugtrekt, slaat de  ziekenwagen waar hij op meerijdt, om in ‘de hel van Bioul’. De pastoor van het Waalse Borlers geeft hem voor een paar maanden onderdak. In die tijd leest Edward de geschriften van de Franse priester Chevrier.  In diens motto ‘Ma vie, c’est Jésus’ (‘Jezus is mijn leven’) herkent Poppe zijn eigen verlangen. Ook Chevriers formulering  Jezus te volgen in zijn krib (armoede), zijn kruis (lijden) en zijn liefde (eucharistie) zal zijn spiritualiteit diepgaand beïnvloeden. Terug op het seminarie houdt ‘Wardje’ zoals hij door zijn vrienden wordt genoemd, zich niet alleen  bezig met zijn studies; hij schrijft stukjes en is bezielend voorzitter van de studentenbond. Verarmd Vlaanderen gaat hem bijzonde ter harte. Temeer omdat moderne stromingen als socialisme en liberalisme geen religieuze inhoud geven aan hun idealen. En dat is voor Poppe juist het belangrijkste.

Op 1 mei 1916 ontvangt hij de priesterwijding. Hij wordt benoemd tot kapelaan (‘onderpastoor’) in de Sint-Coletaparochie, gelegen in een volkswijk van Gent. Hij maakt er opnieuw kennis met de schrijnende armoede die er heerst, en neemt zich voor hun leven te delen: temidden van armen wil hij een arme priester zijn. Later zal hij zeggen dat daar wellicht de meeste overtuigingskracht van uit gaat. Meer dan van welke mooie woorden ook. Het liefst is hij  op sjouw tussen de mensen, getekend door miserie en oorlogsleed. Hij begint de trekken te vertonen van Adolf Daens en père Chevrier. Voor de kinderen richt hij een eucharistische bond op, gesterkt door de recente geschriften van de paus die het veelvuldig communiceren, ook voor jongere kinderen krachtig bevordert. Belast met de taak kinderen godsdienstonderwijs te geven, blijkt hij daar een uitgesproken talent voor te hebben. Hij wijdt ze in in de spiritualiteit van ‘De Kleine Weg’ van Theresia van Lisieux: op de plek waar je staat, hoe bescheiden ook, goed doen; liefde laten gelden. Hij geeft er zelf voorbeeld op voorbeeld van. Maar zijn pastoor kan zijn werkwijze niet waarderen. Weer krijgt Poppe een inzinking.

In 1918 wordt hij overgeplaatst naar Moerzeke om er rector te worden van het karmelietessenklooster. Een half jaar later krijgt hij een zware hartaanval. Een maand later nog één. Voorlopig is hij aan bed gekluisterd. Zijn dag zal gevuld worden met gebed, gesprekken en het schrijven van artikeltjes, religieuze verhandelingen en boeken. Hij laat daartoe een soort lessenaartje op zijn bed aanbrengen. Op het blad tekent hijzelf een brandende kaars met de woorden ‘accendatur’ (dat het ontstoken wordt). Toespeling op een woord van Jezus: ‘Vuur ben ik komen brengen op aarde, en hoe verlang ik dat het ontstoken wordt’ (Lukas 12,49). Hier schrijft hij zijn boeken over ‘Eucharistie en geloofsonderricht’; over de spiritualiteit van de priester. Hij staat aan de wieg van de zogeheten Eucharistische Kruistocht, een beweging die tot doel heeft kinderen – vooral via brochures en boekjes – te vormen in de spiritualiteit van de eucharistie. Als hij voldoende hersteld is, brengt hij een bezoek aan het graf van Theresia in Lisieux, ‘een van de grootste genaden van zijn leven’.

Stilaan begint zijn werk opgemerkt te worden. Kardinaal Mercier benoemt hem tot militair aalmoezenier in Leopoldsburg. Hij moet retraites en conferenties geven aan de priesters in militaire dienst. Intussen voert hij talloze gesprekken. Wie hem ontmoet is onder de indruk van zijn innerlijk vuur, zijn zachte, bijna eentonige stem die dingen zegt die allerminst saai of eentonig zijn. Aan de kardinaal houdt hij voor waarin de grootste zorg van de bisschoppen zou moeten liggen. Hij meent dat de moderne opvoeders geen idee hebben van de genade, laat staan dat ze eruit leven. De katholieke scholen hebben geen christenen gevormd. Zij hebben wel de kennis van het geloof bijgebracht, maar niet de beleving. Niet de warmte van Gods tegenwoordigheid die hij zo terugvindt in de persoon van Jezus’ moeder Maria. “Dank zij Moeder Maria is het blauwe uitspansel, dat ons allen omvat, heel het goddelijk Zonneland der kerk. Jezus is de Zon in dat uitspansel en wij, wij zijn zonnekinderen, zonnelanders. Willen wij werkelijk vooruitkomen en Jezus’ invloed machtig verbreiden, dan moeten wij uit ons eigen enge woningske onder de milde blauwe hemel komen te staan en ons laten bestralen door Jezus’ genadezon die er in gloeit en eruit glanst naar alle richtingen.” En ergens anders schrijft hij: “Net als Jezus moeten wij uit Maria geboren worden.” Ook de studentenbeweging gaat hem nog steeds ter harte. Had hij er immers niet zelf deel van uitgemaakt? Hij deelt de zorg van de kardinaal dat ze zich steeds minder laat inspireren door de christelijke geest: “De studentenbeweging is een werkelijkheid, een feit; met ze te beoordelen of te veroordelen zal men ze niet wegcijferen. Ze richten, ze vervolledigen, ze tot ‘bondgenoot’ maken is de zaak.”

Op Nieuwjaarsdag 1924 volgt een derde hartaanval, gevolgd door een vierde precies een maand later. Hij voelt hoe het einde nadert en voert zijn innerlijke strijd om ook hierin God te gehoorzamen en een andere Jezus te zijn.

Op 10 juni sterft Edward Poppe. Nog voordat hij op 16 juni wordt begraven,  geeft kardinaal Mercier reeds de opdracht een levensbeschrijving van priester Poppe uit te brengen. Hij schrijft in een brief aan Edwards moeder: “Waarde mevrouw. Ik gis uw droefheid, want ik heb het geluk gehad degene te kennen die Gij beweent. Gij had u geen beminnelijker en deugdzamer zoon kunnen wensen. Hij droeg Christus niet alleen in zijn ziel, maar in zijn taal en tot in zijn trekken toe; men kon niet in gesprek met hem treden zonder zich beter te voelen. Moge het Heilig Hart U de genade verlenen uw beproeving moedig te aanvaarden. Mijn deelneming zal er uiteraard in bestaan de H. Mis op te dragen voor zijn intentie, maar ik zal niet aarzelen zijn voorspraak in te  roepen, omdat ik overtuigd ben dat uw geliefde zoon een heilige was en dat de God van de Vrede hem reeds in de heerlijkheid heeft verwelkomd. Ik zal hem e Eucharistische Kruistocht aanbevelen én onze studentenorganisatie van wie hij de verlichte leider was en de diep geliefde vriend.”

In de jaren daarna zal de nagedachtenis van Poppe te lijden hebben van de piëtistische vroomheid van het Rijke Roomse leven. Zijn gestalte wordt gewrongen in het overdreven stichtelijke heiligheidsmodel van die tijd, compleet met wonderverhalen die nooit gebeurd zijn, maar die men nu eenmaal zo graag in heiligenverhalen opschreef. Zijn vrienden en allen die persoonlijk met hem te maken hebben gehad, herkennen hem niet in de wijze waarop hij wordt voorgesteld. Hoevele heiligen is het zo niet vergaan?  In de vrome boekjes over hem wordt nergens vermeld dat hij in zijn ziel altijd Daensist is gebleven, met hart voor de armen en gevoel voor sociale rechtvaardigheid. Dat hij droomde van een ontvoogding van de arme Vlaming, op het nationalistische af. Terwijl zijn spiritualiteit wellicht het diepst is beïnvloed door Franstalige vroomheid (Thérèse van Lisieux, père Chevrier, de pastoor van Ars, Louis-Marie Grignon de Montfort e.a.). Dat hij scherp zag hoe onder de oppervlakte van de kerkelijke organisaties de warmte van de spiritualiteit verkilde en opdroogde, en hoe hij in de tijd van zijn studentenbeweging had geleerd te zien, een diagnose te stellen (juist niet te oordelen, en nog veel minder te veroordelen) en op grond daarvan tot handelen over te gaan.

Er komt nieuw zicht op zijn persoon en zijn verdiensten door het Tweede Vaticaans Concilie. Achteraf realiseert men zich dat hij vele dingen die daar opnieuw worden geformuleerd, heeft voorvoeld of voorzien. De belangstelling voor hem herleeft. Het resultaat is dat hij op 3 oktober 1999 door paus Johannes Paulus II († 2005) wordt zalig verklaard.

zaterdag in week 9 door het jaar


Uit het boek Tobit 12, 1 + 5-15 + 20

De engel rafaël is een prachtig voorbeeld voor ons apostolaat: middelaar en boodschapper zijn van God. Elke vergoeding wijst hij af. Als er dank moet gebracht worden voor diensten die hij bewees, moet deze dank worden gebracht aan zijn opdrachtgever: de Gever van alle Goeds, God zelf.

In die dagen riep Tobit zijn zoon bij zich en sprak tot hem: “Wat kunnen wij geven aan deze heilige man, die u begeleid heeft?”
Daarop riepen zij de man terzijde en vroegen hem, of hij de helft van alles, wat zij hadden meegebracht, zou willen aanvaarden.
Toen zei de engel tot hen: “Prijs God in de hemel en loof Hem ten aanzien van al wat leeft want Hij heeft u barmhartigheid bewezen. Men doet er goed aan de geheimen der koningen te bewaren, maar Gods daden bekend maken is eervol voor zijn dienaars. Bidden en vasten is uitstekend en liefdadigheid is beter dan het oppotten van schatten goud. Want het schenken van aalmoezen redt van de dood, het reinigt van de zonden en verdient barmhartigheid en eeuwig leven. Maar de zondaars en ongerechtigen zijn de vijanden van hun eigen leven. Ik ga u de waarheid zeggen en u niets verborgen houden. Wanneer gij onder tranen hebt gebeden en uw ontbijt liet staan om de doden te begraven, overdag de doden verborgt in uw huis om ze in de nacht te begraven, toen heb ik uw gebed aan de Heer opgedragen. Maar omdat gij God welgevallig waart, moest gij ook door lijden worden beproefd. Nu heeft God mij gezonden om uw blindheid te genezen en uw schoondochter Sara van de kwade geest te verlossen. Ik ben Rafaël, een van de zeven engelen die staan voor de troon van Gods heerlijkheid en Hem de gebeden der heiligen aanbieden. Nu is het tijd, dat ik terugkeer naar Hem die mij gezonden heeft; gij echter, looft de Heer en verkondigt al zijn wondere daden.”

 

Psalm 71, 8 + 9 + 14 + 15ab + 16 + 17 + 22

Refr.: God, ik blijf naar U uitzien, altijd.

Heel de dag is mijn mond
vervuld van uw lof en uw luister.
Verstoot mij niet nu ik oud word,
verlaat mij niet nu mijn kracht bezwijkt.

Ik blijf naar U uitzien, altijd,
U lof brengen, meer en meer.
Mijn mond verhaalt van uw gerechtigheid,
van uw reddende daden, dag aan dag.

Spreken zal ik over uw macht, Heer, mijn God,
de rechtvaardigheid roemen van U alleen.
God, U onderwees mij van jongs af aan,
en steeds nog vertel ik uw wonderen.

Dan zal ik U loven bij het spel op de harp,
U en uw trouw, mijn God.
Ik zal voor U zingen bij de lier,
Heilige van Israël.

 

Uit het evangelie volgens Marcus 12, 38-44

De meeste mensen zijn makkelijk bereid iets te geven aan anderen van hun eigen overvloed. Dat doet hen echter niets. Het voorbeeld van de arme weduwe die geeft van wat zij strikt nodig heeft om te leven, is echte naastenliefde. Durven wij dit aan ?

Tijdens zijn onderricht zei Jezus: ‘Pas op voor de schriftgeleerden die zo graag in dure gewaden rondlopen en eerbiedig begroet willen worden op het marktplein, en een ereplaats willen in de synagogen en bij feestmaaltijden: ze verslinden de huizen van de weduwen en zeggen voor de schijn lange gebeden op. Over hen zal strenger worden geoordeeld dan over anderen!’
Hij ging tegenover de offerkist zitten en keek hoe de mensen er geld in wierpen. Veel rijken gooiden veel geld in de kist. Er kwam ook een arme weduwe, die er twee muntjes in gooide, ter waarde van niet meer dan een quadrans.
Hij riep zijn leerlingen bij zich en zei tegen hen: ‘Ik verzeker jullie: deze arme weduwe heeft meer in de offerkist gedaan dan alle anderen die er geld in hebben gegooid; want die hebben gegeven van hun overvloed, maar zij heeft van haar armoede alles gegeven wat ze had, haar hele levensonderhoud.’

Van Woord naar leven

Jezus riep zijn leerlingen bij zich en zei tegen hen: ‘Ik verzeker jullie: deze arme weduwe heeft meer in de offerkist gedaan dan alle anderen die er geld in hebben gegooid; want die hebben gegeven van hun overvloed, maar zij heeft van haar armoede alles gegeven wat ze had, haar hele levensonderhoud.’

De arme weduwe geeft ‘meer’ dan de rijken, omdat zij ‘alles’ geeft, terwijl de rijken iets gegeven hebben ‘van hun overvloed’.
Ware vroomheid is dus niet een zaak van meer of minder geven, maar van alles of niets, én om de toewijding die ermee gepaard gaat. Het is een zaak van het hart.

Laten we ons helemaal schenken aan de Heer, met al wat we hebben en zijn, opdat we een zuiver instrument mogen worden van zijn inwoning in ons; wij de fluit, Hij de fluitspeler, ons leven: zijn melodie, zijn lied dat ‘liefde’ heet.

kris

Reageren, je eigen woordje plaatsen, of uitwisselen over de overweging,
kan via de blog Van Woord naar leven.
Laat ons bidden

Heer,
leer ons alles te geven aan U, maar dan ook werkelijk alles. Dat niets van ons het onze mag zijn maar alles geleend van U om het altijd weer opnieuw ter beschikking te houden wanneer Gij het vraagt. Geef dat wij ons hele zijn mogen schenken aan U, heel ons hart, ons hele vermogen, al onze goederen. Opdat het mag dienen tot groei van allen en alles, ter opbouw van uw Rijk hier op aarde.
Kom Heer Jezus, kom. Amen.