Lezingen van de dag – zaterdag 19 augustus 2017


Heilige (of feest) van de dag

Jean Eudes († 1680)

Caen, Frankrijk; priester

Hij werd op 14 november 1601 geboren in het Normandische plaatsje Ri bij Argentan. Op vierentwintigjarige leeftijd ontving hij de priesterwijding bij de Oratorianen.
Als parochiepriester waagt hij tot twee keer toe zijn leven door lijders aan de pest op te zoeken en te verplegen. Hij is een beroemd volksmissionaris. Als bekend wordt dat hij ergens zal preken, stromen de mensen met duizenden toe.
Nog in 1639 benoemd tot overste van de Oratorianen, verlaat hij vier jaar later de Congregatie en sticht de Congregatie van Jezus en Maria (CJM, ook eudisten genoemd). Zij legt zich met name toe op de devotie tot de Heilige Harten van Jezus en Maria en op een zorgvuldige priesteropleiding in de geest van de besluiten van Concilie van Trente (1570). Paus Clemens X († 1676) geeft zijn officiële goedkering aan de statuten. Eudes zelf blijft tot aan zijn dood algemeen overste.

Hij wordt beschouwd als een van de grootste religieuze vernieuwers van Frankrijk.
Heilig verklaard in 1925.

zaterdag in week 19 door het jaar


Uit het boek Jozua 24, 14-29

De Heer van Sinaï wordt te Sichem de God van alle stammen van Israël. En zij worden er zich van bewust dat ze samen het uitverkoren volk zijn. Zij beloven God te dienen door hun eredienst, door zijn Wet te onderhouden en door hun inzet voor zijn wil.

‘Nu dan,’ vervolgde Jozua, ‘eerbiedig de Heer, dien Hem met onvoorwaardelijke trouw en doe de goden weg die uw voorouders ten oosten van de Eufraat en in Egypte hebben gediend. Dien alleen de Heer. Wanneer u daar niet toe bereid bent, kies dan nu wie u wel wilt dienen: de goden van uw voorouders ten oosten van de Eufraat of de goden van de Amorieten, van wie u nu het land bewoont. In ieder geval zullen ik en mijn familie de Heer dienen.’
Hierop antwoordde het volk: ‘Het is verre van ons de Heer te verlaten om andere goden te dienen. Hij is het, de Heer, onze God, die ons en onze voorouders uit de slavernij in Egypte heeft bevrijd. Hij heeft grote wonderen voor ons verricht; dat hebben we met eigen ogen gezien. Hij heeft ons op onze hele tocht beschermd tegen alle volken waarvan we het gebied doortrokken. De Heer heeft ze allemaal voor ons verdreven, en ook de Amorieten, die vroeger in dit land woonden. Natuurlijk zullen wij de Heer dienen, want Hij is onze God.’
Jozua antwoordde het volk echter: ‘U zult niet in staat zijn de Heer te dienen, want Hij is een heilige God, Hij duldt niemand naast zich, Hij zal u uw overtredingen en zonden niet vergeven. Wanneer u de Heer verlaat en andere goden gaat dienen, zal Hij zich tegen u keren. Dan zal Hij u niet langer weldaden bewijzen, maar u kwaad doen en u vernietigen.’
Maar het volk zei opnieuw: ‘Wees ervan verzekerd dat we de Heer zullen dienen.’
‘In dat geval,’ antwoordde Jozua, ‘bent u zelf de getuigen van uw keuze om Hem, de Heer, te dienen.’
‘Ja, dat zijn wij,’ bevestigde het volk.
Waarop Jozua zei: ‘Doe dan die vreemde goden weg en richt u volledig op de Heer, de God van Israël.’
En het volk beloofde: ‘We zullen de Heer, onze God, dienen en gehoorzamen.’
Zo legde Jozua het volk die dag in Sichem deze verplichting op en hij gaf het wetten en regels, die hij in het wetboek van God opschreef.
Ook richtte hij een grote steen op onder de terebint bij het heiligdom van de Heer. ‘Deze steen,’ zei hij tegen het volk, ‘is getuige, want hij heeft alles gehoord wat de Heer tegen ons heeft gezegd. Hij is dus getuige opdat u uw God niet afvallig wordt.’
Daarna liet Jozua het volk vertrekken, iedereen ging naar zijn eigen grondgebied.
Korte tijd later stierf Jozua, de zoon van Nun, de dienaar van de Heer, op de leeftijd van honderdtien jaar.

 

Psalm 16, 1 + 2 + 5 + 7 + 8 + 11

Refr.: U, Heer, wijst mij de weg naar het leven.

Behoed mij, God, ik schuil bij U.
Ik zeg tot de Heer:
‘U bent mijn Heer, mijn geluk,
niemand gaat U te boven.’

Heer, mijn enig bezit, mijn levensbeker,
U houdt mijn lot in handen.
Ik prijs de Heer die mij inzicht geeft,
zelfs in de nacht spreekt mijn geweten.

Steeds houd ik de Heer voor ogen,
met Hem aan mijn zijde wankel ik niet.
U wijst mij de weg naar het leven:
overvloedige vreugde in uw nabijheid,
voor altijd een lieflijke plek aan uw zijde.

 

Uit het evangelie volgens Matteüs 19, 13-15

Uit menselijke bezorgdheid zonden de leerlingen een groep kinderen weg. Jezus wijst hen terecht. Hun overdreven menselijke zorg maakt het Hem onmogelijk te tonen waartoe Hij gekomen is. Het Rijk der hemelen is er voor de eenvoudigen en de armen. De kleinsten zijn hiervan het mooiste symbool.

De mensen brachten kinderen bij Jezus, ze wilden dat Hij hun de handen zou opleggen en zou bidden.
Toen de leerlingen hen berispten, zei Jezus: ‘Laat de kinderen ongemoeid, belet ze niet bij Mij te komen, want het Koninkrijk van de hemel behoort toe aan wie is zoals zij.’
En nadat Hij hun de handen had opgelegd, trok Hij weer verder.

Van Woord naar leven

Vandaag zegt Jezus: ‘Belet de kinderen niet bij mij te komen.’

Het kan cliché klinken, maar het blijft een waarheid als een koe: onze kinderen zijn onze toekomst. En daar dragen wij, volwassenen, een grote verantwoordelijkheid in.

Wanneer onze kinderen het ouderlijk huis verlaten, kennen ze dan Jezus ?
Gaan ze die wegen waar ze Hem steeds dieper kunnen leren kennen ?
Hebben ze zijn Woord mogen horen in hun jonge jaren in kerk en huiskring ?
Hebben ze mogen proeven van christelijk gemeenschapsleven ?
Hebben ze voorbeelden gezien van evangelisch engagement ?
Hebben ze leren onderscheid maken tussen goed en kwaad in het licht van het evangelie ?
Hebben ze het verschil leren zien tussen Kerk met een grote K en kerk met een kleine k ?
Hebben ze leren bidden, alléén en met anderen ?
Hebben ze geleerd te leven in het licht van de eeuwigheid ?

Ouders dragen wat dit betreft een onschatbare verantwoordelijkheid. Eigenlijk is het een soort ‘heilige’ plicht; een plicht ook die ze bij het doopsel van hun kind beloofd hebben, samen met peter en meter en heel de gemeenschap rondom de doopvont.

Laat ons het belang inzien om onze jonge mensen in ontmoeting te brengen met de Heer, hen daarin voor te gaan, dit mét hen te doen.

Of zoals we lezen in het boek Deuteronomium waar Mozes het volk toespreekt: ‘Houd de geboden die ik u vandaag opleg steeds in gedachten. Prent ze uw kinderen in en spreek er steeds over, thuis en onderweg, als u naar bed gaat en als u opstaat.’

kris

Reageren, je eigen woordje plaatsen, of uitwisselen over de overweging,
kan via de blog Van Woord naar leven.
Laat ons bidden

Heer,
wij brengen onze kinderen bij U. Leg ze uw handen op, zegen hen, opdat zij in hun leven U mogen ontmoeten, vanuit U mogen leven, dragers morgen zijn van uw vrede, uitdragers van uw warme liefde. Leer ons onze kinderen naar U te helpen kijken, naar U te luisteren, zich te voeden met U.
Gij, de volheid van ieders leven. Amen.