Lezingen van de dag – zaterdag 27 mei 2017


Heilige (of feest) van de dag

Augustinus van Canterbury (+ 604)

Augustinus van Canterbury osb, Engeland; bisschop

Tezamen met paus Gregorius I († 604; feest 3 september) draagt hij de eretitel Apostel van de Engelsen. Wanneer we voor het eerst van hem horen, is hij overste van van het Andreasklooster op de Caelische heuvel bij Rome.

In 596 nodigde paus Gregorius hem uit om met een groep van veertig monniken naar Engeland te gaan en daar de kerk te organiseren en het geloof te verkondigen onder degenen die nog niet met Christus in aanraking waren gekomen. Onderweg groeide er steeds meer twijfel in de groep over het de goede afloop van deze onerneming. Gregorius liet hen per brief bemoedigen, drong erop aan dat zij door zouden zetten en bekrachtigde zijn verlangen door aan bisschop Virgilius van Arles († ca 610; feest 5 maart) opdracht te geven Augustinus tot bisschop te wijden. Uiteindelijk landden ze op het toenmalige eilandje Thanet voor de oostkust van het Zuid-Engelse koninkrijkje Kent. Op aanraden van paus Gregorius stuurde Augustinus enkele Frankische tolken vooruit naar het hof van Ethelbert, koning van het koninkrijk Kent in Zuid-Engeland. Over het verdere verloop van de gebeurtenissen zijn wij uitstekend geïnformeerd door Sint Beda († 735; feest 25 mei), die er in zijn Geschiedenis van Kerk en Volk der Engelsen ruim aandacht aan besteedt.

De monniken vroegen de koning om een onderhoud en verklaarden dat hun meester uit Rome kwam en zeer goed nieuws te melden had. Ieder die het wenste te ontvangen, was verzekerd van eeuwige vreugde in de hemel en van een nimmer eindigende heerschappij met de levende en ware God. Na het aanhoren van dit bericht, gaf de koning bevel dat ze op het eiland zouden blijven en dat ze voorzien moesten worden van alwat ze nodig hadden, tot hij een besluit had genomen hoe te handelen. Hij kende de christelijke godsdienst al een beetje. Want hij had een christenvrouw uit het Frankische koningshuis. Zij heette Bertha. Haar ouders hadden in haar huwelijk toegestemd op voorwaarde dat zij in alle vrijheid haar eigen godsdienst mocht behouden en praktiseren. Om haar daarin behulpzaam te zijn had ze een persoonlijke bisschop meegekregen, Liudhard geheten.

Na verloop van een paar dagen kwam de koning naar het eiland. Daar hield hij zitting in de open lucht en zo riep hij Augustinus en zijn gezellen bij zich voor een onderhoud. Zorgvuldig lette hij erop dat zij hem niet onder één of ander dak zouden ontmoeten. Hij was namelijk een oud bijgeloof toegedaan en nu meende hij dat als het magiërs waren, ze hem dan zouden kunnen betoveren en in hun macht konden krijgen. Maar de monniken waren niet begiftigd met duivelse macht, doch, integendeel, met die van God zelf. Zij kwamen in plechtige processie naar de koning toe, waarbij ze een zilveren kruis meedroegen bij wijze van standaard. Bovendien hadden ze een op hout geschilderd portret van Christus bij zich. [Ongetwijfeld waren ze in vol ornaat. Wellicht werden er in de stoet ook nog heilige boeken meegedragen en mooi bewerkte kistjes met relieken van heiligen?] Om te beginnen richtten ze gebeden tot God in de vorm van een litanie: ze baden voor hun eigen eeuwig heil alswel voor het heil van degenen bij wie ze thans op bezoek waren…

Dit alles moet grote indruk gemaakt hebben op koning Ethelbert en zijn hele hofhouding. Niet in het minst natuurlijk vanwege de ernstige gebeden om heil en zegen die zij voor hem, een onbekende koning, deden bij hun God. De kroniek gaat als volgt verder.

De koning gaf een teken dat zij konden gaan zitten. Zij verkondigden voor hem en heel zijn hofhouding het woord des levens. Daarop sprak de koning: “Uw beloftevolle woorden lijken mij volkomen oprecht. Maar ze zijn nieuw en nog ongewis. Ik kan ze niet zomaar aannemen en daarmee het geloof van oudsher overboord gooien, dat ikzelf met heel het Engelse volk tot nu toe heb bewaard. Maar daar staat tegenover dat u er een lange reis voor over hebt gehad. Bovendien is het voor mij zonneklaar dat u eerlijk bent in uw verlangen ons te doen delen in datgene waarvan u gelooft dat het waar is en boven alles verheven. We zullen u dus geen enkel kwaad doen. Wij zullen u gastvrij opnemen en er zorg voor dragen dat u alles krijgt wat u maar nodig hebt. We zullen u dus ook niets in de weg leggen, wanneer u door uw verkondiging mensen wilt trachten te winnen voor uw godsdienst.”

De koning wees hun een onderkomen toe in de hoofdstad van zijn rijk, Canterbury. Overeenkomstig zijn uitdrukkelijke beloften schonk hij hun subsidies en deed hij niets af aan hun vrijheid om het woord Gods te verkondigen.

De volksmond weet nog te vertellen, hoe zij weer bij het naderen van de stad het heilig kruis en het portret van onze grote Heer en Koning Jezus Christus meedroegen, waarbij zij eenstemmig deze litanie zongen: “Wij smeken u, Heer, wend af uw toorn en woede van deze stad en van uw heilige woning, want wij zijn maar arme zondaars. Alleluia.”

Koning Ethelbert behoort tot Augustinus’ eerste bekeerlingen: in 601 liet hij zich tezamen met zijn hele hofhouding dopen.

Vanaf dat moment was Canterbury de officiële zetel van de bisschop en zou uitgroeien tot aartsbisdom. Daarnaast stichtte Augustinus er een klooster dat hij aan Sint Petrus en Paulus toewijdde, en dat later naar hem zou worden genoemd St-Augustine’s.

Na zijn dood werd hij bijgezet in de kerk van de door hem gestichte benedictijner abdij.

Op 13 september 1091 werden zijn relieken met veel plechtig vertoon overgebracht naar een nieuwe plek in de geheel verbouwde en vergrote kloosterkerk.

zaterdag in de zesde paasweek


Uit de Handelingen van de Apostelen 18, 23-28

In een geloofsgemeenschap is elke gelovige verantwoordelijk voor de verkondiging van de evangelische boodschap. Apollos was een leek, die zich deze verantwoordelijkheid heel bewust werd.

Toen Paulus enige tijd in Antiochië had doorgebracht, vertrok hij voor een rondreis door Galatië en Frygië, waar hij alle leerlingen moed insprak.
Intussen arriveerde er in Efeze een uit Alexandrië afkomstige Jood, die Apollos heette. Hij was een ontwikkeld man, die goed onderlegd was in de Schriften. Hij had onderricht gekregen in de Weg van de Heer en verkondigde geestdriftig de leer over Jezus, die hij zorgvuldig uiteenzette, ook al was hij alleen bekend met de doop zoals Johannes die had verricht. In de synagoge begon hij nu vrijmoedig het woord te voeren. Toen Priscilla en Aquila hem hoorden, namen ze hem terzijde en legden hem uit wat de Weg van God precies inhield.
Toen hij naar Achaje wilde afreizen, moedigden de leerlingen hem aan en gaven hem een brief mee voor de gemeenteleden met het verzoek hem gastvrij te ontvangen. Na zijn aankomst bleek hij door Gods genade een grote steun te zijn voor de gelovigen, want hij slaagde erin de Joden in het openbaar in het ongelijk te stellen door op grond van de Schriften aan te tonen dat Jezus de messias is.

 

Psalm 47, 2 + 3 + 8 + 9 + 10

Refr.: Koning is God over heel de aarde.

Klap in de handen, o volken,
juich God toe met jubelzang.

Geducht is de Heer, de Allerhoogste,
machtige koning van heel de aarde.

God is koning van heel de aarde,
zing een feestelijk lied.

God heerst als koning over de volken,
God zetelt op zijn heilige troon.

De vorsten van de volken zijn bijeen
in het gevolg van Abrahams God.

Zijn schildwachten zijn ze op aarde.
Hoog is Hij verheven.

 

Uit het evangelie volgens Johannes 16, 23b-28

Het behoren tot het christendom is geen vrijgeleide voor menselijk succes, voor macht in deze wereld. Jezus beloofde ons wèl een diepe inwendige vreugde, namelijk door zijn verrijzenis getuige te kunnen zijn van de geboorte van een nieuwe wereld.

Jezus sprak tot zijn leerlingen:
‘Wat je de Vader ook vraagt in mijn naam; Hij zal het je geven. Tot nu toe hebben jullie niets in mijn naam gevraagd, maar vraag het en je zult het ontvangen. Dan zal je vreugde volmaakt zijn.
Ik heb jullie dit alles in beelden verteld, maar er komt een tijd dat Ik niet meer in beelden spreek, maar jullie zonder omwegen over de Vader vertellen. Als je dan iets vraagt in mijn naam, hoef Ik het niet meer namens jullie aan de Vader te vragen, want de Vader zelf heeft jullie lief, omdat jullie mij liefhebben en geloven dat Ik van God ben gekomen.
Ik ben bij de Vader vandaan gegaan en naar de wereld gekomen, nu verlaat Ik de wereld weer en ga Ik terug naar de Vader.’

Van Woord naar leven

“Klap in de handen, o volken, juich God toe met jubelzang”, zingt de psalmist vandaag.

Lieve mensen,
het is prachtig weer. Doet goed he. Voor wie in de mogelijkheid is, is het heerlijk om deze dagen buiten te vertoeven. De warmte laat ook toe dat je tot laat buiten kan zitten. Bij ons thuis hier is het niet anders. De kindjes slapen, vrouwlief heeft de late in het rusthuis, en ik zit buiten met de pc deze overweging te schrijven. Heerlijk is dat. Na een drukke dagtaak ervaar ik werken aan de website als mijn geestelijke ontspanning, een kleine dienst nog aan God in de avonduren.

En nu ga ik je een geheim vertellen.
Heel dikwijls kan ik tijdens het maken van de site innerlijk klappen in de handen, zoals de psalmist het verwoordt. Het is een innerlijke vreugde die voortkomt uit het besef dat God er is, in me is, zoals Hij in ons allemaal is. Het gaat over een blijheid omdat God God is, en ik zijn kind, zoals we allemaal zijn kinderen zijn. Het is een soort kinderlijk plezier dat voortkomt uit een reëel aanvoelen dat God je Vader is en dat Hij doorheen Jezus je zeer diep bemint. Dat schept diep vanbinnen een beleving van vrolijkheid, gewoon om God; om God zoals Hij is, en zoals Hij aanwezig is. Soms hou ik dan op met schrijven, laat ik de pc even voor wat hij is, en ga ik wandelen hier in de velden, kijkend naar de lucht, de vogels, de bomen, en ja … dan klap ik vanbinnen in mijn handen, dan juicht mijn hart, jubelt mijn geest, om God, en kan ik soms wenen van diepe gemeende ontroering.

Met dit neer te schrijven wil ik helemaal niet zeggen hoe uniek ik ben, verre van. Met mijn verleden ben ik een arme zondaar waar niemand jaloers op moet zijn. Maar wat ik wil zeggen is hoe uniek God is, hoe groots Hij is, alle lof waardig. En Hem lof toezingen, lieve mensen, moeten we, denk ik, meer doen. Lof om Hem. Niets vragend, gewoon die warme blik naar Hem zoals Hij dat naar u doet. Dankbaar om wat is, en zelfs om wat niet is. Laat zijn liefde maar binnenstromen, vul je met Hem, drink van Hem, kijk naar Hem. Zie Hem in de vogels, in de bomen, in de wolken, de bloemen, het onkruid, de zon of de regen. Zie Hem in je partner, je kinderen, je medezusters- of broeders, ontmoet Hem in je eenzaamheid, in zijn vraag je te bekeren, in zijn blik vol barmhartigheid, in zijn hemelse goedheid voor ieder.

Laten we beslissen voor God: ja tot de liefde, nee tot het kwaad. Opdat Hij, op zijn beurt, ook in de handen kan klappen als Hij ons bezig ziet.

kris

Reageren, je eigen woordje plaatsen, of uitwisselen over de overweging,
kan via de blog Van Woord naar leven.
Laat ons bidden

Goede God,
alle lof waardig,
wij danken U, om U.
Wat zijt Ge groot.
Raak ons aan,
vergeef ons,
trek ons in U
doorheen uw Zoon.
Moge wij, in Hem,
uw liefde worden,
meer en meer.
Groeiend in U,
amen.