Lezingen van de dag – zaterdag 17 september 2016


Heilige (of feest) van de dag

Hildegard van Bingen († 1179)sthildegard10

Hildegard van Bingen osb, Eibingen, Duitsland; maagd & mystica

Hildegard werd in 1098 geboren te Bermersheim bij Alzey. Als achtjarig meisje werd zij toevertrouwd aan de zorgen van de benedictinessen op de Disibodenberg. In 1136 volgde zij er haar leermeesteres, Jutta van Sponheim († 1136; feest 22 december) op als abdis. Vervolgens stichtte zij tussen 1147 en 1150 nabij Bingen het klooster Rupertsberg; Margaretha van Sponheim was er priorin († 1190; feest 29 oktober). In 1165 voegde zij daar de stichting van het klooster te Eibingen in de buurt van Rüdesheim aan toe.

Eind jaren (1147) veertig begon zij bekendheid te krijgen. Op verzoek van aartsbisschop Heinrich van Mainz en abt Kuno van de Disibodenberg wijst paus Eugenius III († 1153; feest 8 juli) twee prelaten aan die een onderzoek moeten instellen naar persoon, leefgewoonten en geschriften van de kleine abdis. Zo tijgen bisschop Auberon van Verdun en Aldebert, de voorzitter van diens dekenaal kapittel, naar de Disibodenberg.

Diep onder de indruk komen ze bij haar vandaan en begeven zich naar de bisschoppenvergadering van Trier; ze hebben bij zich het eerste deel van Hildegards boek ‘Scivias’. Het is eind 1147. Daar zijn de paus en vele prelaten bijeen om kerk- en kloosterhervormingen door te voeren.

De geschiedschrijver Jean Trithème zal drie eeuwen later schrijven: ‘De paus las de geschriften van de maagd voor aan een groot aantal aanwezigen. Hij trad zelf op als voorlezer en voorzag een belangrijk deel van haar werk van uitleg. Allen die de voorlezing hoorden, waren een en al bewondering en brachten eensgezind dank aan God.’ Sinds die tijd stond de paus in geregeld briefcontact met ‘dit zo bewonderenswaardig door God geïnspireerd licht’.

Hildegard van Bingen preekt in Trier
Pinksteren 1160 is zij in de stad Trier om een predikatie te houden voor de verzamelde geestelijken van de stad. Kort na haar vertrek schrijven de prelaten haar een brief waarin zij haar vragen haar preek op schrift te stellen: “Het is ons bekend dat de Heilige Geest in u woont en dat Hij u veel openbaart wat voor andere mensen verborgen blijft. Want sinds uw vertrek, nadat u hier met Pinksteren was gekomen om ons vanuit een hogere beschikking te zeggen dat een dreigement ons te wachten stond, hebben wij om ons heen enerzijds veel moeilijkheden ondervonden vanwege de kerken, en anderzijds aan veel gevaren bloot gestaan van de kant van de mensen. Wij hebben te weinig aandacht gegeven aan Gods toorn. En we hebben het aan zijn goedheid te danken dat we tot nu toe gespaard zijn gebleven. Omdat God in u is en zijn eigen woorden uit uw mond komen, smeken wij u, uwe moederlijke genegenheid, ons te schrijven wat u ons mondeling hebt medegedeeld.”

In haar antwoord schrijft zij van zichzelf: ‘Ik ben een klein, nietig wezen zonder gezondheid, kracht, moed of kennis.’ Maar dan begint ze te vertellen over wat zij gezien heeft in haar visioenen. Hoe de hele christenheid verbleekt en verslapt, en hoe wij het aan Gods genade te danken hebben dat we nog niet gestraft of zelfs verdelgd zijn. Dat is haar thema: Gods onvermoeibare goedheid, die keer op keer blijk geeft van zijn zorg en aanwezigheid, de verflauwing en onverschilligheid bij de mensen bestrijdt en telkens opnieuw hun afnemende ijver nieuw leven inblaast.

Ondanks haar zwakke en ziekelijk gestel ondernam zij dus moeizame reizen. Niet alleen naar Trier, maar ook naar Metz, Keulen en Zuid-Duitsland. Zij gaf er conferenties, en diende velen van advies. Zij bezat, zeker gemeten naar de maat van toen, een enorme kennis op het gebied van medicijnen en natuurwetenschappen. Zij onderhield een briefwisseling met de pausen, keizers en koningen, die zij meemaakte; daarnaast met vele bisschoppen en andere hoogwaardigheidsbekleders en invloedrijke mensen van haar tijd. Zij uitte zonder enige schroom en in alle vrijmoedigheid haar mening tegenover ieder van hen. Dat leverde haar enerzijds waardering op, maar anderzijds ook vijandschap. Zij genoot de bescherming en het vertrouwen van paus Eugenius III en Sint Bernardus († 1153; feest 20 augustus).

Tussen de bedrijven door componeerde zij kerkmuziek en schreef of dicteerde zij haar boeken, waaronder geestelijke werken als het ‘Liber Scivias’ (= ‘Ken de wegen’), het ‘Liber vitae meritorum’ (= ‘Het verdienstelijk leven’), en het ‘Liber divinorum operum’ (‘De goddelijke werken’); medische en natuurwetenschappelijke als ‘Liber subtilitatum diversarum naturarum’ (‘De verschillende fijnzinnigheden van de natuur’) en ‘Libri simplicis et compositae medicinae’ (= ‘Eenvoudig boek over artsenij’). Zij bezorgde een levensbeschrijving van Sint Rupertus van Bingen († ca 732; feest 15 mei) en stelde een eigen taal samen, bestaande uit een mengeling van Duits en Latijn.
Zij stierf in 1179, 80 jaar oud.

Zij is patrones van taalwetenschappers, filologen en esperantisten en van natuurwetenschappers. Haar voorspraak wordt ingeroepen voor goede raad.
Zij wordt afgebeeld als abdis (met staf); met boek en ganzenveer; of terwijl ze een brief overhandigt aan een bode.

zaterdag in week 24 door het jaarbijbel


Uit de eerste brief van Paulus aan de Korintiërs 15, 35-37 + 42-49

Dikwijls maken mensen moeilijkheden tegen de verrijzenis omdat ze zich de toestand van de verrijzenis niet kunnen voorstellen. Paulus waarschuwt ons voor deze vergissing. Het verrezen lichaam zal eenvoudig niet te vergelijken zijn met het huidige. Het vergankelijke dat wij nu kennen zal helemaal onvergankelijk worden.

Broeders en zusters,
iemand zou kunnen vragen: ‘Hoe worden de doden opgewekt? Hoe zou hun lichaam eruit moeten zien?’
Dwaas die u bent! Als u iets zaait, moet dat eerst sterven voordat het tot leven kan komen. En wat u zaait heeft nog niet de vorm die het later krijgt; het is nog maar een naakte korrel, een graankorrel misschien of iets anders.
Zo zal het ook zijn wanneer de doden opstaan. Wat in vergankelijke vorm wordt gezaaid, wordt in onvergankelijke vorm opgewekt, wat onaanzienlijk en zwak is wanneer het wordt gezaaid, wordt met schittering en kracht opgewekt. Er wordt een aards lichaam gezaaid, maar een geestelijk lichaam opgewekt. Wanneer er een aards lichaam is, is er ook een geestelijk lichaam.
Zo staat er ook geschreven: ‘De eerste mens, Adam, werd een levend, aards wezen.’ Maar de laatste Adam werd een levendmakende geest. Niet het geestelijke is er als eerste, maar het aardse; pas daarna komt het geestelijke. De eerste mens kwam uit de aarde voort en was stoffelijk, de tweede mens is hemels. Ieder stoffelijk mens is als de eerste mens, ieder hemels mens is als de tweede. Zoals we nu de gestalte van de stoffelijke mens hebben, zo zullen we straks de gestalte van de hemelse mens hebben.

 

Psalm 56, 10c + 11 + 12 + 13

Refr.: Ik kan wandelen onders Gods hoede.Drieeenheid_2

Dit weet ik: God staat mij ter zijde.
Op God, wiens woord ik prijs,
op de Heer, wiens woord ik prijs,
op God vertrouw ik, angst ken ik niet,
wat kan een mens mij aandoen?

Aan U, God, heb ik geloften gedaan,
met dankoffers wil ik U betalen,
U hebt mijn leven aan de dood ontrukt,
mijn voet voor struikelen behoed.
Nu kan ik wandelen onder Gods hoede
in het licht van het leven.

 

Uit het evangelie volgens Lucas 8, 4-15

Lucas verhaalt ons de parabel van de zaaier evenals Matteüs en Marcus. Maar hij onderlijnt meer de vele mogelijkheden die de wasdom van het zaad kunnen bemoeilijken. Ondanks deze vele kansen tot mislukking blijft de zaaier zijn zaad kwistig uitstrooien. Het Woord van God vindt wel hier of daar een goed stukje in ons waar het kan ontkiemen.

Toen er vanuit de steden mensen naar Jezus toe gekomen waren en er zich een grote menigte verzameld had, vertelde Hij deze gelijkenis: ‘Iemand ging eens naar zijn land om te zaaien. Terwijl hij daarmee bezig was, viel er wat zaad op de weg. Het werd vertrapt en door de vogels opgegeten. Er viel ook wat zaad op rotsachtige bodem, maar toen het opschoot, droogde het uit door gebrek aan water. Ander zaad viel tussen de distels, en toen de distels opschoten verstikten ze het. Maar er viel ook wat zaad in vruchtbare aarde, en dat bracht honderdvoudig vrucht voort toen het was opgeschoten.’
Hij voegde er met luide stem aan toe: ‘Wie oren heeft om te horen, moet goed luisteren.’
Zijn leerlingen vroegen Hem wat deze gelijkenis betekende.
Hij antwoordde: ‘Jullie mogen de geheimen van het koninkrijk van God kennen, maar de anderen krijgen alles in gelijkenissen te horen, opdat ze zien zonder inzicht en horen zonder iets te begrijpen. Dit is de betekenis van de gelijkenis: Het zaad is het woord van God. Het zaad op de weg, dat zijn zij die geluisterd hebben, maar daarna komt de duivel en graait het woord weg uit hun hart, om te voorkomen dat ze worden gered door te geloven. Het zaad op de rotsachtige bodem, dat zijn zij die het woord vol vreugde aannemen wanneer ze het horen, maar het schiet geen wortel; ze geloven zolang het hun goed uitkomt, maar als ze op de proef worden gesteld, worden ze afvallig. Het zaad dat tussen de distels valt, dat zijn zij die wel geluisterd hebben, maar door zorgen en rijkdom en de genoegens van het leven worden ze gaandeweg verstikt, zodat ze geen vrucht dragen. Het zaad in de vruchtbare grond, dat zijn zij die met een goed en eerlijk hart naar het woord hebben geluisterd, het koesteren en door standvastigheid vrucht dragen.’

Van Woord naar leven

God is de zaaier, zijn zaad is het Woord, ons hart is het land waarvan het de bedoeling is dat het goede aarde is, een gunstige bodem, waar het zaad welkom is, waar het in liefde kan gedijen en kan opschieten tot een rijke oogst.

Jezus waarschuwt ons vandaag dat dit geen vanzelfsprekend gebeuren is. Want wanneer we ons hart niet verzorgen kan het zijn dat het zaad z’n kracht verliest en weinig of geen vrucht voortbrengt. Of erger nog, dat het zaad zelfs helemaal geen wortel schiet. Dus zorg besteden aan ons hart is van fundamenteel belang willen we christelijke vruchten voortbrengen in ons dagelijks leven.

De realiteit leert ons dat we doorgaans niet zo’n goede boeren zijn wat betreft het zorg dragen van de aarde van ons hart. En God weet dat. Hij weet dat we vanuit ons allerindividueelste ikje tot weinig in staat zijn. Hij weet dat, en het is goed dat we dat zelf ook weten.

God heeft ons een Helper gegeven om de aarde van ons land te bewerken: zijn Geest. Het is de Geest die ons hart naar God doet verlangen, Hij is het die samen met ons de aarde van ons hart voorbereidt om de goddelijke zaden in liefde en overgave te kunnen ontvangen.

Daarom is het goed, en van fundamenteel belang, de heilige Geest welkom te heten ons leven. Hij is het die ons hart in gebed brengt, Hij is het die ons wezen naar God richt, die ons doet verlangen, hunkeren, dorsten naar Gods liefde. Hij is het die ons in het ja-woord voert van Jezus diep in onszelf, om verenigd met Hem in te treden in die innige eenheid met de Vader om getransformeerd te worden in zijn liefde.

Laat ons innerlijk arm worden om rijk te worden in het leven van onze Drie-ene God: een en al liefde.

En dan deze liefde zijn… de roeping van ieder van ons.

kris

Reageren, je eigen woordje plaatsen, of uitwisselen over de overweging,
kan via de blog Van Woord naar leven.
Laat ons bidden

Heer, onze God,spike-8743_960_720
keer op keer zaait Gij uw woord en geeft Gij het de dauw van uw genade zodat het kan gedijen. Kom met uw heilige Geest over ieder van ons en maak ons hart tot een gunstige bodem, open en ontvankelijk voor elk woord dat van U komt gegeven in uw Zoon, en de kracht in zich draagt vruchten voor te brengen; uw vruchten. Amen.