Lezingen van de dag – zaterdag 12 mei 2018


Heilige (of feest) van de dag

Pancratius van Rome († ca 303)

Pancratius (ook Pancras) van Rome, Italië; martelaar

° bron afbeelding: Afbeelding: ca 1370. Houtsculptuur – Oostenrijk, Schloss Tirol, kapel. 

Hij onderging de marteldood tijdens de vervolgingen onder keizer Diocletianus. Hij zou op dat moment pas veertien jaar geweest zijn. De plaats van zijn terechtstelling lag in het oude Rome aan de Via Aurelia.

Zijn ouders waren volgens zeggen welgestelde Romeinse burgers; ze woonden in de provincie Frygië, in Klein-Azië (het noorden van het huidige Turkije). Zij stierven, toen Pancratius nog maar een kind was. Zoals gebruikelijk was in dergelijke situaties nam nu een broer van zijn vader, Dionysius, de zorg voor de jongen op zich. Oom Dionysius reisde met Pancratius naar Rome om voor hem een goede baan in het leger te organiseren. Zijn familie stond immers bij de Romeinse autoriteiten in hoog aanzien.

Een eind verderop in de straat waar Pancratius onderdak had gevonden, woonde de bisschop van de christenen, paus Caius († 296; feest 22 april). Zo kwam hij in contact met de christenen. Vol afgrijzen zag hij hoe keizer Diocletianus (286-305) hen liet vervolgen, arresteren en op de meest gruwelijke wijzen om het leven brengen. Tegelijk bemerkte hij hoe deze gelovigen niet bitter werden of haatdragend. Integendeel, ze bleven bidden voor het welzijn van de keizer en van al degenen die hen vervolgden. Dat vond Pancratius zo fascinerend dat hij zich aanmeldde als geloofsleerling. Het was paus Caius zelf die hem onderricht gaf en uiteindelijk het doopsel toediende. Pancratius stelde heel zijn niet geringe vermogen ter beschikking van de gelovigen, die over het algemeen tot de armere klasse behoorden.

Nu liep Pancratius hetzelfde gevaar als alle christengelovigen in die dagen. Inderdaad werd hij verraden door iemand uit de straat en aangebracht bij de keizer. Deze probeerde hem tot andere gedachten te brengen door hem mooie beloften in het vooruitzicht te stellen: een glanzende carrière in het Romeinse Rijk en een vorstelijk salaris. Maar dat maakte niet zoveel indruk op iemand die net zijn hele kapitaal had weggegeven. Zo jong Pancratius ook was – volgens zeggen was hij pas veertien – hij bleef standvastig, ook toen men hem dreigde met de meest afschuwelijke folteringen. Uiteindelijk werd hij met een zwaardslag gedood.

Vanaf de vijfde eeuw is de heilige Pancratius reeds terug te vinden op de romeinse heiligenkalender. Op de plek van zijn terechtstelling, de Gianicolo in Rome, liet paus Symmachus († 514; feest 19 juli) later een kerk bouwen die aan hem was toegewijd: de San Pancrazio.

Sindsdien had in die kerk op de zondag na Pasen een aparte plechtigheid plaats. Met Pasen waren de nieuwe dopelingen gehuld in een wit gewaad. Dit droegen ze in de kerk de hele week na Pasen. Zondag na Pasen was de laatste keer dat die witte groep zo duidelijk vooraan in de kerk zat. Vandaar dat die zondag van oudsher ‘Beloken Pasen’ (= ‘blanke of witte Pasen’) wordt genoemd. De plechtigheid dat de pasgedoopten hun witte gewaden voor het laatst droegen en daarna aflegden, werd gehouden in de kerk van San Pancrazio. Waarschijnlijk was dat, omdat wit wordt beschouwd als de kleur van de onschuld, en Sint Pancratius met zijn veertien jaar als toonbeeld van moedige onschuld werd vereerd.

De schedel van Pancratius wordt als een kostbaar reliek bewaard in de St.-Jan van Lateranen.

In de zevende eeuw stuurde paus Vitalianus († 672; feest 27 januari) een gedeelte van Pancratius’ gebeente naar het Angels-Saksische vorstenhuis. Dat bracht in Engeland een grote devotie teweeg voor Pancratius. Mede daardoor werd Pancratius in de volgende achtste eeuw officieel door alle christenen over de wereld gevierd.

Hij is patroon van de eerste-communicanten en – in Frankrijk – van kinderen; van jonge aanplant en bloesem: pas geplante bloemen en planten; daarnaast wordt zijn voorspraak ingeroepen tegen valse getuigenissen en meineed, tegen hoofdpijn en kramp (vanwege de verbastering van zijn naam: Camprace).

Omdat hij wordt vereerd als patroon van de zuivere eed, zijn er ook daarover verhalen ontstaan. Gregorius van Tours († 594; feest 17 november) vertelt ons dan ook het volgende verhaal:

Eens ontstond er tussen twee inwoners van de stad Rome een heftige ruzie. Ze riepen de rechter erbij en voor hem was het al gauw duidelijk wie de ware schuldige was, maar hij kon het niet bewijzen. Daarom besloot hij het te laten aankomen op een zogeheten godsoordeel. God zelf zou door een bijzonder teken de schuldige aanwijzen. Die gang van zaken was in de vroege middeleeuwen niet ongebruikelijk. Hij nam daarom de beide kemphanen mee naar de Sint-Pieter, liet hen allebei hun hand op het altaar leggen en vroeg hen vervolgens te zweren dat ze onschuldig waren. Wie een valse eed zwoer pleegde op die manier tegelijk heiligschennis. Dat zou God of in ieder geval Sint Petrus nooit goed vinden en dat zou dan weer blijken door een bijzonder teken dat zou plaatsvinden. Beide mannen legden met een stalen gezicht hun eed af, en er gebeurde niets. Reeds meende de ware schuldige dat hij aan zijn gerechte straf zou ontkomen. Maar de rechter zei: “Er zijn twee mogelijkheden, waarom er niets gebeurt. Het kan zijn dat de oude Sint Petrus gewoon te vergevingsgezind is; maar het kan ook zijn dat hij nu de kans wil geven aan een jongere heilige om zijn wondermacht te tonen. Laten we daarom ook nog gaan naar de kerk van Sint Pancratius en daar de eed herhalen. Dat deden ze. Vooral de ware schuldige toonde zich overmoedig en stemde van harte in met dit plan. De rechter vroeg de beide mannen het ritueel van daarnet nog eens over te doen hier op het altaar van Pancratius: “Leg daarom uw handen op het altaar en zweer nogmaals dat u onschuldig bent.” Dat deden ze. Maar nu bleek dat een van de twee zijn hand niet meer los kon krijgen van het altaar. Wat men ook probeerde, de hand kwam niet vrij. In die situatie is de ongelukkige bedrieger aan zijn eind gekomen. Vandaar – aldus Gregorius van Tours – dat onder de mensen van tegenwoordig nog altijd de gewoonte bestaat een eed te zweren op het gebeente van Sint-Pancratius.

Hij behoort tot de zogeheten ijsheiligen; ook tot de veertien Noodhelpers.

Hij wordt afgebeeld als een jonge romein met zwaard, martelaarspalm en/of martelaarskroon.

zaterdag in de 6e paasweek


Uit de Handelingen van de Apostelen 18, 23-28

In een geloofsgemeenschap is elke gelovige verantwoordelijk voor de verkondiging van de evangelische boodschap. Apollos was een leek, die zich deze verantwoordelijkheid heel bewust werd.

Toen Paulus enige tijd in Antiochië had doorgebracht, vertrok hij voor een rondreis door Galatië en Frygië, waar hij alle leerlingen moed insprak.
Intussen arriveerde er in Efeze een uit Alexandrië afkomstige Jood, die Apollos heette. Hij was een ontwikkeld man, die goed onderlegd was in de Schriften. Hij had onderricht gekregen in de Weg van de Heer en verkondigde geestdriftig de leer over Jezus, die hij zorgvuldig uiteenzette, ook al was hij alleen bekend met de doop zoals Johannes die had verricht. In de synagoge begon hij nu vrijmoedig het woord te voeren. Toen Priscilla en Aquila hem hoorden, namen ze hem terzijde en legden hem uit wat de Weg van God precies inhield.
Toen hij naar Achaje wilde afreizen, moedigden de leerlingen hem aan en gaven hem een brief mee voor de gemeenteleden met het verzoek hem gastvrij te ontvangen. Na zijn aankomst bleek hij door Gods genade een grote steun te zijn voor de gelovigen, want hij slaagde erin de Joden in het openbaar in het ongelijk te stellen door op grond van de Schriften aan te tonen dat Jezus de messias is.

 

Psalm 47, 2 + 3 + 8 + 9 + 10

Refr.: Koning is God over heel de aarde.

Klap in de handen, o volken,
juich God toe met jubelzang.

Geducht is de Heer, de Allerhoogste,
machtige koning van heel de aarde.

God is koning van heel de aarde,
zing een feestelijk lied.

God heerst als koning over de volken,
God zetelt op zijn heilige troon.

De vorsten van de volken zijn bijeen
in het gevolg van Abrahams God.

Zijn schildwachten zijn ze op aarde.
Hoog is Hij verheven.

 

Uit het evangelie volgens Johannes 16, 23b-28

Het behoren tot het christendom is geen vrijgeleide voor menselijk succes, voor macht in deze wereld. Jezus beloofde ons wèl een diepe inwendige vreugde, namelijk door zijn verrijzenis getuige te kunnen zijn van de geboorte van een nieuwe wereld.

Jezus sprak tot zijn leerlingen:
‘Wat je de Vader ook vraagt in mijn naam; Hij zal het je geven. Tot nu toe hebben jullie niets in mijn naam gevraagd, maar vraag het en je zult het ontvangen. Dan zal je vreugde volmaakt zijn.
Ik heb jullie dit alles in beelden verteld, maar er komt een tijd dat Ik niet meer in beelden spreek, maar jullie zonder omwegen over de Vader vertellen. Als je dan iets vraagt in mijn naam, hoef Ik het niet meer namens jullie aan de Vader te vragen, want de Vader zelf heeft jullie lief, omdat jullie mij liefhebben en geloven dat Ik van God ben gekomen.
Ik ben bij de Vader vandaan gegaan en naar de wereld gekomen, nu verlaat Ik de wereld weer en ga Ik terug naar de Vader.’

Van Woord naar leven

Vandaag, bij wijze van mijmering, twee verzen uit de psalm die je hierboven kan lezen: ‘Klap in de handen, o volken, juich God toe met jubelzang’. En: ‘God is koning van heel de aarde, zing een feestelijk lied’.

Lieve mensen, wie de kunst verstaat dankbaar jegens God door het leven te gaan, zal niet anders kunnen dan diep vanbinnen een feestelijk lied zingen, innerlijk klappend in de handen. Het leven is zo mooi, zo wonderlijk mooi, dat het niet anders kan dan dat je hart in een feestelijke stemming verkeert.

Het is natuurlijk waar dat elke mens, elk gezin, elke gemeenschap, elke parochie, zijn zorgen kent. Ik ook, zij maar zeker. En soms kunnen die zorgen zwaar zijn om dragen. Maar het gevaar bestaat erin dat de zorgen de overhand krijgen in ons leven en elke vorm van innerlijke vreugde ontneemt. Dat kan toch niet de bedoeling zijn. En dit zeg ik met alle respect naar hen toe die hun zorgen nog amper de baas kunnen.

Ik denk dat het goed is dat we tijdens ons gebed onze zorgen soms even volledig laten voor wat ze zijn. Niet alsof ze er niet zijn, maar gewoon even alles loslaten. Gewoon kijken naar God, zijn grootsheid, het wonder van zijn bestaan, van ons bestaan, het wonder van het leven, het wonder van te mogen beminnen en bemind te worden. Je enkel daar naar richten, los van alles. Even alleen, jij en God. Laat de rest nu even rusten. Zink weg in God. Laat je omhelzen door Hem. Ga tegen Hem aanliggen. Drink van Hem. En geniet van zijn aanwezigheid. Ontvang zijn vrede, zijn innerlijke vreugde omdat Hij jou bemint en jij Hem.
Wanneer je dan uit het gebed komt om bepaalde dingen te gaan doen, zal je hart en je hele zijn getekend zijn door die ontmoeting met God. De zorgen van het leven zullen niet verdwenen zijn, maar ze zullen je innerlijke vrede niet ontnemen. Je zal je zorgen anders dragen, je zult ze in Gods vrede dragen, biddend, ze aan Hem toevertrouwend, ze ‘in’ Hem dragend.
Op deze wijze zullen de zorgen des levens nooit de overhand krijgen. Ze zullen ons niet in beslag nemen. We zullen ze mét God dragen. Of nog dieper gezegd: Hij zal ze met ons dragen. En wij mogen vertrouwen dat Hij, midden onze zorgen, ons leidt en behoedt.

Moge het lied van en tot God diep in ons hart nooit verstommen.

kris

Reageren, je eigen woordje plaatsen, of uitwisselen over de overweging,
kan via de blog Van Woord naar leven.
Laat ons bidden

Goede God,
moge uw heilige Geest diep ons hart zijn inwoning hebben, opdat het lied van uw vrede nooit moge verstommen. Moge de Geest ons in U doen nestelen opdat we dragers mogen zijn van uw vrede, opdat we ze mogen baren naar allen die Gij ons toevertrouwt. Behoed ons, goede God, voor alles dat ons wil verwijderen van uw vrede. Maak ons attent en waakzaam voor uw aanwezigheid. En dat wij nooit van uw schoot mogen wijken. Tot in lengte van dagen.
In Jezus’ naam. Amen.