Lezingen van de dag – zaterdag 3 februari 2018


Heilige (of feest) van de dag

Blasius van Sebaste (+ ca 316)

Blasius (ook Blaise, Blas, Blay, Vasco) van Sebaste, Armenië; bisschop & martelaar

Bisschop Blasius hield zich vanwege de heersende christenvervolgingen onder keizer Licinius (311-323) schuil in een bos. Volgens de legende leefde hij daar in vrede met de wilde dieren. Ze kwamen hem zelfs opzoeken om zich door hem te laten genezen. Hij werd bij toeval gevonden, toen Romeinse soldaten op zoek waren naar wilde beesten die men nodig had voor de spelen.

Een van de Romeinse volksvermaken bestond erin dat ten aanschouwen van duizenden toeschouwers ter dood veroordeelden in de arena moesten vechten met wilde dieren.

Dit is de geschiedenis van een heilige, die de dieren liefhad en daarom op zijn beurt door de dieren werd bemind. Zo begint het prachtige verhaal over de heilige Blasius, bisschop van Sebaste. Hij hielp en genas alle schepselen, zowel mens als dier. De heidenen waren jaloers en wilden hem en andere christenen doden in de plaatselijke arena. Daarom zond de gouverneur in 316 zijn soldaten de bergen in om wilde dieren te vangen voor die wrede spelen. Maar er was geen beest te bekennen tot zij in Blasius’ grot kwamen.

Daar vonden zij alle dieren, en met name alle wilde dieren waarvoor zij zo bang waren: leeuwen, tijgers, luipaarden, beren en wolven: zij brachten hun dagelijkse morgengroet aan de heilige man. Midden tussen hen in lag Sint Blasius in gebed. Hij was daar zo ernstig in verdiept, dat hij de soldaten die met hun netten en speren waren gekomen om de dieren te vangen, zelfs niet opmerkte. Hoewel de dieren zeer bang waren, bewogen zij zich niet en gaven geen enkel geluid; zij wilden hun meester niet storen. Zij hielden zich doodstil, terwijl zij met hun grote gele ogen de soldaten aanstaarden. Maar die waren zo verbaasd door wat zij daar te zien kregen, dat ze stilletjes weer wegslopen zonder ook maar een vinger uit te steken naar een van de dieren, ja zelfs zonder een woord te wisselen met de heilige man. Zij veronderstelden natuurlijk dat zij een verschijning hadden van Orfeus of van een andere heidense godheid, die de dieren betoverd had. En zij gingen terug naar de gouverneur om hem te vertellen wat zij hadden meegemaakt.

“Zo, dat moet dan een christen wezen”, antwoordde gouverneur Agricola, toen hij het hele verhaal gehoord had, “want alleen christenen zijn zulke dikke vrienden met de dieren. Breng hem op staande voet hier vóór mij.”  Dat gebeurde. Na veel folteringen werd de heilige onthoofd. De dieren huilden en jankten voor de verlaten grot, en snuffelend zochten zij hem overal, als verdwaalde honden die hun meester verloren hadden. Ook voor de dieren in het woud was het een droeve dag, toen Sint Blasius voor altijd van hen was afgenomen.

Zo werd Sint Blasius opgepakt en aan folteringen onderworpen. Eerst deed men pogingen om hem te verdrinken, maar hij wandelde eenvoudig over de golven weg. Toen werd hij letterlijk over de hekel gehaald en zijn lichaam werd met wolkammen opengereten. Uiteindelijk werd hij naar de executieplaats buiten de stad geleid om te worden onthoofd. Op weg daar naartoe kwam hem een moeder tegemoet met haar zoontje dat dreigde te stikken in een ingeslikte visgraat. De heilige legde het een ogenblik de handen op en sprak een gebed uit, waarop het kind van zijn kwaal werd verlost. Kort daarop stierf Blasius de marteldood, volgens zeggen in gezelschap van twee kinderen en zeven vrouwen.

Nadat in de 8e eeuw een kerk aan hem was gewijd in de Duitse stad Erfurt, verspreidde zich zijn verering over heel Europa. In de 10e eeuw kwamen relieken van hem terecht in het Zwarte Woud; sindsdien heette de abdij van Reginbertus van Seldenbüren († 963; feest 29 december) Sankt Blasien. In het Vlaamse Rumbeke vindt jaarlijks rondom zijn feestdag de Blasiuskermis plaats. De Nederlandse plaats Cadier en Keer heeft elk jaar een Blasiusbedevaart.

In het Westen behoort hij tot de Veertien Noodhelpers.
De wonderbaarlijke genezing van het jongetje met de doorgeslikte visgraat ligt aan de basis van de zogeheten Blasiuszegen. Op 3 februari komen de gelovigen in de kerk naar voren; de priester houdt bij elk twee – al of niet brandende – gekruiste kaarsen voor de keel en spreekt het volgende gebed uit:
‘Door de voorspraak van de heilige bisschop en martelaar Blasius, moge God u bevrijden van keelziekten en alle andere kwaad. In de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest’ (de priester maakt het zegengebaar).

Volgens de Kath Enyclodie (Amsterdam/Antwerpen, 1950; deel 5 kol.248) gaat het gebruik van de kaarsen bij de Blasiuszegen terug op een middeleeuwse devotiepraktijk welke inhield dat men aan Sint Blasius kaarsen offerde. Dat berust op een legende. In de grot waar Blasius zich verborgen hield zou hij elke dag bezoek gekregen hebben van een weldoenster die hem voedsel bracht en een kaars. De heilige bisschop zou aan die vrouw gevraagd hebben dit gebruik ook voort te zetten na zijn dood. Als men dan om zijn voorspraak bad om van elke ziekte verschoond te blijven kon men dat gebed kracht bijzetten door een kaars te offeren. Het Liturgisch Woordenboek suggereert dat die kaarsen in verband stonden met het feest van de vorige dag, Maria Lichtmis. Daar werden ze gebruikt bij de lichtprocessie.

zaterdag in week 4 door het jaar


Uit het eerste boek Koningen 3, 4-13

Salomo vraagt geen lang leven. Hij vraagt geen rijkdom en ook geen macht. Maar hij vraagt wijsheid om zijn volk te leiden in volledige afhankelijkheid van de Heer en in volledige trouw aan zijn heilsopdracht.

In die dagen ging koning Salomo naar Gibeon, de belangrijkste offerhoogte van het land, om er te offeren. Wel duizend dieren droeg hij daar op het altaar als brandoffer op.
Die nacht verscheen de Heer hem daar in een droom. ‘Vraag wat je wilt’, zei God, ‘Ik zal het je geven.’
Salomo antwoordde: ‘U bent uw dienaar, mijn vader David, altijd goedgezind geweest, omdat hij U trouw toegewijd was en steeds eerlijk en oprecht was tegenover U. U hebt hem een grote gunst bewezen door hem een zoon te geven die nu op zijn troon zit. U, Heer, mijn God, hebt mij als opvolger van mijn vader David als koning aangesteld. Maar ik ben nog zo jong en ik heb geen ervaring. Ik sta nu voor de taak uw uitverkoren volk te leiden, een volk zo talrijk dat het niet te tellen is. Schenk uw dienaar een opmerkzame geest, zodat ik uw volk kan besturen en onderscheid kan maken tussen goed en kwaad. Want hoe zou ik anders recht kunnen spreken over dit immense volk van U?’
Het beviel de Heer dat Salomo juist hierom vroeg, en Hij zei tegen hem: ‘Omdat je hierom vraagt – niet om een lang leven of grote rijkdom of de dood van je vijanden, maar om het vermogen om te luisteren en te onderscheiden tussen recht en onrecht – zal Ik je wens vervullen. Ik zal je zo veel wijsheid en onderscheidingsvermogen schenken dat je iedereen vóór jou en na jou overtreft. Ook waar je niet om gevraagd hebt zal Ik je geven: zo veel rijkdom en roem dat geen enkele andere koning je tijdens je leven zal evenaren.’

 

Ps 119, 9-14

Refr.: De Heer leeft, geprezen zij mijn rots !

Hoe kan wie jong is zuiver leven ?
Door zich te houden aan uw woord.

Met heel mijn hart heb ik U gezocht,
laat mij niet afdwalen van uw geboden.

Uw belofte heb ik in mijn hart geborgen,
zo zal ik niet tegen U zondigen.

Geprezen bent U, Heer,
onderwijs mij in uw wetten.

Mijn lippen hebben uitgesproken,
wat uw mond ons voorschreef.

Leven naar uw richtlijnen geeft mij vreugde,
meer vreugde dan rijkdom en overvloed.

 

Uit het evangelie volgens Marcus 6, 30-34

Marcus beschrijft hoe Jezus de menigte aantrok en met hen meeleefde. Deze zorg, Gods zorg voor de mensen, ligt aan de basis van Jezus’ onvermoeibare prediking. Ook de apostelen, die zo nauw met Christus’ missionaire zending verbonden zijn, moeten helemaal opgaan in het werk van de verkondiging, zelfs op ogenblikken dat zij beschouwend bij Hem willen blijven. De eisen van de verkondiging slorpen hen als mens helemaal op.

De apostelen kwamen weer terug bij Jezus en vertelden Hem over alles wat ze gedaan hadden en wat ze de mensen onderwezen hadden.
Hij zei tegen hen: ‘Ga nu mee naar een eenzame plaats om alleen te zijn en een tijdje uit te rusten.’
Want het was een voortdurend komen en gaan van mensen, zodat ze zelfs niet de kans kregen om te eten.
Ze voeren met de boot naar een afgelegen plaats, om daar alleen te kunnen zijn.
Maar hun vertrek werd opgemerkt en velen hoorden ervan, en uit alle steden haastten de mensen zich over land naar die plaats en kwamen er nog eerder aan dan Jezus en de apostelen.
Toen Hij uit de boot stapte, zag Hij een grote menigte en voelde medelijden met hen, omdat ze leken op schapen zonder herder, en Hij onderwees hen langdurig.

Van Woord naar leven

Vandaag horen we Jezus zeggen tot de leerlingen: ‘Ga nu mee naar een eenzame plaats om alleen te zijn en een tijdje uit te rusten.’

Wanneer je een stilte-retraite gaat volgen in een of andere abdij, dan liggen zeer dikwijls deze woorden ‘Ga nu mee naar een eenzame plaats om alleen te zijn en een tijdje uit te rusten’ op je te wachten op je kamer. Abdijen zijn dan ook plekken waar je zowel lichamelijk als geestelijk werkelijk tot rust kan komen. En ook al ben je beslist niet de enige gast, en zijn er de monniken , in een abdij ga je de eenzaamheid en de stilte in. Dat is niet alleen zalig, maar ook – naar het woord van de Heer – af en toe nodig.

Eenzaamheid, stilte, rust … het heeft iets van een woestijn, een soort ‘niets’ waar enkel jij bent. En natuurlijk Jezus. Jij en Hem. Verder geen verstrooiingen; geen lawaai, gezellig geklets, tv, pc, sociale media, … enkel jij en Jezus.
Voor wie innerlijk die eenzaamheid echt ingaat is dat best confronterend. Je kunt namelijk niet buiten Hem. Je zit als het ware op elkaars schoot en er is niemand anders om naar te kijken of om mee te praten. Enkel Jezus en jezelf.
Wat jezelf betreft: de eenzaamheid verplicht je naar jezelf te kijken, je binnenkant, je zonnige maar ook je duistere kantjes, je verslavingen, je zonden of je neigingen daartoe, enzomeer.
Wat Jezus betreft: die kijkt met je mee. Meer: Hij doet je kijken. Hij leert je in confrontatie te gaan met je binnenkant. Hij laat je daarbij niet alleen, maar Hij doet dat samen met u. En de mogelijke pijn die je daarbij voelt vervult Hij met zijn barmhartigheid, wachtend tot jij je hart geeft aan Hem opdat Hij je duistere kantjes kan ombuigen naar zijn Gods licht.

Je kan zeggen: moet ik daarvoor nu naar een abdij of een klooster … Deze stilte en eenzaamheid ingaan kan ik toch ook thuis …
Ja tuurlijk, dat kan je zeker thuis. Zalig zij, zou ik zeggen, die daarvoor met regelmaat de tijd kunnen maken en de discipline kunnen opbrengen om niet weg te lopen van een welbepaalde stilte-tijd. Toch hoor ik vaak van vele mensen dat ze verlangen naar zo’n dergelijke tijd maar dat de agenda of de drukte van het leven dit in de weg staan. Daarom denk ik dat het goed is om af en toe echt enkele dagen jezelf de tijd te gunnen om naar een plaats te gaan waar je werkelijk de stilte en de eenzaamheid kan ingaan. En doorgaans zijn abdijen of kloosters daarvoor zeer gezegende plaatsen. Ze zijn als religieuze haarden in onze samenleving waar we onze ziel aan mogen komen warmen.

Neem dat je gaat, dan blijft er beslist thuis of elders werk liggen. Doch is het geen verloren tijd, en loont het de moeite er tijd voor te maken en te nemen. Het Bijbelcitaat van vandaag indachtig: ‘De mens leeft niet van brood alleen, maar van ieder woord dat klinkt uit de mond van God.’

kris

Reageren, je eigen woordje plaatsen, of uitwisselen over de overweging,
kan via de blog Van Woord naar leven.
Laat ons bidden

Heer,
trek ons met regelmaat naar een eenzame plaats waar wij met U alleen kunnen zijn, om van U te ontvangen, naar U te luisteren, van U te drinken. Moge wij zo groeien in ons mens-zijn, in onze overgave aan U, in onze roeping Gods liefde te worden.
Amen.