Lezingen van de dag – zaterdag 13 mei 2017


Heilige (of feest) van de dag

Onze-Lieve-Vrouw van Fatima

Verschijning van Onze Lieve Vrouw aan drie herderskinderen; Fatima (Portugal); 1917

Eerste verschijning
Op 13 mei 1917 verschijnt in Fátima, Portugal, een hemelse vrouw aan drie herderskinderen: Francisco Marto, zijn zusje Jacinta, respectievelijk negen en zeven jaar en hun tienjarige nichtje Lucia dos Santos. Ze staat met de voeten op een wolk in de kruin van een eikenboompje, omstraald door een aureool van licht. Dan zegt de vrouw: ‘Wees niet bang. Ik doe je geen kwaad.” Lucia waagt het erop: “Waar komt u vandaan, mevrouw?”
“Ik kom uit de hemel.”
“En wat komt u doen?”
“Ik zal elke maand op de 13e terugkomen. In oktober zal ik zeggen wie ik ben en wat ik verlang.”
Een stukje verder in het gesprek vraagt de verschijning:
“Wil je pijn verdragen voor de bekering van de zondaars om goed te maken wat Onze Lieve Heer en het onbevlekt Hart van Maria allemaal wordt aangedaan?”
De kinderen zeggen dat ze daartoe bereid zijn.
“Dan zul je nog heel wat pijn te doorstaan hebben,” zegt de verschijning.
Bij het afscheid zegt zij:
“Bid elke dag een rozenhoedje voor de vrede op de wereld en de bekering van de zondaars.”

Wellicht hebben wij moeite met spreken in termen van eerherstel en lijden omwille van de bekering van de zondaars. Zeker tot kinderen van zulk een jonge leeftijd. Vergeten we niet dat de Eerste Wereldoorlog al drie jaar aan de gang is; dat binnen enkele maanden in Rusland de anti-godsdienstige Revolutie van het communisme uit zal breken… Tegen deze achtergrond kunnen we iets beter verstaan dat de opmerkingen van de verschijning pasten in die tijd.

Tweede verschijning
In het dorp beginnen de eerste geruchten op gang te komen. Met als gevolg dat er op 13 juni zo’n tachtig mensen uit het dorp op het veld zijn samengestroomd waar de verschijning zal moeten plaats vinden. Als de drie kinderen om twaalf uur neerknielen om zoals gebruikelijk op die tijd het rozenhoedje te bidden, staat daar plotseling de verschijning op dezelfde plaats. Lucia spreekt ongeveer tien minuten met de verschijning. Deze drukt de kinderen weer op het hart elke dag het rozenhoedje te bidden. De mensen die erbij geweest zijn, hebben wel gezien hoe de kinderen op de verschijning reageerden, maar zelf hebben ze niets gezien.

Derde verschijning
Maar ze zijn er vol van. Gevolg is dat op 13 juli er zo’n vier- à vijfduizend mensen verzameld zijn op de plek van de verschijning. De verschijning doet zich weer precies om twaalf uur voor. Deze keer zegt zij
“… vooral het rozenhoedje te bidden om beëindiging van de oorlog te verkrijgen. Voeg er extra offers aan toe uit liefde voor Jezus en het Onbevlekt Hart van Maria. De huidige oorlog loopt tegen zijn einde. Maar als er niets gebeurt zal er onder de volgende paus een veel ergere oorlog uitbreken…
Om dat te verhinderen kom ik vragen de wereld toe te wijden aan mijn Onbevlekt Hart en elke Eerste Zaterdag in mijn naam een oefening van eerherstel te doen. Als men aan mijn verzoek tegemoet komt, zal Rusland zich bekeren en zal er vrede zijn. Zo niet, dan zal het dwalingen over de wereld verspreiden die oorlogen en kerkvervolgingen veroorzaken. Vele vrome gelovigen zullen gemarteld worden en de paus zal veel te lijden hebben. Volkeren zullen vernietigd worden. Maar uiteindelijk zal mijn Onbevlekt Hart zegevieren.”

Vierde verschijning
Op 13 augustus worden de drie kinderen door het plaatselijke hoofd van bestuur in zijn huis vastgehouden. Hij zet de drie onder druk in de hoop dat zij zichzelf of elkaar tegenspreken, maar dat gebeurt niet. Ook laten ze zich niet bang maken. Ze vertellen eenvoudig telkens weer op dezelfde natuurlijke manier wat hun overkomen is, als was het de gewoonste zaak van de wereld. Op die 13e augustus staat er een ontzaglijke menigte te wachten. Maar de kinderen komen niet, en de verschijning ook niet. Die kwam zes dagen later, toen de drie alleen waren met hun kudde. Zij herhaalde de boodschappen van de vorige ontmoetingen.

Vijfde verschijning
Op 13 september vinden er merkwaardige verschijnselen aan de hemel plaats. De duizenden toeschouwers zeggen het allen gezien te hebben: een vurige bol die langs de hemel zweefde en bloembladeren die neerdwarrelden en halverwege schenen op te lossen in de lucht. De kinderen verklaren van dat alles niets gemerkt te hebben: zij zagen alleen de verschijning. Bij die gelegenheid brengt Lucia de wens van het volk over om op die plek een kapel te bouwen. De verschijning geeft haar toestemming.

Zesde verschijning
Zoals aangekondigd vindt op 13 oktober de laatste verschijning plaats. Er is een grote mensenmenigte aanwezig. Precies om twaalf uur laat de verschijning zich weer aan de drie kinderen zien. Lucia roept de mensen op het rozenhoedje te bidden. Op Lucia’s vraag wie zij is, antwoordt de verschijning:
“Ik ben Onze Lieve Vrouw van de Rozenkrans, en ik wil op deze plaats een kapel ter ere van mij.”
Net als de vorige keren spoort zij aan tot het dagelijks bidden van het rozenhoedje. Dan zegt zij:
“De mensen moeten beter gaan leven; zij moeten vergiffenis vragen voor hun zonden.”
En dan met bedroefd gezicht:
“Laten zij toch ophouden Onze Lieve Heer te beledigen. Hij is al veel te veel beledigd.”
De verschijning had beloofd dat zich bij haar laatste bezoek tekenen zouden voordoen waardoor er velen aan de waarheid van de verschijningen zouden gaan geloven. Aanvankelijk waren er regenwolken. Ze zijn op slag verdwenen. De zon komt door en straalt telkens anders gekleurde lichtbundels uit, zodat het lijkt alsof de hele aarde achtereenvolgens in een geel, groen, rood, blauw en paars spotlicht wordt gezet. Plotseling lijkt het alsof de zon loskomt van de hemel en op de aarde zal neerkomen. Grote schrik maakt zich van de mensen meester, en zij vallen op de knieën. Dit gebeurt drie keer achtereen. Alle aanwezigen bevestigen later dat ze het echt met eigen ogen hebben gezien.

Sindsdien is Fátima een druk bezochte Mariabedevaartplaats.

De kleine Francisco Marto zal reeds sterven op 4 april 1919; zijn jongere zusje niet lang daarna: 20 februari 1920. Lucia trad in 1921 in bij de zusters karmelietessen van St-Dorothea als zuster Lúcia de Jesus Santos en in 1948 bij de Karmel van St-Theresia in Coimbra. Zij was in 1982 en 1997 gids van paus Johannes Paulus II bij zijn bezoek aan Fátima.

Vandaag, op 13 mei 2017, worden Francisco Marto (1908-1919) en zijn zusje Jacinta Marto (1910-1920) door paus Franciscus heilig verklaard tijdens zijn bezoek aan Fatima.

 

zaterdag in de vierde paasweek


Uit de Handelingen van de Apostelen 13, 44-52

Voor de persoon van Jezus en voor zijn boodschap, moeten wij geloof opbrengen, ofwel uitvluchten zoeken om er niet op in te moeten gaan. De Joden in Antiochië, die geloven in de God van het Oude Testament, weigeren Christus, Zoon en gezondene van die God, te aanvaarden. De heidenen echter nemen het geloof aan in God én in de gezonden Zoon. Reeds hier wordt met het geloof van eenvoudigen gelachen, maar de vreugde van de heilige Geest kan men de gelovigen nooit ontnemen.

De volgende sabbat kwam bijna de hele stad bijeen om naar het woord van de Heer te luisteren.
Bij het zien van de mensenmenigte werden de Joodse leiders jaloers en begonnen ze de woorden van Paulus op godslasterlijke wijze verdacht te maken.
Maar Paulus en Barnabas zeiden onomwonden: ‘De boodschap van God moest het eerst onder u worden bekendgemaakt, maar aangezien u die afwijst en uzelf het eeuwige leven niet waardig acht, zullen we ons tot de heidenen wenden. Want de Heer heeft ons het volgende opgedragen: “Ik heb je bestemd tot een licht voor alle volken om redding te brengen, tot aan de uiteinden van de aarde.”’
Toen de heidenen dit hoorden, verheugden ze zich en spraken ze vol lof over het woord van de Heer, en allen die voor het eeuwige leven bestemd waren aanvaardden het geloof.
Het woord van de Heer verspreidde zich over de hele streek.
De Joden hitsten echter de vrome vrouwen uit de hogere kringen op, evenals de vooraanstaande burgers van de stad, en wisten hen zover te krijgen dat ze zich tegen Paulus en Barnabas keerden, zodat die uit het gebied werden verdreven.
Maar zij schudden het stof van hun voeten omdat ze niets meer met hen te maken wilden hebben en vertrokken naar Ikonium.
De achterblijvende leerlingen waren vervuld van vreugde en van de heilige Geest.

 

Psalm 98, 1-4

Refr.: Juich de Heer toe, heel de aarde.

Zing voor de Heer een nieuw lied:
wonderen heeft Hij verricht.

Zijn rechterhand heeft overwonnen,
zijn heilige arm heeft redding gebracht.

De Heer heeft zijn overwinning bekendgemaakt,
voor de ogen van de volken zijn gerechtigheid onthuld.

Hij heeft gedacht aan zijn liefde en trouw
voor het volk van Israël.

De einden der aarde hebben het gezien:
de overwinning van onze God.

Juich de Heer toe, heel de aarde,
juich en jubel, zing het uit.

 

Uit het evangelie volgens Johannes 14, 7-14

Wanneer Jezus voor het laatst samen is met zijn apostelen richt Hij zich biddend tot zijn Vader. Hij overziet zijn opdracht. Het is de Vader die ze Hem gegeven had. Zijn Vader wil Hij aan de mensen leren kennen. Zelfs zijn eigen apostelen begrijpen dit niet.

Jezus sprak tot zijn leerlingen: ‘Als jullie mij kennen zullen jullie ook mijn Vader kennen, en vanaf nu kennen jullie Hem, want jullie hebben Hem zelf gezien.’
Daarop zei Filippus: ‘Laat ons de Vader zien, Heer, meer verlangen we niet.’
Jezus zei: ‘Ik ben nu al zo lang bij jullie, en nog ken je me niet, Filippus? Wie mij gezien heeft, heeft de Vader gezien. Waarom vraag je dan om de Vader te mogen zien? Geloof je niet dat Ik in de Vader ben en dat de Vader in mij is? Ik spreek niet namens mezelf als Ik tegen jullie spreek, maar de Vader die in mij blijft, doet zijn werk door mij. Geloof me: Ik ben in de Vader en de Vader is in mij. Als je mij niet gelooft, geloof het dan om wat Hij doet.
Waarachtig, Ik verzeker jullie: wie op mij vertrouwt zal hetzelfde doen als Ik, en zelfs meer dan dat, Ik ga immers naar de Vader. En wat jullie dan in mijn naam vragen, dat zal Ik doen, zodat door de Zoon de grootheid van de Vader zichtbaar wordt. Wanneer je iets in mijn naam vraagt, zal Ik het doen.’

Van Woord naar leven

Vandaag zegt Jezus: ‘Wie mij gezien heeft, heeft de Vader gezien.’

Wanneer we naar Jezus kijken zien we God die mens geworden is onder ons. In Jezus straalde Gods heerlijkheid. Zijn werken, zijn hele leven, waren daarvan het teken.

Jezus vraagt ons te doen wat Hij gedaan heeft, en wel in zijn naam, dus verbonden en in eenheid met Hem. Wie in deze overgave kan leven wordt op zijn beurt een afstraling van de Vader, en toont, net zoals Jezus, de Vader aan de wereld.

Dit kan maar wanneer Jezus de ziel mag zijn van je bestaan, van je gebed, van je doen en van je  laten, van je werken, je ontspanning, je rust,… ja, de ziel van héél je bestaan.

Het komt erop neer een innige vriendschapsband met Jezus te hebben en deze te onderhouden; een vriend waartegen we alles kunnen zeggen, een vriend die op zijn beurt ook alles tegen ons màg ‘zeggen’, wetende dat die vriend Jezus is, God mensgeworden Woord. In die zin is Jezus wel een heel bijzondere vriend, en maakt het de vriendschap ook zeer bijzonder. Enig zelfs.

Heel de dag door is die goddelijke vriend bij ons; wanneer we expliciet in gebed zijn, maar ook tijdens het ophangen van de was, tijdens onze praatjes met de buren, in de handelingen op ons werk, in de studie die we verrichten, in de rust tijdens de nacht, in de ziekte die we dragen, in de vrede of de woestijn van ons gebed, in de vreugde van onze relaties, in de blijheid van het zingen, in de geboorte van onze kinderen, en ja… ooit ook op ons sterfbed, en hopelijk lang daarna, tot in de eeuwigheid. Ja, nooit verlaat Jezus ons, trouw als Hij is in zijn vriendschap.

Het komt erop neer die vriendschap, aangeboden uit de hemel, diep en warm te beminnen en te koesteren. Dat kunnen we wanneer we de vlam van het gebed levend houden, zowel tijdens ons expliciet gebed als tijdens de dingen die we doen. Het is Hem met je meedragen zoals je in en uitademt, voort-durend, als een vanzelfsprekendheid. Dit mag uiteraard af en toe zeer bewust, maar het kan en mag de grootste tijd van de dag ook een onbewust gebeuren zijn. Het is een stil onderhuids weten dat Hij er is; altijd en overal.

Leef in Hem, zing in Hem, dans desnoods in Hem, maar bovenal: bemin in Hem. Het is je roeping. Geniet ervan, in de meest religieuze betekenis van het woord. Ja, heb deugd aan de vreugde van het liefhebben.

kris

Reageren, je eigen woordje plaatsen, of uitwisselen over de overweging,
kan via de blog Van Woord naar leven.
Laat ons bidden

Heer,
kom in ons, til ons op in U, leef in ons. Neem bezit van ons als uw instrumenten opdat Gij uw werken moogt herhalen door ons heen. Dat wij op deze wijze met U een afstraling mogen zijn van Gods heerlijkheid.
Amen.