Lezingen van de dag – zondag 2 sept 2018


Heilige (of feest) van de dag

Margarita van Leuven († 1225)

België; martelares

Zij werd in het begin van de 13e eeuw – waarschijnlijk in het jaar 1207 – te Leuven geboren, en was afkomstig uit een armelijk milieu. Op haar achttiende werkte zij als dienstertje in herberg ‘Sint Joris’ aan de Holstraat; deze werd gedreven door haar oom Amandus. Hij ontving er vooral pelgrims. Toen oom en tante besloten bij de cisterciënzers in te treden, verkochten zij hun herberg. Margriet gaf te kennen dat zij in wilde treden in de orde van de cisterciënzerinnen, indertijd ook wel naar hun stichter ‘bernardinen’ genoemd.

Maar op de vooravond dat de herbergier zijn woning zou verlaten, klopte er een groepje van acht pelgrims aan met de vraag of zij onderdak konden krijgen. Omdat alle drank al het huis uit was, werd Margriet er met een kruik in de hand op uit gestuurd om ergens iets voor de kerels te halen. Zij bleken echter verklede bandieten die precies op de hoogte waren van de situatie. Zij wisten dat er geld in huis moest zijn en maakten van de afwezigheid van het meisje gebruik om de herbergier en zijn vrouw te vermoorden en de zaak leeg te plunderen. Toen het dienstmeisje bij terugkomst de afschuwelijke waarheid ontdekte, werd zij buiten de stad gesleurd, verkracht en met een priem om het leven gebracht. De schurken gooiden haar lijk in de Dijle. Dit alles speelde zich af op 2 september 1225.

Een paar dagen later werd zij door vissers in het water aangetroffen, met nog een stuk van de kruik in haar hand. Zij borgen haar lichaam en begroeven het op de oever, maar gaven er geen bekendheid aan, omdat zij vreesden dat zijzelf dan de schuld zouden krijgen. Voorbijgangers meenden een wonderbaar licht boven die plek te zien. Daarom werd zij weer opgegraven en bijgezet in een houten kapelletje naast de grote Sint-Pieterskerk.

Honderd jaar later werd dit verhaal door een monnik wat opgesmukt en vroom verfraaid. Hij vertelde dat het lijk van Margriet in het water niet zonk, maar door vissen omhoog werd gehouden. Zo dreef het tegen de stroom in naar Leuven terug. Op dat moment verbleef hertog Hendrik van Brabant op de Keizersberg. Die nacht werd zijn aandacht getrokken door een wonderlijk schijnsel boven het water en gezang van engelen aan de hemel. Zo keerde Margriet terug naar Leuven, plechtig begeleid door een processie van de hertog en zijn vrouw, en al de burgers van de stad.

Niet lang na haar dood werd haar leven op schrift gesteld door de cisterciënzermonnik Caesarius, prior van klooster Heisterbach († 1240); hij stond in nauwe betrekking met het Brabantse cisterciënzerklooster Villers even ten zuiden van Brussel. Dat was het klooster waar oom Amandus had willen intreden.

Caesarius weet nog te vertellen dat Amandus en zijn vrouw na hun dood verschenen aan een monnik van Villers. Deze vroeg hun waar zij zich bevonden. Zij antwoordden, dat ze de volmaakte heerlijkheid nog niet bereikt hadden. Daarop vroeg de monnik naar het meisje. Waarop de verschijningen zeiden: “Al wat wij aan genade ontvangen hebben, danken we aan de verdiensten van Margriet. Wij durven zelfs niet op te zien naar de heerlijkheid waarin zij zich bevindt.” En Caesarius besluit: “Zie je nu hoeveel eenvoud en schuldeloos leven bijdragen tot de marteldood?”

In 1540 werd de houten kapel vervangen door een van steen. In de Sint-Pieterskerk staat haar levensverhaal afgebeeld op vijf schilderijen van Pieter Jozef Verhagen (ca 1760). Boven een zij-ingang is er een borstbeeldje van haar aangebracht. In de stad is op de plaats van het misdrijf sinds kort een beeld van Margriet geplaatst: zij is naakt afgebeeld op haar rug boven op de stroom van het water; het maakt eerder een erotische dan piëteitvolle indruk.

Zij is patrones van horecapersoneel en wordt afgebeeld als jong dienstmeisje met kruik.

zondag 22 door het jaar – B


Uit het boek Deuteronomium 4, 1-2 + 6-8

Het was nutteloos en zelfs verboden ook maar iets toe te voegen aan de geboden en vorderingen die als de wet van Mozes werden onderwezen. Ze werden beschouwd als ontvangen van God. God is zijn volk heel nabij. Hij wordt dan ook niet geëerd door het groeiend aantal geboden en verboden maar door de wijze waarop de gelovigen deze met hun hart beleven.

Mozes sprak tot het volk en zei:
‘Luister dus, Israël, naar de wetten en de regels waarin ik u onderwijs en kom ze na. Dan blijft u in leven en kunt u het land in bezit nemen dat de Heer, de God van uw voorouders, u zal geven. Voeg niets toe aan wat ik u voorschrijf en doe er niets van af. Houd u aan de geboden die ik u geef; het zijn de geboden van de Heer, uw God. Leef ze strikt na, dan toont u wijsheid en inzicht. Alle volken die dat zien en van deze wetten horen, zullen zeggen: ‘Wat is dat grote volk wijs en verstandig!’
Want welk volk, hoe groot ook, heeft goden zo dichtbij als wij de Heer, onze God, telkens als wij Hem om hulp roepen? En welk volk, hoe groot ook, heeft wetten en regels zo rechtvaardig als het onderricht dat ik u nu geef?’

 

Psalm 15, 2-5

Refr.: Heer, wie mag te gast zijn in uw tent ?

Wie de volmaakte weg gaat en doet wat goed is,
wie oprecht de waarheid spreekt.
Hij doet aan lasterpraat niet mee,
hij benadeelt een ander niet
en drijft niet de spot met zijn naaste.

Hij veracht wie geen achting waard is,
maar eert wie ontzag heeft voor de Heer.
Zijn eed breekt hij niet, al brengt het hem nadeel.

Voor een lening vraagt hij geen rente,
hij verraadt geen onschuldigen voor geld.
Wie zo doet, komt nooit ten val.

 

Uit de brief van Jakobus 1, 17-18 + 21-22 + 27

Menselijke wijheid en edelmoedige wilskracht kunnen aan de eisen van het christendom niet voldoen en nog minder een uiterlijk naleven van de wet. Het gaat om een antwoord aan de oproep van God, om een ontvankelijkheid voor zijn Woord, kortom om een beleving waarin de echtheid getoetst wordt aan de liefde van de straatarmen en voor de gaafheid van het dagdagelijks leven.

Broeders en zusters,
elke goede gave, elk volmaakt geschenk komt van boven, van de Vader van de hemellichten; bij Hem is nooit enige verandering of verduistering waar te nemen. Hij wilde ons door de verkondiging van de waarheid tot leven roepen, om ons de eersten te maken in zijn schepping.
Wees daarom zachtmoedig en leg alle verdorvenheid en elk denkbaar wangedrag af. En aanvaard zo de boodschap die in u is geplant en die u kan redden.
Vergis u niet: alleen horen is niet genoeg, u moet wat u gehoord hebt ook doen. Voor God, de Vader, is alleen dit reine, zuivere godsdienst: weduwen en wezen bijstaan in hun nood, en je in acht nemen voor de wereld en onberispelijk blijven.

 

Alleluia.

Maak ons ontvankelijk, Heer,
opdat wij de woorden van uw Zoon
zouden begrijpen.

Alleluia.

 

Uit het evangelie volgens Marcus 7, 1-8 + 14-15 + 21-23

Mozes had erop aangedrongen niets toe te voegen aan de geboden van de Wet. De Farizeeën en Schriftgeleerden hadden er talrijke voorschriften aan toegevoegd waaraan zij blijkbaar meer belang hechtten dan aan de fundamentele eisen van God. Jezus, gesteund door de profetische traditie, wijst elke schijnheiligheid af, die meer waarde hecht aan de uiterlijke schijn dan aan wat de mens werkelijk bezielt. Hij eist de bekering van het hart als enige toegang tot de ware heiligheid.

Ook de Farizeeën en enkele van de Schriftgeleerden die uit Jeruzalem waren gekomen, hielden zich in Jezus’ nabijheid op. En toen ze zagen dat sommige leerlingen brood aten met onreine handen, dat wil zeggen, met ongewassen handen (de Farizeeën en alle andere Joden eten namelijk pas als ze hun handen gewassen hebben, omdat ze zich aan de traditie van hun voorouders houden, en als ze van de markt komen, eten ze pas als ze zich helemaal gewassen hebben, en er zijn nog allerlei andere tradities waaraan ze zich houden, zoals het schoonspoelen van bekers en kruiken en ketels), toen vroegen de Farizeeën en de Schriftgeleerden Hem: ‘Waarom houden uw leerlingen zich niet aan de tradities van onze voorouders en eten ze hun brood met onreine handen?’
Maar Hij antwoordde: ‘Wat is de profetie van Jesaja toch toepasselijk op huichelaars als u! Er staat immers geschreven: “Dit volk eert mij met de lippen, maar hun hart is ver van mij; tevergeefs vereren ze mij, want ze onderwijzen hun eigen leer, voorschriften van mensen.” De geboden van God geeft u op, maar aan tradities van mensen houdt u vast.’

Nadat Hij de menigte weer bij zich had geroepen, zei Hij: ‘Luister allemaal naar mij en kom tot inzicht. Niets dat van buitenaf in de mens komt kan hem onrein maken, het zijn de dingen die uit de mens naar buiten komen die hem onrein maken. Want van binnenuit, uit het hart van de mensen, komen slechte gedachten, ontucht, diefstal, moord, overspel, hebzucht, kwaadaardigheid, bedrog, losbandigheid, afgunst, laster, hoogmoed, dwaasheid. Al deze slechte dingen komen van binnenuit, en die maken de mens onrein.’

Van Woord naar leven

De overweging van vandaag is van de hand van Frans Mistiaen, sj

De Schriftgeleerden en joodse priesters hadden de joodse godsdienst helemaal verschraald tot formalisme. Dat wil zeggen dat het volgens hen bij de godsdienstbeleving op de allereerste plaats van belang was de vele kleine wetten, voorschriften en geboden zo letterlijk mogelijk te onderhouden. Zulk een formalistische opvatting van de godsdienst heeft altijd tot gevolg dat de mensen gaan leven met een gevoel van verplichting, schuld en schrik tegenover een eisende, dreigende en straffende God. Zij gaan dan proberen de zgn. “Almachtige” gunstig te stemmen bv. door offers op te dragen, gebedsformules te herhalen of streng te vasten. Toch krijgen die mensen daarbij altijd de indruk dat zij onder de maat blijven. De “Almachtige” schijnt hen dan regelmatig te straffen met ongeluk en tegenspoed, opdat zij zich zouden bekeren tot nog grotere onderdanigheid.

Wij kunnen niet genoeg beseffen dat Jezus ons wel degelijk een heel andere God leerde kennen, dus ook een heel andere beleving en andere uitdrukkingen van onze godsdienstigheid. Volgens Jezus is de verhouding tussen God en de mens een verhouding, niet van onderdanigheid en verplichting, maar van vrije overgave in liefde. En dat is werkelijk iets nieuws, iets origineels dat het christendom in onze wereld binnenbracht en binnenbrengt. De “vrije overgave in liefde” vindt men nergens centraal benadrukt noch in het boeddhisme, noch in het hindoeïsme, noch in de islam. Wel, telkens wij, christenen, op één of andere manier tonen dat wij nog schrik hebben voor onze God of telkens wij onszelf tot religieuze praktijken gedwongen voelen, eren wij eigenlijk een “primitieve God”, waarvan Jezus de mensen juist wilde bevrijden.

Jezus heeft ons werkelijk een nieuwe God leren kennen. Hij leerde en toonde ons door zijn leven dat God Liefde is. En vermits liefde niet dwingt, gaat het dus over een God die ons niet verplicht, maar telkens opnieuw uitnodigt tot een bezielde wederliefde en tot concrete medemenselijkheid.

De christelijke God is dus geen God die van ons iets eist: offers, gebedsformules of vasten, maar een God die ons uitnodigt tot bezielde solidariteit. Onze God wenst eigenlijk niet gediend te worden door bange onderdanen die zich verplicht voelen om regels en riten te onderhouden. Hij wil vooral bemind worden door vrije mensen die, vanuit de dankbaarheid voor zijn liefdesaanbod, uit persoonlijke overtuiging bezield geraken om Hem te beminnen, heel concreet nl. door hun barmhartigheid, hun rechtvaardigheid en hun dienstbaarheid voor anderen. In zulk een godsdienstbeleving zijn er geen strenge, angstige en slaafse, maar alleen dankbare, blije en vrije gelovigen.

Neen, onze God gaat de mens nooit straffen. De mens kan alleen zichzelf straffen. God is de absolute Liefde en dat betekent: liefde zonder eisen en zonder uiterlijke dwang! Hij wordt wel nooit moe ons uit te nodigen om ook te gaan leven “vanuit de liefde”. Hij doet het langs ontelbare kanalen en zeer menselijke middelen: een vraag om hulp, een ontmoeting, een schokkend beeld op de TV. Maar het blijven telkens uitnodigingen, waarvoor wij ons hart kunnen sluiten of waarop wij kunnen antwoorden met persoonlijke bezieling.

Toch vallen ook sommige christenen regelmatig terug op het oude beeld van Gods straffende almacht. Dat merkt men aan enkele primitieve geloofspraktijken die bijna als magie worden uitgevoerd, of enkele dode gebedsformules die worden afgerammeld. Gevaarlijke godsdienst! Want, wie schrik heeft voor God, wordt hard voor zichzelf en voor zijn medemens.

Wij kunnen onze godsdienstbeleving vernieuwen, verdiepen, echter maken, door ons opnieuw wat meer te bekeren tot de nieuwe God van Jezus: een liefdevolle Vader, die ons, te midden van alles wat wij beleven, uitnodigt om toch te reageren met liefde in het hart. Het formalisme bedreigt immers ook ons. Onze zondagsmis kan toch geen uiterlijke praktijk blijven zonder bezieling, ons gebed geen formulegeprevel zonder gevoel. Daarvoor is er maar één remedie: ervoor zorgen dat ons bidden en ons vieren nauw verbonden blijft met ons dagelijks leven en ons dus echt oproept tot reële barmhartigheid, tot authentieke rechtvaardigheid en tot concrete dienstbaarheid, vandaag en de volgende dagen, op het werk, in het gezin, bij onze opdracht.

Ons uur voor God op zondag is alleen echt als het effectief invloed heeft op onze manier van leven.

Dan alleen is onze godsdienst geen uiterlijk formalisme, maar echte liefdedienst.

Reageren, je eigen woordje plaatsen, of uitwisselen over de overweging,
kan via de blog Van Woord naar leven.

Laat ons bidden

Heer,
neem alle neiging tot formalisme weg uit leven. Maak ons tot vrije christenen die leven, bidden  en vieren met het hart, vanuit uw Hart in ons. Geef dat wij ons in volle overgave, eenvoudig en welgezind mogen geven aan uw aanwezigheid, opdat wij uw liefde mogen worden, uw evangelie opnieuw geschreven in ons dagelijks leven.
Oh Heer, trek ons in uw ja-woord tot de Vader,
alle dagen van ons leven.
Amen.