Lezingen van de dag – zaterdag 18 juli 2015


Heilige (of feest) van de dag

Frederik van Utrecht (+ 838)07-18-0838-frederik

Frederik (ook Fredericus) van Utrecht, Nederland; bisschop & martelaar; † 838.

Hij was van Friese adel; naar men zegt was hij een kleinzoon van de Friese koning Radboud. Zijn ouders zagen het liefste dat hij later geestelijke zou worden. Daarom stuurden ze hem naar de kloosterschool van Utrecht. Op dat moment was Rixfried daar bisschop. Deze overleed juist op het moment dat keizer Lodewijk de Vrome in het land was. Hij wees Frederik als nieuwe bisschop aan. Dat moet rond 826 geweest zijn.

Frederik staat te boek als een geleerd man. Hij was o.a. bevriend met de grote Rhabanus Maurus, abt van het door Bonifatius gestichte klooster Fulda en bisschop van Mainz († 856; feest 4 februari). Wellicht is deze vriendschap ontstaan tijdens het concilie van Mainz in 829, waarop ze allebei aanwezig waren.

Hij preekte vooral op Walcheren.

Een latere legende vertelt, hoe Frederik tenslotte aan zijn einde kwam. Eens werd hij door keizer Lodewijk de Vrome op een feestmaaltijd uitgenodigd. Bij die gelegenheid bracht de keizer een paar misstanden ter sprake die er bij de bewoners van het Zeeuwse eiland Walcheren heersten. Hij drong er bij hem op aan hen desnoods met geweld in te peperen dat ze niet mochten trouwen met naaste bloedverwanten. De bijbel verbood het immers.

Intussen had bisschop Frederik met verbazing gezien hoeveel vorken de keizer aan tafel gebruikte. Hij zei: “Majesteit, als u een vis eet, begint u dan bij de kop of bij de staart?” Verbaasd antwoordde Lodewijk: “Bij de kop natuurlijk, daar zit immers het meeste merg.” “Heel juist, zei de nieuwe bisschop, en daarom begin ik ook bij de kop, dus bij uzelf. Want u maakt u zelf schuldig aan bloedschande met vrouwe Judith. Zij is immers een bloedverwante van u!”

Terwijl Frederik op Walcheren over Gods wetten preekte, zon vrouwe Judith op wraak. Ze huurde twee moordenaars die hem om het leven brachten. Hij werd bijgezet in de crypte van de Sint-Salvatorkerk te Utrecht.

Hij wordt als martelaar vereerd.

Jaarlijks wordt op de derde zondag van juli in Vlierzele (Vlaanderen) een processie gehouden ter ere van hem.

Zijn voorspraak wordt ingeroepen tegen doofheid.

Hij wordt afgebeeld als bisschop (met tabberd, mijter en staf); twee zwaarden in de borst; twee moordenaars die hem slaan, waarbij de ingewanden uit een gapende wonde naar buiten komen.

ZATERDAG IN WEEK 15 DOOR HET JAAR


Uit het boek Exodus 12, 37-42

Door de laatste ingreep van God lieten de Egyptenaren de Israëlieten vertrekken. Zij hadden geen tijd meer om hun brood te laten desemen, want de Heer waakte om hen die nacht uit Egypte te voeren. Daarom waakt het volk van God deze nacht en viert het Pasen van de Heer.

De Israëlieten trokken te voet van Rameses naar Sukkot; hun aantal bedroeg ongeveer zeshonderdduizend, vrouwen en kinderen niet meegerekend, terwijl er bovendien een grote groep mensen van allerlei herkomst met hen meetrok. Ze voerden enorme kudden schapen, geiten en runderen mee.
Van het deeg dat ze uit Egypte hadden meegenomen bakten ze ongedesemde broden. Doordat ze uit Egypte waren weggejaagd, was er geen tijd geweest om zuurdesem toe te voegen of voor andere proviand te zorgen.
Vierhonderddertig jaar hadden de Israëlieten in Egypte gewoond; na precies vierhonderddertig jaar–geen dag eerder of later–trok het volk van de Heer, in groepen geordend, uit Egypte weg.
Die nacht waakte de Heer om hen uit Egypte weg te leiden. Daarom waken de Israëlieten nog altijd in deze nacht ter ere van de Heer, elke generatie opnieuw.

 

Psalm 136, 1 + 12 + 13 + 14 + 15

Refr.: Loof de Heer, want Hij is goed.

Loof de Heer, want Hij is goed;pict0050
eeuwig duurt zijn trouw.

Hij waakt met krachtige hand en geheven arm;
eeuwig duurt zijn trouw.

Hij, die de Rietzee spleet, in tweeën;
eeuwig duurt zijn trouw.

Hij bracht Israël over, daar midden doorheen;
eeuwig duurt zijn trouw.

Hij liet de farao met zijn legen achter in de Rietzee;
eeuwig duurt zijn trouw.

 

Uit het evangelie volgens Matteüs 12, 14-21

De Farizeeën waren nijdig om Jezus’ houding tegenover de wetten. Zij wilden Hem uit de weg ruimen. Maar Hij trok zich terug en zette zijn taak in eenvoud en stille dienstbaarheid voort zonder veel uiterlijk vertoon.

De Farizeeën dropen af en besloten Jezus uit de weg te ruimen. Jezus besefte dat en week uit naar elders.
Grote massa’s mensen volgden Hem, en Hij genas hen allen. Hij verbood hun uitdrukkelijk bekend te maken wie Hij was. Zo ging in vervulling wat gezegd is door de profeet Jesaja: ‘Hier is de dienaar die Ik mij gekozen heb, die Ik liefheb en in wie ik vreugde vind. Ik zal hem vervullen met mijn geest, aan alle volken zal hij het recht verkondigen. Hij zal geen woordenstrijd aangaan en op straat zijn stem niet verheffen. Het geknakte riet breekt hij niet af, noch dooft hij de kwijnende vlam, totdat het recht dankzij hem overwint. Op zijn naam zullen alle volken hun hoop vestigen.’

Van Woord naar leven

Het evangelie van vandaag haalt woorden aan uit de profeet Jesaja: ‘Het geknakte riet breekt hij niet af, noch dooft hij de kwijnende vlam’.

Naar aanleiding van deze woorden wil ik met u vandaag nadenken over hoe wij omgaan met mensen die zonden hebben begaan. En dat zijn er heel wat. Heel waarschijnlijk horen we daar zelf ook bij. Want wie is zonder zonde…

Het mag duidelijke zijn dat Jesaja in zijn profetie doelt op de komende messias, op Jezus dus. Het is Jezus die het geknakte riet niet zal breken en de kwijnende vlam niet zal doven. Elders zal Hij ook duidelijk zeggen dat Hij niet gekomen is voor de gezonden maar wel voor de zieken, voor die schapen die verdwaald zijn. Jezus had de zondaar lief; niet de zonde, wel de zondaar. Hij had de zondaar lief omdat het zijn zending was de van God vervreemde mensen terug in God te brengen. En dit laatste kan je alleen maar door diep lief te hebben, door niet te veroordelen, maar door de weg aan te bieden die leidt naar God.

Die weg is Jezus zelf. In Hem vinden wij, zondaars, immers barmhartigheid, vergeving, genezing. Van Hem krijgen wij genade en kracht afstand te nemen van onze zonden. Optillend door Hem zullen we onze waardigheid terugvinden om als blijde en bevrijde mensen het leven te leven.
Laten we altijd met onze duisternis naar Jezus gaan. Hij staat – bij wijze van spreken – op uitkijk om ons steeds ten diepste te ontvangen.

En laten we vooral ook met de ogen van Jezus naar de zondaar om ons heen kijken: niet veroordelend, in zekere zin zelfs delend in zijn pijn door van God verwijderd te leven. Laten we de zondaar beminnen met Jezus’ barmhartigheid, hem werkelijk zien als onze broeder of zuster. En hem of haar ook zo willen ontmoeten.
Om dan, voorzichtig, verstandig, als de tijd er gunstig voor is, hem eventueel aan te spreken over het mooie van het leven, over het bestaan van God, over zijn liefde, over zijn uitnodiging tot ieder van ons.
Laten we in ons spreken ons toevertrouwen aan de heilige Geest in ons, opdat we van Hem mogen ontvangen wat er gezegd moet worden, opdat we van Hem mogen ontvangen de wijze waarop we naar de ander kunnen toestappen.

En laat ons bidden voor elkaar. Dat we allen de Heer ten diepste mogen ontmoeten. Want wie leeft in ontmoeting met de Heer, leeft in Gods liefde. En is dat niet de bedoeling ?

kris

Reageren, je eigen woordje plaatsen, of uitwisselen over de overweging,
kan via de blog Van Woord naar leven.

Laat ons bidden

Goede God,22a1915828cf25bf24584e27e43fa473
wij danken U om uw grote barmhartigheid die Gij zo sterk getoond hebt in uw Zoon Jezus. Trek ons in de brand van zijn liefde opdat wij deelgenoot mogen worden van uw barmhartigheid voor allen. Mogen wij op deze wijze zorg dragen voor de samenleving die in wezen hunkert naar U. Kom heilige Geest, zet ons in vuur en vlam om te leven in God. Amen.