Lezingen van de dag – zaterdag 26 november 2016


Heilige (of feest) van de dag

Jan Berchmans († 1621)454

Jan Berchmans sj, Rome, Italië; religieus & student

Jan Berchmans werd op 12 maart 1599 te Diest geboren als oudste van vijf kinderen. Zijn vader, eveneens Jan geheten, was schoenmaker en één der schepenen van de stad. Zijn moeder heette Elisabeth van den Hove; zij was een vrome vrouw, die veel ziek was.

Jans ouders hadden gehoopt, dat hij zou meehelpen in de zaak. Maar Jan zelf vatte al zeer jong het ideaal op om priester te worden. Op zijn negende jaar kreeg hij de kans om naar de plaatselijke school te gaan, terwijl hij met een aantal jongetjes die hetzelfde ideaal hadden als hij, intern leefde in het rectorshuis van de Onze-Lieve-Vrouweparochie. De pastoor gaf hem les in alles wat met kerk en geloof te maken had. Jan was een uitnemende leerling. Maar na de beëindiging van zijn derde schooljaar in 1612, haalde zijn vader hem er af. Er was eenvoudig geen geld. Toen de pastoor van het begijnhof te Diest hiervan hoorde, bood hij vader aan, dat hij Jan in huis zou nemen als huisknecht; in ruil daarvoor zou hij zijn opleiding betalen.
Reeds een paar weken later verhuisde hij onder dezelfde condities naar kanunnik Jan Froymont in Mechelen. Opvallend was, dat hij alle klusjes die hij op te knappen kreeg (tafeldekken en afruimen, huis schoonhouden, boodschappen rondbrengen, tuin bijhouden, voor twee jongere mede-internen zorgen), met zo’n opgewekt gemoed deed.

In 1615 openden de jezuïeten een college in Mechelen. Jan ging daarheen om zijn studies af te maken, en wilde jezuïet worden. Het was vooral het levensverhaal van Aloysius van Gonzaga († 1591; feest 21 juni), dat hem daartoe inspireerde.

Intussen was dat de zoveelste tegenvaller voor zijn ouders, die hem graag in de buurt hadden gehouden als parochiepriester. Tenslotte gaf vader toe. Jan was op dat moment 17½ jaar oud. Hij trad in het noviciaat van de paters jezuïeten op 24 september 1616. Daar leerde hij van zijn geestelijk leidsman de eenvoudige doch glanzende levenswijsheid die je als program boven heel zijn leven zou kunnen schrijven: ‘Heiligheid bestaat niet in het verrichten van buitengewone dingen, maar in het buitengewoon verrichten van gewone dingen!’ Nog tijdens dat eerste jaar kreeg hij in de maand december bericht, dat zijn moeder was overleden. Vader zou kort daarna de schoenmakerswinkel sluiten, zelf de priesterstudies op het seminarie aanvatten en twee jaar later al, in april 1618, priester worden gewijd.

Zoals elke jezuïet legde Jan na zijn twee jaar noviciaat de religieuze geloften af van armoede, kuisheid en gehoorzaamheid. In september van datzelfde jaar 1618 begon hij in Antwerpen aan zijn filosofische studies. Daar gaven ze hem te verstaan dat hij was uitgekozen om zijn studies in Rome te voort te zetten. Hij had gehoopt op weg naar Rome zijn vader nog in Mechelen te kunnen treffen voor een afscheid, maar in plaats daarvan kreeg hij te horen, dat vader juist gestorven was, nog geen zes maanden na diens priesterwijding.

Jan arriveerde in Rome op de laatste dag van december 1618. Hij voltooide zijn drie jaar filosofie met glans, en werd gevraagd om het traditionele Openbaar Dispuut namens de jezuïetenopleiding aan te gaan. Niemand echter realiseerde zich, dat hij het gewone met buitengewone zorg verrichtte en hoeveel werk hij daarvoor verzette. Tot diep in de nacht. Het dispuut verliep prachtig, maar meer nog viel zijn ongezonde kleur op.

Hij bleek aan dysenterie te lijden, en zo verzwakt te zijn, dat er eigenlijk al niets meer aan te doen viel. Hijzelf sprak op zijn ziekbed met grote vanzelfsprekendheid over het paradijs… Huisgenoten, medestudenten, paters die in de stad waren, en zelfs Pater Generaal kwamen hem opzoeken om afscheid te nemen. In de kring van de communiteit ontving hij het sacrament der stervenden op 12 augustus 1621; een aanwezige noteerde later, dat Jan zelf de enige was die niet huilde en heel nuchter zijn kalmte bewaarde. De slapeloze nacht daarop bracht hij in gebed door. Toen de volgende morgen om even over acht de klok aanhoudend luidde van het huis, wist iedereen: onze broeder Jan is gestorven.

Zoals gebruikelijk in de jezuïetenorde schreef een huisgenoot – in dit geval zijn overste – een karakteristiek van de overledene, waaruit wij het volgende citeren: ‘Wat wij allemaal zo in hem bewonderden, was dat hij zo deugdzaam was, zo… vanzelfsprekend deugdzaam. Met Gods genade wist hij van alles wat hij aanpakte iets bijzonders te maken; iets wat precies was zoals het moest zijn.’

zaterdag in week 34 door het jaarbijbel


Uit het boek Apocalyps 22, 1-7

Johannes beschrijft de stad van God met beelden uit het scheppingsverhaal: het water, de levensboom, en God de Heer die het licht uitstraalt. Door het optreden van het Lam wordt de wereld herschapen tot een nieuw verblijf van God onder de mensen.

De engel toonde mij, Johannes, met water dat leven geeft. De rivier was helder als kristal en ontsprong aan de troon van God en van het Lam.
In het midden van het plein van de stad en aan weerskanten van de rivier stond een levensboom, die twaalf vruchten gaf, elke maand zijn eigen vrucht. De bladeren van de boom brachten de volken genezing.
Er zal niets meer zijn waarop nog een vloek rust. De troon van God en van het Lam zal daar in de stad staan. Zijn dienaren zullen hem vereren en Hem met eigen ogen zien, en zijn naam staat op hun voorhoofd.
Het zal er geen nacht meer zijn en het licht van een lamp of het licht van de zon hebben ze niet nodig, want God, de Heer, zal hun licht zijn. En zij zullen als koningen heersen tot in eeuwigheid.
Toen zei hij tegen mij: ‘Wat hier gezegd is, is betrouwbaar en waar. De Heer, de God die profeten bezielt, heeft zijn engel gestuurd om aan zijn dienaren te laten zien wat er binnenkort gebeuren moet.’
‘Ik kom spoedig!’ Gelukkig is wie zich houdt aan de profetie van dit boek.

 

Psalm 95, 1-7

Refr.: Maranatha ! Kom, Heer Jezus !

Kom, laten wij jubelen voor de Heer,
juichen voor onze rots, onze redding.

Laten wij Hem naderen met een loflied, Drieeenheid_2
Hem toejuichen met gezang.

De Heer is een machtige God,
een machtige koning, boven alle goden verheven.

Hij houdt in zijn hand de diepten der aarde,
de toppen van de bergen behoren Hem toe.

Van Hem is de zee, door Hem gemaakt,
en ook het droge, door zijn handen gevormd.

Ga binnen, laten wij buigen in aanbidding,
knielen voor de Heer, onze maker.

Ja, Hij is onze God en wij zijn het volk dat Hij hoedt,
de kudde door zijn hand geleid.

 

Uit het evangelie volgens Lucas 21, 34-36

Jezus’ woorden over de eindtijd zijn een oproep tot voortdurende waakzaamheid om ‘stand te houden wanneer wij voor de Menszoon zullen verschijnen’, om oog te hebben voor zijn nabijheid midden onder ons.

Jezus sprak tot zijn leerlingen:
‘Pas op dat jullie hart niet afgestompt raakt door de roes en de dronkenschap en de zorgen van het dagelijks leven, zodat die dag jullie overvalt, onvoorspelbaar als een val die dichtklapt. Want plotseling zal hij komen over allen die waar ook op aarde wonen.
Wees waakzaam en bid onophoudelijk om te ontkomen aan de dingen die gebeuren gaan en om voor de Mensenzoon te kunnen verschijnen.’

Van Woord naar leven

Waak en bid. Heel vaak worden deze woorden in één adem genoemd. En terecht. Waakzaamheid en gebed hebben in wezen diep met elkaar te maken.
In het gebed ontmoeten we immers de Heer die ons geweten vormt. Dit geweten is de plaats waar wij keuzes maken; grote levenskeuzes, maar ook de vele kleine keuzes doorheen de dag.
Wie niet waakt over zijn door Christus gevormd geweten, zal niet enkel gewetensdoof worden, maar geruisloos zal hij zich verwijderen van Christus, met alle gevolgen van dien.
Echte waakzaamheid is in wezen een voortdurende alertheid voor de stem van Christus in ons geweten. Leven vanuit deze waakzaamheid zal ons in Christus houden, zodat de keuzes die we maken vanuit Hem zullen gebeuren; door Hem gezegend, met zijn genade vervuld.

Het evangelie van vandaag roept om ‘zuiver’ voor de Mensenzoon te verschijnen bij ons aards sterven. Inderdaad, ook dit vraagt een waakzaamheid. Een gezond verlangen naar het hemels leven zal ons helpen deze waakzaamheid goed te doorleven.

En morgen, lieve mensen, begint de advent. Een tijd van verlangen en verwachting, een tijd van bekering en stappen zetten, een tijd van dragen en baren. Een hele mooie periode ons gegeven.
Laten we de advent niet verprutsen door haar te weinig of geen aandacht te geven, door allerlei dingen te doen die ons van haar diepgang verwijderen, maar laten we deze tijd diep verlangend doorgaan; verlangend naar de Heer en naar eigen zuiverheid.

De adventstijd… een heilige tijd. Ik kijk er naar uit. Ik hoop u ook. Laten we het samen doen, biddend en ons gevend aan de genade van het verlangen.

kris

Reageren, je eigen woordje plaatsen, of uitwisselen over de overweging,
kan via de blog Van Woord naar leven.
Laat ons bidden

Heer,1
schenk ons de genade van diepe waakzaamheid; liefde voor uw inwoning in ons. Wil doorheen de stilte van het gebed ons in U opnemen, opdat wij onopvallend en klein dragers en uitdragers mogen worden van uw Vrede, uitdragers van U. Amen.